Jozua 21:1-8
I. Hier is het verzoek van de Levieten aangeboden aan de algemene vergadering van de staten des lands, die nu zitting hield te Silo, vers 1,2.
Merk op:
1. Hun lot werd hun niet toegewezen, voor zij er aanspraak op maakten. Er is een erfdeel voorzien voor al de heiligen, het koninklijk priesterdom, maar zij moeten er om vragen, er om bidden: "Bidt, en u zal gegeven worden." Jozua had de andere stammen, die slap waren om hun erfdeel in bezit te nemen, er toe opgewekt, maar van de Levieten kon verondersteld worden dat zij, beter dan de overigen, hun plicht kenden en hun belang, en dus wel niet achterlijk zouden zijn in deze zaak, als het hun beurt zou wezen, om hun aanspraken te laten gelden, zonder er toe geroepen te zijn. Zij hadden een zeer goede grond voor hun aanspraak, niet hun eigen verdiensten of diensten, maar op het gebod Gods. "De Heere heeft geboden door de dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou. Hij heeft u geboden ze te geven, waarin een gebod aan ons ligt opgesloten om er om te vragen." Het onderhoud van de leraren is geen willekeurige zaak, die zuiver en alleen aan de goeden wil des volks is overgelaten, dat hen misschien zou laten verhongeren, neen, gelijk de God Israëls gebood dat de Levieten wèl verzorgd zouden worden, zo heeft de Heere Jezus, de Koning van de Christelijke kerk, verordineerd-en het is een blijvende verordening-dat zij "die het Evangelie verkondigen, van het Evangelie zullen leven," 1 Corinthiers 9:14, en er behoorlijk van zullen leven.
2. Zij hebben hun aanspraken niet laten gelden eer de overige stammen voorzien waren, maar toen hebben zij het terstond gedaan. Er was wel reden voor: iedere stam moest weten wat het zijne is, anders zouden zij niet weten wat zij aan de Levieten gaven, en dan zou het niet zo'n redelijke dienst kunnen zijn als hij wezen moest. Maar het is ook een voorbeeld van hun ootmoed, bescheidenheid en geduld, (en Levieten behoren voorbeelden te zijn van deze en nog andere deugden) dat zij wel het laatst bedeeld wilden worden, en zij zijn er niet slechter om gevaren. Laat de dienstknechten Gods niet klagen indien zij te eniger tijd in de verzorging door mensen het laatst komen, maar laat hen zich verzekeren van de gunst van God en de eer, die van Hem komt, dan zullen zij het gemakkelijk kunnen dragen om door de mensen achtergesteld of over het hoofd te worden gezien.
II. Het verzoek van de Levieten wordt onmiddellijk toegestaan zonder enigerlei twist of bezwaar, de oversten van Israël waren misschien wel enigszins beschaamd, dat zij het nodig hadden om voor deze zaak nog aangezocht te worden, en dar het voorstel niet van hen was uitgegaan om voor de vestiging van de Levieten te zorgen.
1. De kinderen Israëls worden gezegd de steden aan de Levieten te geven. God had bepaald, hoevele er hun gegeven moesten worden, in het geheel acht en veertig. Waarschijnlijk hebben Jozua en de oversten in overweging van de uitgestrektheid en de waarde van het lot van elken stam, zoals het hun voorgelegd was, bepaald hoeveel steden uit ieder van hen genomen moesten worden, en toen zijn de hoofden van de vaderen van de verschillende stammen overeengekomen, welke steden het zijn zouden weshalve zij gezegd worden ze te geven als een offerande aan de Heere, aldus had God het bevolen, Numeri 35:8. "Een ieder zal naar zijn erfenis, die zij zullen erven, van zijn steden aan de Levieten geven." Hier heeft God hun vrijgevigheid op de proef gesteld, en zij werd bevonden te zijn tot lof en eer, want uit de volgende lijst blijkt dat de steden, die zij aan de Levieten gaven, over het algemeen tot de beste en aanzienlijkste in iederen stam behoorden. En waarschijnlijk hadden zij het oog op de ligging er van, zorg dragende, dat zij zó verstrooid zouden zijn, dat geen deel van het land op te verre afstand van de Levieten zou wezen.
2. Zij gaven ze naar de mond des Heeren, dat is: in gehoorzaamheid aan Zijn gebod, en dit was het, dat de schenking heiligde. Zij gaven het getal, dat God geboden had, en het was goed dat dit getal aldus vastgesteld was, opdat de Levieten niet om meer zouden vragen en de Israëlieten niet minder zouden aanbieden. Zij gaven ze ook met de voorsteden of pastorielanden, die er toe behoorden, zoveel ellen van de muren van de stad gemeten, als God geboden had, Numeri 35:4, 5, en zij hebben niet gepoogd om hun minder te geven.
3. Nadat de acht en veertig steden gekozen waren, werden zij in vier groepen verdeeld naar zij dicht bij elkaar lagen, en toen werden zij door het lot aan de vier onderscheiden geslachten toegewezen. Toen de Israëlieten de steden hadden overgegeven in de hand van God, wilde Hij zelf ze onder Zijn dienstknechten verdelen. Het geslacht van Aäron, waaruit alleen de priesters genomen waren, ontving tot zijn deel de dertien steden, die door de stammen van Juda, Simeon en Benjamin gegeven waren, vers 4. God heeft het in Zijn wijsheid aldus beschikt, dat wel Jeruzalem zelf niet een hunner steden was, daar het nog in het bezit was van de Jebusieten (en deze edelmoedige stammen wilden de Levieten, die een anderen strijd te voeren hadden, niet bespotten door hun een stad te geven, die nog met het zwaard moest worden veroverd, eer zij in bezit kon worden genomen) maar dat toch de steden, die hun ten deel vielen, dicht bij Jeruzalem lagen, omdat het in verloop van tijd de heilige stad moest worden, waar grotendeels hun werk lag.
b. De Kahathieten, die geen priesters maar Levieten waren (onder wie de nakomelingen van Mozes waren hoewel zij nooit van hen waren onderscheiden, verkregen de steden die in het lot van Dan waren, welke stam naast Juda lag, en in dat van Efraïm en de halve stam van Manasse, die naast Benjamin lag. Zo zijn zij, die van Aärons vader afstamden naast de zonen van Aäron geplaatst.
c. Gerson was de oudste zoon van Levi, daarom hadden zijn kinderen, hoewel het jongere huis van de Kahatieten de voorrang had boven hen, de voorrang boven het geslacht van Merari, vers 6. De Merarieten, het jongste huis, verkregen hun lot het laatst, en het lag verder af dan de anderen vers 7. De overige zonen van Jakob ontvingen slechts een lot voor iederen stam, maar Levi Gods stam, verkreeg een lot voor elk van zijn geslachten, want Gods voorzienigheid leidt zeer bijzonder de verplaatsing en vestiging van Zijn dienaren, en bepaalt waar zij zich zullen vestigen, die bestemd zijn om het licht van de wereld te wezen.