1. En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich, nadat de stammen Juda, Benjamin en half-Manasse hun erfenis ontvangen, en er hun woonplaatsengevestigd hadden, naar het gebod van de Heeren in
Deuteronomium 12:5,
11,
14 te Silo, 3 3/4 uur van Bethel, nu Seilûn geheten, midden in het land op een berg gelegen, en zij richtten aldaar de tent der samenkomst op, ten teken dat men nu tot de beloofde rust was gekomen, dat dan ook zeer goed overeenkwam, met de naam Silo (= rust), alwaar de geschikte plaats voor het heiligdom was, nadat het land voor hen onderworpen was.
De omtrek van Silo was bijzonder veilig tegen alle vijandelijke aanvallen, want aan de noordzijde strekten de kinderen van Jozef tot een stevig bolwerk, ten zuiden beveiligden de kinderen van Juda, die daar hun erfdeel hadden, het tegen een onverhoedse aanval. Hier in Silo bleef ook de tabernakel gedurende de gehele tijd, die daarop volgde, totdat onder Eli de Ark van het Verbond in de handen van de Filistijnen viel (1 Samuël 4:3vv.), waardoor toen de heilige tent, van haar ziel beroofd, slechts tot een onbezield lichaam, tot de schaduw van een heiligdom vernederd werd. Na die tijd kwam de Ark niet meer in de tabernakel terug. De tabernakel werd eerst naar Nob, een uur ten noorden van Jeruzalem gebracht (1 Samuël 22:1vv.), en toen deze priesterstad het toneel was geweest van het afschuwelijk bloedbad, dat Saul aldaar aanrichtte in het geslacht van de priester Abimelech (1 Samuël 22:19) ging de heilige tent naar de in 9:3; 18:25 genoemde stad Gibeon, in de stam van Juda (1 Kronieken 16:39; 21:29; 1 Koningen 2:4; 2 Kronieken 1:3 maanden na de wegvoering van de Ark zonden de Filistijnen ze terug naar Beth-Semes (1 Samuël 6:9), aan de grenzen tussen Juda en Dan (Jozua 15:10); de burgers van Beth-Semes brachten haar verder naar Kirjath-Jearim (1 Samuël 6:19; 7:1), vanwaar David haar, na de verovering van de burg Sion, naar Jeruzalem deed brengen. Aldaar werd zij geplaatst in een naar het voorbeeld van de tabernakel vervaardigde tent (2 Samuël 6:1vv.). Onder de regering van David bestonden er dus twee plaatsen tot uitoefening van de openbare godsdienst, de ene bij de tabernakel te Gibeon onder de priester Zadok uit de lijn van Eleazar, de andere op de berg Sion te Jeruzalem onder de hogepriester Abjathar uit de lijn van Ithamar, de vader van Achimelech (2 Samuël 8:17; 15:35). Salomo maakte door het bouwen van de tempel een einde aan deze toestand; daardoor kwam er weer één plaats van Godsverering en één Hogepriester (1 Koningen .8:3vv.; 1 Koningen 2:26vv.; ook "Numeri 25:13).. De stammen Juda, Efraïm en half-Manasse hadden zich in hun erfdeel gevestigd; de andere waren verspreid in de overige gedeelten van het land; het was daarom zeer geschikt, dat de Ark naar een betere plaats dan Gilgal gezonden werd. Silo werd daartoe gekozen, ongetwijfeld door de besturing van de Heere. Deze hand was in het midden van het land gelegen, zeer gemakkelijk te bereiken door al de stammen; ook was het wel een vereiste, dat de Ark en de tabernakel die de heerlijkheid en de verdediging van het gehele land als het ware waarborgde en heiligde, te midden van het volk was. Silo lag in het erfdeel van Efraïm, waartoe Jozua behoorde, en het was immers zeer gepast, dat het heiligdom zich in de nabijheid van de residentie van de overste over het volk bevond. Omdat de naam van deze stad dezelfde is als die, waarmee Jakob de Messias bestempelde (Genesis 49:10), wordt door sommigen beweerd, dat de stad bij deze gelegenheid de naam van "Silo" kreeg, toen zij uitgekozen werd tot rustplaats van de Ark, waar al die instellingen zouden nagekomen worden, die onze grote Vredemaker afschaduwden, om toegang te verlenen tot een verzoend God, als een Zoenoffer en Middelaar..
Dat de tabernakel opgesteld werd, hoogstwaarschijnlijk op bevel van de Heere, door tussenkomst van de Urim en Tummim, had o.i ook zijn reden hierin, dat Jozua uit de stam van Efraïm was, en daarom ook zijn woonplaats in dat stamgebied had. Dat die plaats overigens werd verkozen op aanwijzing van de Heere zelf, mag men afleiden uit Deuteronomium 12:11, waar de Heere zegt, dat Hij zelf de plaats zou kiezen, waar Hij Zijn naam zou stellen. Dat de tabernakel in dat stamgebied werd geplaatst, waarin ook Jozua woonde, spreekt vanzelf. Men vergelijke Psalm 122:4,5..
In Jeremia 7:12 stelt de Heere Silo tot een waarschuwend voorbeeld voor Israël, maar zegt daarin ook duidelijk, dat Hij zelf te Silo Zijn Naam had doen wonen..
Silo is nu niets meer dan een hoop ingestorte huizen op een heuvel..