Jozua 10:1-6
Jozua en het leger Israëls waren nu al geruime tijd in het land Kanaän, en er waren nog geen grote dingen geschied, zij waren meesters van Jericho geworden door een wonder, van Ai door een krijgslist, van Gibeon door overgave, en dat was alles, tot hiertoe scheen de voortgang van hun overwinningen niet evenredig aan de pracht van hun binnenkomen in het land en de heerlijkheid van hun begin. Waarschijnlijk hebben diegenen onder hen, die ongeduldig waren geworden onder die vertraging, geklaagd over Jozua's langzaamheid, en gevraagd waarom zij niet terstond doordrongen tot het hart van het land, voor de vijand zich kon herstellen, zijn krijgsmacht kon verzamelen om hun het hoofd te bieden, waarom zij daar stonden te beuzelen, terwijl zij toch zo vast overtuigd waren beide van hun recht op het land en van het welslagen van hun onderneming. Zo werd Jozua's voorzichtigheid misschien gelaakt als traagheid, lafhartigheid, vreesachtigheid. Maar:
1. Kanaän moest niet in een dag veroverd worden. God had gezegd dat Hij de Kanaänieten allengskens van hun aangezicht zou uitstoten, Exodus 23:30. Hij, die gelooft, zal niet haasten of tot de slotsom komen, dat de belofte nooit vervuld zal worden, omdat zij niet zo spoedig vervuld is als wij verwacht hebben.
2. Jozua wachtte totdat de Kanaänieten de aanvallers zouden zijn, laat hen eerst op Israël, of op de bondgenoten van Israël, een aanval doen, en dan zal hun verdelging des te meer blijken een daad van rechtvaardigheid te zijn voor welke Israël zich ten volle kan verantwoorden. Jozua had een genoegzame volmacht om hen aan te vallen, toch wacht hij totdat zij de eersten slag slaan, opdat hij zou bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen voor de Heere, maar ook voor de mensen, en zij zoveel te minder te verontschuldigen zouden zijn in hun weerstand, nu zij gezien hebben welke gunst de Gibeonieten van Israël ten deel viel.
3. Het was nuttig en voordelig voor Israël om voor een poos stil te zitten, opdat de krijgsmachten van deze kleine koningen zich zouden verenigen, om dus te gemakkelijker met een slag tenonder gebracht te worden. Dit heeft God op het oog gehad, toen Hij het hun in het hart gaf om zich tegen Israël te verenigen. Hun bedoeling was elkaar te versterken, maar zijn bedoeling was hen te vergaderen als schoven tot de dorsvloer, Micha 4:12. Zo blijkt dikwijls de schijnbare paradox goede raad te zijn: "Wacht even, en wij zullen zoveel spoediger klaar zijn."
Nadat Israël een poos gewacht had op een gelegenheid om strijd te voeren tegen de Kanaänieten, doet die gelegenheid zich voor.
I. Vijf koningen verbinden zich tezamen tegen de Gibeonieten. Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem was de bewerker en aanvoerder van dit verbond. Hij had een mooie naam: hij betekent "heer van de gerechtigheid," en hij was misschien een afstammeling van Melchizedek, "koning van de gerechtigheid, " maar niettegenstaande het goede van zijn naam en geslacht, schijnt hij toch een slecht man te zijn geweest en een onverzoenlijk vijand van de nakomelingen van die Abraham, van wie zijn voorganger zo'n trouw vriend is geweest. Hij riep zijn naburen op om zich met hem te verenigen tegen Israël, hetzij omdat hij de aanzienlijkste was, en de voorrang had onder deze koningen, misschien waren zij op de een of andere wijze van hem afhankelijk. Zij hebben hem tenminste geëerd als de machtigste en werkzaamste man onder hen, of omdat hij het eerst en het meest het gevaar bespeurde, waarin zijn land verkeerde, niet alleen door de verovering van Jericho en Ai, maar door de onderwerping van Gibeon, die hem het meest verschrikt schijnt te hebben, daar het een van de aanzienlijkste grenssteden was, die zij hadden. Daarom moet geheel de krijgsmacht, die hij op de been kon brengen tegen Gibeon gericht worden. Komt op tot mij, zegt hij, en helpt mij, dat wij Gibeon slaan. Dit besluit hij te doen, hetzij:
1. Uit staatkunde, om de stad te hernemen omdat het een sterke stad was, en het voor zijn land van groot gewicht en betekenis was in wiens handen zij was, of:
2. In toorn, om de burgers te kastijden wijl zij vrede gesloten hadden met Jozua, voorgevende dat zij hun land hadden verraden en de gezamenlijke vijand hadden versterkt, terwijl zij in werkelijkheid de grootste weldaad aan hun land hadden bewezen, door hun een goed voorbeeld te geven, zo zij het slechts wilden volgen. Zo voeren Satan en zijn werktuigen strijd tegen hen, die vrede hebben gesloten met God. "Verwondert u niet, zo u de wereld haat" en diegenen als deserteurs behandelt, die zich tot Christus hebben bekeerd.
II. De Gibeonieten zenden bericht aan Jozua van het gevaar, waarin zij verkeren, vers 6. Nu verwachten zij nut en voordeel te hebben van het verbond, dat zij met Israël gesloten hebben, omdat het wel door bedrog was verkregen, maar toch later, toen de waarheid aan het licht kwam, bevestigd werd. Zij achten dat Jozua verplicht is hen te helpen.
1. In gemoede, omdat zij zijn dienstknechten zijn, niet bij wijze van kompliment, zoals zij zich zijn dienstknechten hebben genoemd in hun eerste verzoek aan hem. Hoofdstuk 9:8 :"Wij zijn uw knechten," maar in werkelijkheid tot knechten gemaakt van de vergadering, en het is de plicht van meesters om ook voor de armste en geringste van hun dienstknechten zorg te dragen, hen niet verongelijkt te zien als het in hun macht is hun recht te verschaffen. Zij, die hulde en trouw beloven en bewijzen, hebben recht bescherming te verwachten. Zo pleit David bij God: "Ik ben Uwe, behoud mij", Psalm 119:94, en dat kunnen ook wij indien wij in waarheid Zijner zijn.
2. Omdat zijn eer er in gemoeid was, want de grond van de twist van hun vijanden met hen was de eerbied die zij aan Israël hadden betoond, en het vertrouwen, dat zij hadden in een verbond met hen. Jozua kan niet weigeren hen te helpen, als zij om hun genegenheid voor hem, en om de naam van zijn God, worden aangevallen. David acht het een goede pleitgrond te zijn bij God: "Om Uwentwil draag ik versmaadheid," Psalm 69:8. Als onze geestelijke vijanden zich in slagorde tegen ons stellen, en dreigen ons te verslinden, zo laat ons door geloof en gebed ons wenden tot Christus, onze Jozua, om kracht en hulp van Hem te verkrijgen, zoals Paulus gedaan heeft, en dan zullen wij hetzelfde antwoord des vredes ontvangen "Mijne genade is u genoeg", 2 Corinthiers 12:8,9.