Jozua 10:7-14
I. Jozua besluit de Gibeonieten te hulp te komen, en de Heere moedigde hem aan in dit besluit.
1. Hij toog op van Gilgal, vers 7, dat is: hij besloot tot en bereidde zich voor deze expeditie om Gibeon te hulp te komen want het is waarschijnlijk dat God, voordat hij nog een stap gedaan heeft, hem heeft aangemoedigd. Het was edelmoedig en rechtvaardig van Jozua om zijn nieuwe bondgenoten te helpen, hoewel de koning van Jeruzalem, toen hij hen aanviel, misschien weinig gedacht heeft dat Jozua zo bereid zou zijn tot hun hulp, maar hen als Kanaänieten, aan hun lot zou overlaten, temeer, omdat zij hun verbond met hem door bedrog hadden verkregen, daarom spreekt hij met zoveel vertrouwen, vers 4, van Gibeon te slaan. Maar Jozua wist dat zijn belofte van hen te laten leven, hem verplichtte, niet slechts om niet zelf hen te doden, maar hen ook niet door anderen te laten doden, als het in zijn macht was het te beletten, Spreuken 24:11,12. Hij wist dat zij, toen zij het geloof en de aanbidding van de God Israëls aannamen, "de toevlucht hadden genomen onder Zijn vleugelen" Ruth 2:12, en daarom was hij gehouden en verplicht om hen als Zijn dienstknechten te beschermen.
2. God moedigde hem aan tot deze onderneming, vers 8. Vrees niet, dat is:
a. "Twijfel niet aan de rechtmatigheid van uw zaak en het duidelijke van uw roeping, gij zijt, al is het ook om de Gibeonieten bij te staan, in de weg van de plicht, en God is in waarheid met u".
b. "Vrees de macht niet van de vijand, al hebben zoveel vijanden zich ook tegen u verbonden, en al hebben zij besloten al hun krachten aan te wenden om Gibeon tenonder te brengen, en al zullen zij misschien met de moed van de wanhoop strijden voor hun hopeloze zaak, zo laat u dit niet ontmoedigen, Ik heb hen in uw hand gegeven", en zij, die door God ter verdelging zijn overgegeven, kunnen noch weerstand bieden, noch ontkomen.
II. Jozua begeeft er zich toe uitvoering te geven aan zijn besluit, en God verleent hem hierbij Zijn hulp. Hier hebben wij:
1. Jozua's grote naarstigheid, en de macht Gods hierin medewerkende, om de vijand te verslaan. Bij deze krijgstocht:
A. Toonde Jozua zijn goede wil in de spoed, die hij maakte om Gibeon bij te staan, vers 9. Hij kwam snellijk tot hen, want het gevaar was zó groot, dat het hem geen aarzelen of uitstellen toeliet. Indien een van de stammen Israëls in gevaar was geweest, hij zou niet meer zorg en ijver aan de dag hebben kunnen leggen om hem te hulp te komen, dan hij hier voor Gibeon heeft getoond, hierin, evenals in andere gevallen, gedenkende dat er een en dezelfde wet moest wezen voor de vreemdeling, die de ware Godsdienst had aangenomen, en voor de inboorling. Nauwelijks hadden de verbonden vorsten hun strijdmachten bijeengebracht en zich voor Gibeon gelegerd, of Jozua overviel hen, waardoor zij in de grootste verwarring geraakten. Daar de vijand nu in een corps bijeen was, en zij, als het ware, allen tezamen slechts een hoofd hadden, was spoed even dienstig aan zijn zaak, als tevoren uitstel er dienstig aan is geweest, en nu de dingen rijp waren voor de uitvoering, was niemand vaardiger dan Jozua, die tevoren zo traag en langzaam scheen. Nu zal het niet gezegd kunnen worden dat hij voor morgen heeft gelaten, wat hij heden doen kon. Toen Jozua bevond, dat hij Gibeon niet in een dag kon bereiken, heeft hij, om geen wezenlijk voordeel op de vijand prijs te geven, of ook maar in iets te schijnen tekort te komen, of zijn nieuwe bondgenoten te veronachtzamen, de gehele nacht doorgemarcheerd, besluitende zijn ogen geen slaap, zijn oogleden geen sluimering te geven, eer hij deze onderneming volvoerd had. Het was goed dat de krijgsmacht, die hij medenam, bestond uit strijdbare helden, niet slechts uit mannen van een sterk lichaamsgestel, maar uit mannen van moed en vastberadenheid, die met hun gehele hart in de zaak waren, want anders zouden zij deze vermoeienis niet hebben kunnen noch willen verduren, maar gemurmureerd hebben tegen hun aanvoerder, en hem hebben gevraagd: Is dit nu de rust, die ons in Kanaän beloofd is? Maar zij begrepen dat de tegenwoordige vermoeienis leidde tot een gelukkige vestiging, en daarom waren zij er mee verzoend. Laat de goede krijgsknechten van Jezus Christus hieruit leren verdrukking en kwaad te lijden in hun volgen van het Lam waar het ook heengaat, en zich niet als verloren beschouwen, als hun Godsdienst hun nu en dan op het verlies van een nachtrust komt te staan, het zal hun genoeg zijn te rusten als zij in de hemel komen.
Maar waarom was het nodig, dat Jozua en zijn mannen zich zo zouden inspannen? Had God hem niet beloofd, dat Hij de vijanden in zijn hand zou geven? Voorzeker, maar Gods beloften zijn bedoeld niet om onze pogingen te doen verflauwen of ze te vervangen, maar om ze aan te moedigen. Hij, die gelooft, zal niet haasten om de voorzienigheid Gods vooruit te lopen, maar wèl om haar vlijtig te dienen.
B. God toonde Zijn grote macht in het verslaan van de vijanden, die Jozua zo krachtig had aangevallen, vers 10, 11. Jozua had een zeer talrijk en machtig leger bij zich, handen genoeg om een ontmoedigden vijand te verdoen, zodat de vijand door het gewone beloop van de krijg uiteengedreven had kunnen worden, maar God zelf wilde in deze grote en beslissenden veldslag verschijnen, de artillerie van de hemel op de Kanaänieten richten, om aan Zijn volk te bewijzen, dat zij "het land niet geërfd hebben door hun zwaard, en hun arm hun geen tred heeft gegeven, maar Gods rechterhand en Zijn arm," Psalm 44:4. De Heere verschrikte hen voor het aangezicht Israëls, en Hij sloeg hen met een groten slag. Israël deed wat het kon, en God deed alles.
a. Het moest wel een grote verschrikking en verwarring voor de vijand geweest zijn te bemerken, dat de hemel zelf tegen hen streed, want wie kan strijden tegen, vlieden van of zich beschutten tegen de machten des hemels? Zij hadden de ware God beledigd, Hem beroofd van Zijn eer door het heir des hemels te aanbidden, aan het schepsel de verering toebrengende, die alleen de Schepper toekomt, en nu strijdt het heir des hemels tegen hen, en zelfs dat deel van de schepping, hetwelk zij vergood hebben, voert krijg tegen hen, en juicht in hun verderf, Jeremia 8:2. Geen schepsel kan met ons bevredigd worden neen zelfs door geen slachtoffer of offerande, dit kan alleen geschieden door vrede te maken met God en in Zijn liefde te blijven. Dit zou genoeg geweest zijn om hen tot een gemakkelijke prooi te maken voor de zegevierende Israëlieten, maar het was nog niet alles.
b. Behalve de verschrikking, die over hen gekomen was, werd er nog een grote slachting onder hen aangericht door hagelstenen, die zo groot waren, en met zo'n kracht neer kwamen, dat er meer gedood werden door de hagelstenen, dan door het zwaard van de Israëlieten, hoewel dit ongetwijfeld ook veel werk deed. God zelf spreekt tot Job van de schatkameren of magazijnen van de sneeuw en van de hagel, die Hij ophoudt tot de tijd van de benauwdheid, tot de dag des strijds en des oorlogs, Job 38:22, 23, en hier worden zij gebruikt om de Kanaänieten te verdelgen. Hier werd uit Gods grof geschut hagel geschoten en wel met zoveel juistheid, dat allen, tegen wie dat geschut gericht was, er door getroffen en gedood werden, terwijl de Israëlieten, die onder hen gemengd waren, ongedeerd bleven. Zie hieraan hoe rampzalig diegenen zijn, die God tot hun vijand hebben, en hoe gewis zij zullen omkomen, vreeslijk is het in Zijn handen te vallen, want er is geen ontkomen aan. Sommigen merken op dat Beth-Horon ten noorden van Gibeon lag, Azeka en Makkeda ten zuiden, zodat zij in beide richtingen vloden, maar naar welke kant zij ook vloden, de hagelstenen vervolgden hen, troffen hen, waar zij zich ook keerden.
2. Het grote geloof van Jozua en de macht van God dat kronende met het wonderdadige stilstaan van de zon, opdat de dag van Israëls overwinning verlengd zou worden, en de vijand volkomen verslagen zou zijn. De hagelstenen kwamen van niet hoger dan de wolken, maar om te tonen dat Israëls hulp van boven de wolken kwam, heeft de zon zelf, die door haar standvastige beweging de gehele aarde dient, door stil te staan toen het nodig was de Israëlieten gediend, en hun weldadigheid bewezen, "de zon, de maan stonden stil in haar woning, met het licht gingen Uwe pijlen daarhenen," Habakuk 3:11.
A. Hier is het gebed van Jozua, dat de zon stil zou staan. Ik noem het zijn gebed, omdat er gezegd is, vers 12, hij sprak tot de Heere zoals Elia, hoewel wij in 1 Koningen 17:1 alleen lezen van zijn profeteren van de droogte, is er toch gezegd, dat hij er om bad, Jakobus 5:17.
Merk op:
a. Het voorbeeld van Jozua's onvermoeide werkzaamheid in de dienst van God en Israël, hoewel hij de hele nacht gemarcheerd had en de hele dag gestreden, en men wel kon verwachten dat hij wel voor zichzelf naar een weinig rust en een weinig slaap verlangde en ook zijn leger een weinig rust zou willen geven, en evenals de dienstknecht hijgde naar de schaduw, en de nacht welkom zou heten, na zo'n goede dag werk verricht te hebben, in de plaats daarvan niets liever wenst dan dat de dag verlengd zal worden. "Die de Heere verwachten en voor Hem arbeiden, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen lopen en niet moede worden zij zullen wandelen en niet mat worden," Jesaja 40:31.
b. Een voorbeeld van zijn groot geloof in de almachtige kracht Gods, als zijnde boven de kracht van de natuur, en machtig om er de gewone loop van in bedwang te houden en te veranderen. Ongetwijfeld was er een buitengewone inwerking op de geest van Jozua die hij wist van God te zijn, hem dringende te begeren dat dit wonder bij deze gelegenheid gewrocht zou worden, want anders zou het aanmatiging in hem geweest zijn, om dit te begeren of te verwachten, het gebed zou door de Goddelijke macht niet verhoord zijn indien het door de Goddelijke genade niet was ingegeven. God heeft dit geloof in hem gewerkt, en toen zei Hij: "U geschiede naar uw geloof," en naar uw gebed des geloofs. Men zou zich niet kunnen voorstellen hoe zo iets in iemands geest of gemoed zou kunnen opkomen, indien God het er niet in had gelegd, iemand zou duizend plannen in zijn hoofd kunnen hebben voor de voltooiing van de overwinning eer hij gedacht of begeerd zou hebben dat de zon zal stilstaan, maar zelfs in de Oud Testamentische heiligen heeft de Geest gebeden naar de wil van God. God neigt het hart van Zijn biddend volk om te vragen om hetgeen Hij besloten is hun te geven, en om hetgeen Hij hun doen zal wil Hij van hen verzocht worden. Ezechiël 37:37. En nu:
Ten eerste. Het was groot voor Jozua om te zeggen: Zon, sta stil. zijn voorvader Jozef had gedroomd dat de zon en de maan zich voor hem nederbogen, maar wie zou gedacht hebben dat, nadat dit vervuld was geworden in overdrachtelijken zin, het wederom en naar de letter vervuld zou worden voor iemand van zijn nageslacht? Het gebed wordt aldus uitgesproken met gezag, omdat het geen gewoon gebed was, zoals het gewoonlijk door Gods Geest in het hart van Zijn kinderen gewerkt wordt, maar het is het gebed van een profeet, die toen door God hiertoe bezield en gedreven werd, en toch geeft het ons het overmogen te kennen van het gebed in het algemeen, inzover het geleid en geregeld wordt door het woord van God, en het kan ons herinneren aan de eer, die aan het gebed gegeven is, daar God gezegd heeft: "Beveelt Mij aangaande het werk Mijner handen," Jesaja 45:11. Hij gebiedt de zon stil te staan te Gibeon, het toneel des oorlogs, te kennen gevende dat hetgeen hij hiermede bedoelde het voordeel was van Israël op hun vijanden. Het is waarschijnlijk dat de zon toen ten ondergang neigde en dat hij de verlenging van de dag niet wenste, vóór hij bespeurde dat hij ten einde spoedde. Evenzo gebood hij in de naam van de Koning van de koningen de maan stil te staan misschien omdat dit nodig was voor het behoud van de harmonie van de sferen, dat ook de loop van de overige hemellichamen zou stilstaan, want anders zou hij, terwijl de zon scheen, de maan niet nodig gehad hebben, en hier noemt hij het dal van Ajalon, dat nabij Gibeon was, omdat hij zich toen daar bevond.
Ten tweede. Het was zeer stoutmoedig om dit te zeggen voor de ogen van de Israëlieten, en getuigt van een sterke verzekerdheid des geloofs. Indien de uitkomst er niet aan had beantwoord, dan zou niets een groter smaad op hem kunnen werpen. De Israëlieten zouden gedacht hebben, dat hij waanzinnig werd, want dat hij anders nooit zo buitensporige taal kon gevoerd hebben. Maar hij wist zeer goed dat God een gebed zou verhoren, dat Hij zelf hem in het hart had gegeven, en daarom vreesde hij niet om dit voor de oren van geheel Israël te zeggen, hen oproepende om dit wonderwerk waar te nemen: Zon, sta stil. Hij wist wie hij geloofde. Hij geloofde in de almachtige kracht Gods, anders zou hij niet verwacht hebben dat de zon, voortgaande in haar kracht, en vrolijk zijnde als een held om het pad te lopen in een oogwenk tot stilstand zou worden gebracht. Hij geloofde de vrijmacht Gods in het rijk van de natuur, anders zou hij niet verwacht kunnen hebben, dat de vastgestelde wet en loop van de natuur veranderd en onderbroken zou worden, inbreuk zou worden gemaakt op de ordeningen des hemels en het vast gebruik van deze ordeningen. En hij geloofde Gods bijzondere gunst over Israël boven alle volken onder de zon, anders zou hij niet verwacht kunnen hebben, dat Hij om hen in een moeilijkheid met een dubbelen dag te bevoorrechten, zo groot een deel van de aardbol in de spanning en verschrikking zou houden van een dubbelen nacht, die er het natuurlijk gevolg van moest zijn. Het is waar: "Hij laat de zon schijnen over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen," maar voor ditmaal moeten de onrechtvaardigen er langer dan gewoonlijk op wachten, terwijl zij in gunst over het rechtvaardig Israël stilstaat.
B. De verhoring van dit gebed. Niet spoediger gezegd dan gedaan, vers 13. De zon stond stil, en de maan bleef staan. Niettegenstaande de ontzaglijken afstand tussen de aarde en de zon, bleef op het woord van Jozua de zon terstond stilstaan, want dezelfde God die heerst in de hemel hierboven, heerst terzelfder tijd op de aarde, en, als het Hem behaagt, zal, zoals hier, de hemel de aarde verhoren. Betreffende dit grote wonder wordt hier gezegd:
a. Dat het omtrent een volkomen dag aanhield, dat is de zon bleef weer even lang boven de horizon als zij anders gedaan zou hebben. Er wordt algemeen ondersteld dat dit omstreeks het midden van de zomer is geschied, als er in dat land ongeveer veertien uren zijn tussen zonsopgang en zonsondergang, zodat deze dag ongeveer acht en twintig uren geduurd heeft, maar als wij onderstellen, dat het op een tijd van het jaar was wanneer de dagen het kortst zijn, dan zal het te meer waarschijnlijk zijn dat Jozua een verlenging van de dag begeerde en er om bad.
b. Dat het volk hierdoor ten volle de tijd had zich aan zijn vijanden te wreken en hun een volkomen nederlaag toe te brengen. Wij lezen dikwijls in de geschiedenis van veldslagen, waaraan de nacht een einde maakte, welks schaduwen de terugtocht van de overwonnenen begunstigde. Om nu te voorkomen dat de vijand dit voordeel zou hebben voor zijn vlucht, werd de dag verdubbeld, opdat de hand van Israël al hun vijanden zou vinden, maar het oog en de hand van God kan hen vinden zonder de hulp van het licht van de zon, want voor Hem "licht de nacht als de dag," Psalm 139:12. Soms volbrengt God in een kleine tijd een grote verlossing en maakt het tot het werk van slechts een dag. Wellicht is er een toespeling op dat wonder in Zacheria 14:6, 7, waar Gods strijden tegen de heidenen gezegd wordt een dag te zijn, en dat het ten tijde des avonds licht zal wezen, evenals hier. En:
c. Dat er nooit een dag was aan deze gelijk, voor hem noch na hem, waarin God zo'n eer legde op geloof en gebed en Israëls zaak, nooit heeft Hij zo wonderbaarlijk de stem eens mensen verhoord, of zo wonderbaarlijk gestreden voor Zijn volk.
d. Dit wordt gezegd geschreven te zijn in het boek van Jasher of des oprechten, een verzameling van gedichten, waarin het gedicht, dat op deze gebeurtenis werd gemaakt, onder de overigen bewaard bleef, en dat waarschijnlijk hetzelfde is als "het boek van de oorlogen des Heeren," Numeri 21:14, dat later voortgezet werd door een zekeren Jasher. Niet alsof het Goddelijk getuigenis van het boek van Jozua bevestiging behoefde van het boek van Jasher, een gewoon menselijk geschrift, maar voor hen, die dit boek in handen hadden, zou het van nut wezen om er deze geschiedenis mee te vergelijken, waardoor ook het beroep gewettigd wordt, dat de geleerden doen op de ongewijde geschiedenis ter staving van de bewijzen van de waarheid van de gewijde geschiedenis.
Maar dit machtige wonder van het stilstaan van de zon was gewis voor nog iets meer bestemd dan om alleen maar aan Israël meer tijd te geven om hun vijanden te vinden en te doden, hetgeen, ook zonder dit wonder, de volgenden dag had kunnen geschieden.
Ten eerste. God wilde hierdoor Jozua groot maken, Hoofdstuk 3:7, als een bijzonder gunstgenoot, tot wiens eer Hij een welbehagen had een type zijnde van Hem, die alle macht heeft in hemel en op aarde, en wie de winden en de zee gehoorzamen.
Ten tweede. Hiermede wilde Hij aan geheel de wereld bekendmaken, wat Hij hierin Kanaän deed voor Zijn volk Israël. De zon, het oog van de wereld, moet gedurende enige uren op Gibeon gevestigd zijn, en op het dal van Ajalon als om er de grote werken Gods voor Israël gade te slaan, en de kinderen van de mensen op te wekken om hun blikken daarheen te richten, en "te vragen naar het wonderteken, dat in het land geschied was, "2 Kronieken 32:31 h. Allen naburigen volken werd hiermede toegeroepen: "Komt, aanschouwt de, daden des Heeren," Psalm 46:9, en zegt: Wat volk is zo groot als Israël en dat God zo nabij zich heeft. Nu zou men gedacht hebben dat hierop zulke wezenlijke gezanten zouden verschijnen. als de Gibeonieten voorgaven te zijn, namelijk van verre lande, om vanwege de naam van Israëls God naar Israëls vriendschap te dingen. Ten derde. Hiermede wilde Hij de afgodendienaars overtuigen en beschamen, die zon en maan aanbaden en haar Goddelijke eer bewezen door te tonen dat zij onder het bevel stonden van de God Israëls, en dat Hij, hoe hoog zij ook waren, boven haar was, en aldus wilde Hij Zijn volk versterken tegen de verzoeking van deze afgoderij, waarvan Hij voorzag dat zij er neiging toe zouden hebben Deuteronomium 4:19 en waarmee zij zich in weerwil hiervan toch later verdorven hebben.
Ten vierde. Naar het gevoelen van de geleerden bisschop Pierson betekende dit wonder, dat in latere dagen, toen het licht van de wereld neigde naar een nacht van duisternis, de Zon van de gerechtigheid onze Jozua, zou opgaan, Maleachi 4:2, de naderende nacht tegenhoudende, en het ware Licht zijnde. En laat mij hier nu bijvoegen dat, toen Christus aan het kruis onze geestelijke vijanden overwonnen heeft, het wonder, gewrocht aan de zon, het tegenovergestelde was van dat wonder, toen werd zij verduisterd, alsof zij op het uur van de middag zou ondergaan, want Christus had het licht van de zon niet nodig om Zijn overwinningen voort te zetten, toen zette Hij duisternis rondom zich als tenten.
Eindelijk. Het doen stilstaan van zon en maan in deze dag des strijds was een voorbeeld en afschaduwing van het verkeren van de zon in duisternis en van de maan in bloed in de laatsten, groten en vreeslijken dag des Heeren.