Hebreeën 6:9-20
De apostel, na zich beroepen te hebben op de vrees der Hebreeën, ten einde hun waakzaamheid op te wekken en hen te bewaren voor afval, gaat nu voort zich te beroepen op hun hoop, en verklaart openlijk de goede hoop, die hij ten hunnen aanzien koestert, dat zij wel zullen volharden, en stelt hun de grote aanmoediging voor, die zij hebben in den weg van hun plicht.
I. Hij verklaart rond en open de goede verwachting, die hij van hen heeft, dat zij zullen volharden tot het einde. Maar, geliefden, wij verzekeren ons van u betere dingen, vers 8, 9. Merk hier op:
1. Er zijn dingen, die met de zaligheid gevoegd zijn, dingen, die nooit van de zaligheid gescheiden zijn, dingen, die bewijzen dat iemand in den staat van zaligheid is en eeuwig blijven zal.
2. De dingen, die met de zaligheid gevoegd zijn, zijn beter dan die, waarin ooit een huichelaar of afvallige zich verheugen kan. Zij zijn beter in hun aard en in hun uitwerking.
3. Het is onze plicht het beste te hopen van allen, van wie het tegendeel niet bewezen is.
4. Dienaren moeten soms waarschuwend spreken tot hen, van wier zaligheid zij goede hoop hebben. En zij, die in zich zelven goede hoop voor hun eeuwige zaligheid hebben, moeten desniettemin ernstig in aanmerking nemen hoe vreeslijk de teleurstelling zou zijn, indien zij bleken afvallig te worden. Zij moeten hun eigen zaligheid werken met vreze en beven.
II. Hij stelt hun beweegredenen en aanmoedigingen voor om in den weg van hun plicht te blijven.
1. God heeft in hen gewrocht een beginsel van heilige liefde en liefdadigheid, dat naar buiten is getreden in daarmee overeenkomende werken, die God niet vergeten zal. God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk vergeten zou, vers 10. Goede werken, voortkomende uit liefde tot God, zijn aanbevelingen, en al wat in den naam van God aan iemand gedaan is, zal niet onvergolden blijven. Wat aan de heiligen als zodanig gedaan wordt, rekent God als aan Hem zelven gedaan.
2. Zij, die een genadige beloning voor hun werk der liefde verwachten, moeten daarmee voortgaan zolang zij er kracht en gelegenheid toe hebben. Gij hebt de heiligen gediend, en dient hen nog, en wij begeren dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze.
3. Zij, die volharden in een ijverige vervulling van hun plicht, zullen de volle verzekerdheid der hoop tot het einde toe verkrijgen.
A. De volle verzekerdheid is een hogere trap van hoop, is volle zekerheid van de hoop, het verschil is niet in den aard, maar in den graad.
B. Volle verzekerdheid wordt verkregen door volharding en groten ijver tot het einde.
III. Hij gaat nu voort tot het geven van waarschuwing en raad hoe deze volle verzekerdheid der hope tot het einde verkregen wordt. 1. Zij mogen niet traag zijn. Traagheid bekleedt een mens met lompen, zij mogen hun gemak niet liefhebben, hun gelegenheden niet laten verloren gaan.
2. Zij moeten de goede voorbeelden navolgen van hen, die hun voorgegaan zijn. Hier leren wij:
A. Er zijn er sommigen, van wie wij zekerheid hebben dat zij de belofte beërfd hebben. Zij geloofden die vroeger en beërven haar nu: zij zijn behouden in den hemel.
B. De weg, waardoor zij tot die erfenis kwamen, was geloof en lankmoedigheid. Die deugden werden in hun zielen geplant, en door hun leven in beoefening en tot daden gebracht. Indien wij ooit verwachten te zullen beërven gelijk zij deden, dan moeten wij hen navolgen in den weg van geloof en lankmoedigheid, en die hen daarin navolgen, zullen te zijner tijd deelgenoten worden van dezelfde zegeningen.
IV. De apostel besluit het hoofdstuk met een duidelijk en volledig overzicht van de beloften Gods, vers 13 en verder. Zij zijn alle bevestigd door een eed van God, en alle gegrond in Zijn eeuwigen raad, en daarom kunnen wij er vast op rekenen.
1. Zij zijn alle bevestigd door den eed van God. Hij heeft Zijn volk niet alleen Zijn woord, Zijn hand en Zijn zegel gegeven, maar Zijn eed. En hier bedoelt hij den eed van God aan Abraham, welke, als gezworen zijnde aan den vader der gelovigen, van volle kracht en waarde blijft voor alle gelovigen. Want als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand die meerder was had te zweren, zo zwoer Hij bij zich zelven.
A. De belofte was: Zeker: zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. De zegen van God is de zegen over Zijn volk, en hen, die Hij gezegend heeft, zal Hij zeker voortgaan te zegenen, Hij zal hun zegeningen vermenigvuldigen, tot den volmaakten zegen toe.
B. De eed, waardoor de belofte bevestigd werd. Hij zwoer bij zich zelven. Hij verbond Zijn eigen gezegend wezen er toe, geen groter zegen kan gegeven of verlangd worden.
C. De eed werd vervuld. Abraham verkreeg de belofte op den bepaalden tijd. Het werd hem rijkelijk vergolden, dat hij lankmoedig verwacht had.
a. Er is een tussenruimte-en soms een lange-tussen de belofte en de vervulling.
b. Die tussenruimte is de tijd van beproeving voor de gelovigen, om te zien of zij tot den einde lankmoedig blijven.
c. Zij, die lankmoedig verwachten, zullen zeker de beloofde zegening verkrijgen, even zeker als Abraham.
d. Het doel van een eed is de belofte te verzekeren, en hen, aan wie hij gedaan wordt, aan te moedigen om met lankmoedigheid den tijd der vervulling af te wachten, vers 16. Een eed van de mensen strekt ter bevestiging en is een einde van alle tegenspreken. Dat is de betekenis en bedoeling van een eed, waarin de mensen zweren bij een meerderen, niet bij schepselen, maar bij den Heere zelven, en het dient om een einde te maken aan alle verschil over het onderwerp, aan alle verschil met eigen inzichten, twijfelingen en wantrouwen, en aan alle verschillen met anderen, met name met hem die beloofd heeft. Welnu, als God zich zo diep neerbuigen wilde om aan Zijn volk een eed af te leggen, dan zal Hij zich betekenis en doel daarvan zeker herinneren.
2. De beloften van God zijn alle gegrond in Zijn eeuwigen raad, en die raad is een onveranderlijke raad.
A. De belofte van zegening aan de gelovigen is niet een ras en haastig woord, maar het gevolg van Gods eeuwig voornemen.
B. Dit voornemen van God stemde met Zijn raad overeen en werd gemaakt tussen den eeuwigen Vader, Zoon en Geest.
C. Deze raadsbesluiten van God kunnen nooit veranderd worden, zij zijn onveranderlijk. God behoeft Zijn besluiten nooit te veranderen, want Hem, die aan het begin het einde ziet, kan niets nieuws voorkomen.
3. Met gerustheid kan staat gemaakt worden op de beloften Gods, die gegrond zijn in die onveranderlijke raadsbesluiten Gods en bevestigd door Gods eed, want hier hebben wij twee onveranderlijke dingen, den raad en den eed van God, waarin het onmogelijk is dat God liegen zou, tegen Zijn natuur evenals tegen Zijn wil. Merk op:
A. Wie zijn zij, aan wie God zo volle verzekering van gelukzaligheid gegeven heeft.
a. Zij zijn de erfgenamen der belofte, zulke die door erfenis een recht op de beloften verkregen hebben, uit kracht van hun wedergeboorte en vereniging met Christus. Van nature zijn wij allen kinderen des toorns. De vloek is de erfenis, waartoe wij geboren zijn, alleen door een nieuwe en hemelse geboorte wordt iemand geboren tot erfgenaam der belofte.
b. Dat zijn zij, die hun toevlucht genomen hebben tot de voorgestelde hoop. Onder de wet waren steden van toevlucht, vrijsteden, aangewezen voor hen, die door den bloedwreker vervolgd werden. Hier is een betere toevlucht bereid door het Evangelie, een toevlucht voor alle zondaren, die begeerte hebben er heen te vlieden, ja, al waren zij ook de voornaamsten der zondaren.
B. Wat Gods bedoeling jegens hen is, door hun zulke zekerheid te geven. Dat zij een sterke vertroosting hebben zouden.
a. God is bedacht op de vertroosting der gelovigen, zowel als op hun heiligmaking, Hij wil dat Zijne kinderen wandelen in de vreze des Heeren en in de vertroostingen des Heiligen Geestes.
b. De vertroostingen Gods zijn sterk genoeg om Zijn volk staande te houden in hun zwaarste beproevingen. De vertroostingen der wereld zijn te zwak om de ziel te dragen onder verzoekingen, vervolgingen en dood: maar de vertroostingen des Heeren zijn nooit weinig of klein. C. Welk gebruik Gods volk maken moet van zijn hoop en vertroosting, die verfrissende en vertroostende hoop van eeuwigen zegen, die God hun gegeven heeft. Die is en moet hun zijn een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, enz., vers 19.
a. Wij zijn in deze wereld als een schip in zee, blootgesteld aan op en neer geworpen en in gevaar van in den afgrond gestoten te worden. Onze zielen zijn de schepen. De troost, verwachting, genade en gelukzaligheid onzer zielen zijn de kostbare lading, waarmee deze schepen bevracht zijn. De hemel is de haven, waarheen wij zeilen. De verzoekingen, vervolgingen en droefenissen, die ons overkomen, zijn de winden en baren, die ons met schipbreuk bedreigen.
b. Wij hebben behoefte aan een anker, dat zeker en vast is, anders zijn wij in onophoudelijk gevaar.
c. De hoop des Evangelies is ons anker, gelijk zij in den dag des strijds onze helm is, zo is zij op de stormachtige doorvaart door de wereld ons anker.
d. Het is zeker en vast, anders zou het ons niet kunnen houden.
Ten eerste. Het is zeker in zichzelf, want het is het eigen werk Gods in onze ziel. Het is een goede hoop door genade, het is geen fladderende hoop gemaakt uit spinnenwebben, maar het is het eigen werk van God, een zeer sterk en deugdelijk ding.
Ten tweede. Het is vast in zijn voorwerp, het is een anker, dat goede houvast gevonden heeft, het gaat in achter het voorhangsel, het vat in een rots, de Rots der eeuwen. Het zoekt geen steun in het zand, maar gaat in achter het voorhangsel, en hecht zich daar aan Christus, Hij is het voorwerp en de ankergrond van de hoop der gelovigen. De gelovige hoopt op een ongeziene heerlijkheid achter het voorhangsel, en zo is een ongeziene Jezus achter dat voorhangsel de grond zijner hoop. De vrije genade Gods, de verdiensten en het Middelaarschap van Christus, en de krachtige werkingen des Geestes zijn de gronden voor zijne hoop, en daardoor is het een vaste hoop. Jezus Christus is de grond van der gelovigen hoop in verscheidene opzichten..
1. Hij is ingegaan achter het voorhangsel, om met God te handelen krachtens de offerande, welke Hij voor het voorhangsel bracht, de hoop hecht zich aan Zijn offerande en voorspraak.
2. Hij is de voorloper van Zijn volk, achter het voorhangsel gegaan om plaats voor hen te bereiden en hun te verzekeren dat zij Hem volgen zullen, Hij is de eersteling en het onderpand der gelovigen, zowel in Zijne opstanding als in Zijne hemelvaart.
3. En Hij vertoeft daar, een Hogepriester naar de ordening van Melchizedek, een priester voor eeuwig, wiens priesterschap nooit zal eindigen, nooit ontbreken, tot Hij Zijn gehele werk en voornemen vervuld heeft, dat is de volkomen gelukzaligheid van allen, die in Christus geloofd hebben. Dit moet ons aansporen om ons aandeel aan Christus vast te maken, opdat wij onze hoop op Hem mogen vestigen als onzen Voorloper, die ingegaan is voor ons, voor onze zaken, voor onze veiligheid, om voor onze hoogste belangen te waken. Laat ons daarom den hemel des te meer liefhebben, en er naar verlangen daar met Hem te zijn, waar wij voor eeuwig zalig en voldaan zullen zijn.