Jozua 19:1-9
Simeon's lot werd getrokken na die van Juda, Jozef en Benjamin, want Jakob had oneer op die stam gelegd, maar hij wordt toch voor de twee jongere zonen van Lea, en de drie zonen van de dienstmaagden gesteld. Voorzoveel wij weten is geen man van betekenis, hetzij rechter of profeet, uit die stam voortgekomen.
1. Hun erfdeel lag binnen het lot van Juda, vers 1, en was er uit genomen, vers 9. De personen, die het eerst het land hadden opgenomen, schijnen het zich groter voorgesteld te hebben dan het was, en gedacht te hebben dat het toereikend zou zijn om aan elke stam een, naar evenredigheid, even groot deel te geven als zij aan Juda hadden toebedeeld, maar bij een nauwkeuriger onderzoek bleek het, dat het daar ontoereikend toe was, vers 9, het erfdeel van de kinderen van Juda was te veel voor hen, het was meer dan zij nodig hadden, en, zoals zij later bemerkten, meer dan hun ten deel moest vallen. God heeft het echter niet door het lot verminderd, maar liet het over aan hun wijsheid en zorg om later de vergissing te herstellen. En toen zij dit deden, hebben de kinderen van Juda er zich niet tegen verzet, dat hun de steden weer afgenomen werden, die bij de eerste verdeling binnen hun lot vielen, daar zij er nu van overtuigd waren, dat zij meer de hun evenredig deel hadden ontvangen. Al zulke zaken moeten "behoudens vergissingen" geregeld worden, en, zo het nodig is, een herziening worden toegelaten. Hoewel hetgeen hun door het lot ten deel was gevallen, strikt genomen, hun recht was tegenover geheel de wereld, wilden zij toch niet staan op hun recht, toen het bleek dat een andere stam gebrek zou hebben aan hetgeen zij konden missen. Wij moeten zien op hetgeen van een ander is, en niet maar op hetgeen het onze is. De overvloed van sommigen moet voorzien in het gebrek van anderen, opdat er enige gelijkheid zij, waarvoor de billijkheid pleit, al kan het ook niet naar recht worden geëist. Hetgeen nu van Juda werd afgenomen om een nieuw lot te vormen, werd door Gods voorzienigheid zo geleid, dat het Simeon ten deel viel, opdat Jakobs profetie betreffende deze stam: "Ik zal u verdelen onder Jakob," vervuld zou worden. De steden van Simeon waren verstrooid onder Juda door welke stam zij omgeven waren, behalve aan de zijde van de zee. Dit bracht hen in verbond met Juda, Richteren 1:3, en was later de gelukkige aanleiding, dat velen uit die stam, ten tijde van de afval dertien stammen onder Jerobeam, het huis van David bleven aanhangen, 2 Kronieken 15:9. Het is goed om in een goede nabuurschap te wonen.
2. De steden in hun lot worden hier genoemd. Beer-Seba, en Seba, die echter namen van dezelfde plaats schijnen te zijn, wordt het eerst genoemd. Ziklag is een van de steden, van welke wij lezen in de geschiedenis van David. Welke maatregelen zij genomen hebben om hun grenzen uit te breiden, en zich ruimte te verschaffen, wordt ons gemeld in 1 Kronieken 4:39 en verv.