Johannes 4:4-26
Wij hebben hier een bericht van het goed, dat Christus in Samaria gedaan heeft, toen Hij door die landstreek ging om in Galilea te komen. Zowel van afkomst als van Godsdienst waren de Samaritanen bastaard-Joden, de nakomelingen van de kolonisten, die de Assyrische koning er heenzond na de gevankelijke wegvoering der tien stammen, en die zich met de armen, die in het land waren achtergelaten, en later ook nog met vele andere Joden, vermengden. Zij aanbaden alleen den Gods Israël's, voor wie zij een tempel oprichtten op den berg Gerizim, in mededinging met dien te Jeruzalem. Er heerste grote vijandschap tussen hen en de Joden, de Samaritanen wilden Christus niet in hun stad toelaten, toen zij zagen, dat Hij naar Jeruzalem reisde, Lukas 9:53. De Joden dachten, dat zij Hem met geen slechter naam konden noemen dan door te zeggen: Hij is een Samaritaan. Toen de Joden voorspoed hadden, maakten de Samaritanen aanspraak op bloedverwantschap met hen, Ezra 4:2, maar als de Joden in druk of benauwdheid waren, dan waren zij Meden en Perzen, zie Josephus, Antiq. lib. XI. cap, 8, lib. XII. cap. 7. Merk nu op:
I. Christus, komst in Samaria. Hij heeft Zijnen discipelen bevolen, dat zij niet moesten ingaan in enige stad der Samaritanen, Mattheus 10:5, dat is: er het Evangelie niet moesten prediken, of wonderen doen. Ook Hij heeft er niet openlijk gepredikt of er een wonder gedaan, Zijn oog was op de verloren schapen van het huis Israël's. Als Hij hier ene vriendelijkheid deed, dan was dit als het ware toevallig, slechts een kruimke van het brood der kinderen, dat nu en dan eens van des Meesters tafel viel.
1. Zijn weg van Judea naar Galilea liep door Samaria, vers 4. Hij moest door Samaria gaan. Er was geen andere weg, of Hij had aan de overzijde der Jordaan moeten gaan, hetgeen een lange omweg zou geweest zijn. De Goddelozen en onheiligen zijn thans zo vermengd met Gods Israël, dat wij, tenzij wij uit de wereld gaan, niet kunnen vermijden om door der zodanige gezelschap heen te gaan, 1 Corinthiërs 5:10. Daarom hebben wij aan onze rechterhand en onze linkerhand de wapenrusting der gerechtigheid nodig, opdat wij noch hun aanstoot geven, noch door hen besmet worden. Wij behoren in gene plaatsen van verzoeking te gaan, tenzij wij er moeten heengaan, en dan nog behoren wij er niet te wonen, maar er ons door heen te spoeden. Sommigen denken, dat Christus door Samaria moest gaan vanwege het goede werk, dat Hij er te doen had, een arme vrouw moest er bekeerd worden, een verloren schaap worden gezocht en gevonden. Dat was werk naar Zijn hart, en daarom moest Hij door dezen weg gaan. Het was gelukkig voor Samaria, dat het op Christus' weg lag, dat Hem de gelegenheid gaf hen te bezoeken. Als Ik bij u voorbijging, zei Ik tot u: Leef, Ezechiël 16:6.
2. Zijne pleisterplaats was dan nu in ene stad van Samaria.
a. Die plaats wordt beschreven. Zij wordt Sichar genoemd, waarschijnlijk hetzelfde als Sichem, ene plaats, waarvan wij dikwijls lezen in het Oude Testament. Zo worden in het verloop der tijden de namen van plaatsen dikwijls verbasterd. Sichem leverde den eersten proseliet op, die ooit tot de kerk van Israël is gekomen, Genesis 34:24, en nu is het de eerste plaats, waar het Evangelie buiten de gemeenschap van Israël werd gepredikt, zoals Dr. Lightfoot opmerkt, evenals ook, dat het dal Achor, hetwelk tot ene deur der hope was gegeven, hope voor de arme heidenen, voorbij deze stad liep, Hosea 2:14. Abimelech werd hier tot koning gemaakt, het was ook de residentie van Jerobeam. Maar als de evangelist ons aan de oudheden der plaats wil herinneren, wijst hij op Jakob's invloed aldaar, die er hoger ere aan gaf dan zij van de gekroonde hoofden ontving. Hier lag Jakob's grond, het stuk lands, dat hij aan zijn zoon Jozef gaf, wiens gebeente er begraven werd, Genesis 48:22, Jozua 24:32. Dit wordt waarschijnlijk vermeld om aan te duiden, dat Christus, toen Hij daar dichtbij uitrustte, naar aanleiding van het stuk lands dat Jakob aan Jozef gaf, nadacht over het getuigenis, dat de ouden door het geloof hebben bekomen. Hiëronymus wilde in het Heilige land wonen, opdat het gezicht dier plaatsen hem te meer aan de Bijbelse verhalen zou herinneren. Hier was Jakob's put, dien hij groef, of ten minste voor zich en zijn gezin gebruikte. Wij vinden van dezen put geen melding gemaakt in het Oude Testament, maar de overlevering noemde hem Jakob's fontein.
b. De houding van onzen Heere Jezus aan deze plaats: vermoeid zijnde van de reize, zat Hij alzo neer nevens de fontein. Wij zien hier onzen Heere Jezus: Lijdende onder de gewone vermoeidheid van reizigers.
Hij was vermoeid van Zijne reize. Hoewel het nog slechts de zesde ure was en Hij nog slechts een halve dagreis volbracht had, was Hij toch moede, of, omdat het de zesde ure was, de tijd van de hitte des daags, was Hij moede. Hier zien wij: Ten eerste, dat Hij waarlijk mens was, onderworpen aan de gewone zwakheden der menselijke natuur. Met de zonde is zware arbeid en vermoeienis in de wereld gekomen, Genesis 3:19, en daarom heeft Christus, een vloek voor ons geworden zijnde, er zich aan onderworpen. Ten tweede. Dat Hij een arm man was, want anders zou Hij te paard of in een wagen hebben gereisd. Tot deze geringheid heeft Hij zich voor ons vernederd, dat Hij al Zijne reizen te voet heeft afgelegd. Toen knechten te paard waren, gingen vorsten als knechten op de aarde, Prediker 10:7. Als het ons gemakkelijk wordt gemaakt, zo laat ons denken aan de vermoeienissen van onzen Meester. Hij schijnt geen sterk man geweest te zijn, geen sterk lichaamsgestel te hebben gehad. Zijne discipelen schenen toen niet vermoeid te zijn geweest, want zij gingen zonder bezwaar in de stad, terwijl hun Meester neerzat en geen stap verder kon. Het fijnste lichaamsgestel is het meest vatbaar voor vermoeienis, en kan die het slechtst verdragen. Wij zien Hem hier de toevlucht nemen tot het gewone gerief van reizigers: Vermoeid zijnde, zat Hij neer nevens de fontein. Hij zat daar op een ongeriefelijke plaats, koud en hard. Hij had geen rustbank om zich op neer te vlijen, geen gemakkelijken stoel om eens in uit te rusten, maar nam voor lief wat te krijgen was, om ons te leren niet kieskeurig of veeleisend te zijn voor de geriefelijkheden van dit leven, maar ons met het geringe, het nederige te vergenoegen. Aldus zat Hij neer in ongemakkelijke houding zoals vermoeide reizigers plegen neer te zitten, die te afgemat zijn om nog voor gemak en geriefelijkheid te zorgen.
II. Zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw, dat hier uitvoerig wordt meegedeeld, terwijl Christus' redetwist met de leraren, en Zijn gesprek met Mozes en Elias op den berg in stilzwijgen worden begraven. Dit gesprek kan onder vier hoofden gebracht worden.
1. Zij spreken over het water, vers 7-15.
a. Er wordt nota genomen van de omstandigheden, die aanleiding gaven tot dat gesprek. Er komt ene vrouw uit Samaria om water te putten. Hierdoor wordt hare armoede aangeduid, zij had gene dienstmaagd om het water te putten, en hare naarstigheid: zij wilde het zelf doen. Zie hier: Ten eerste. Hoe eerlijke, nederige arbeid en vlijt door God werd erkend en goedgekeurd. Christus werd aan de herders bekend gemaakt, toen zij nachtwake hielden bij hun kudde. Ten tweede. Hoe door Gods voorzienigheid heerlijke doeleinden tot stand worden gebracht door voorvallen, die slechts toevallig schijnen plaats te hebben. De ontmoeting dezer vrouw met Christus aan de fontein kan ons herinneren aan de geschiedenis van Rebekka, Rachel en de dochter van Jethro, die allen met haar toekomstigen echtgenoot kennis maakten, in aanraking werden gebracht met geen minderen dan Izaak, Jakob en Mozes, toen zij naar de fontein gingen om water te putten. Ten derde, hoe de voorkomende genade Gods de mensen soms onverwacht onder de middelen der bekering brengt. Hij wordt gevonden van hen, die Hem niet zochten. Zijne discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden spijze kopen. Hieruit valt te leren, Ten eerste. Ene les van rechtvaardigheid en eerlijkheid. De spijze, die Christus at, werd door Hem gekocht en betaald, zoals ook Paulus gedaan heeft, 2 Thessalonicenzen 3:8. Ten tweede, van dagelijkse afhankelijkheid van Gods voorzienigheid: Zorg niet voor den dag van morgen. Christus ging niet in de stad om te eten, maar zond Zijne discipelen om Zijne spijze te halen, niet omdat Hij gewetensbezwaar had om in een Samaritaanse stad te eten, maar:
1. Omdat Hij aan die fontein een goed werk te doen had, dat gedaan kon worden, terwijl zij op provisie uit waren. Het is verstandig om de ledige ogenblikken voor iets goeds te gebruiken, opdat ook van den tijd geen deel verloren ga. Terwijl voor Petrus het middagmaal bereid werd, viel hij in een vertrekking van zinnenHand. 10:10.
2. Omdat het stiller en meer in afzondering, goedkoper en eenvoudiger was om Zijn middagmaal naar die plek te laten brengen, dan om er naar de stad voor te gaan. Wellicht was Zijn beurs schraal voorzien, en wilde Hij ons overleg en spaarzaamheid leren, uit te geven naar hetgeen wij hebben, en niet boven hetgeen wij hebben. Hij heeft ons ten minste willen leren niet naar grote dingen te staan. Christus kon Zijn middagmaal even goed aan de fontein nuttigen, als in de beste herberg der stad. Laat ons ons gedragen naar de omstandigheden. Dit gaf nu aan Christus de gelegenheid om met deze vrouw over geestelijke belangen te spreken, en Hij maakte er gebruik van. Hij heeft dikwijls gepredikt voor grote scharen, die Hem volgden om door Hem onderwezen te worden, hier verwaardigt Hij zich om een enkel persoon, ene vrouw, te onderwijzen, een arme vrouw, een vreemdelinge, een Samaritaanse, ten einde Zijne dienstknechten te leren hetzelfde te doen, als die weten welk een heerlijke zaak het is, om, al is het ook een enkele ziel, te helpen redden van den dood.
b. Laat ons nu de bijzonderheden nagaan van dat gesprek. Jezus begint met een bescheiden verzoek om een teuge waters: Geef Mij te drinken. Hij, die om onzentwil arm is geworden, wordt hier een bedelaar, opdat zij, die gebrek hebben en niet instaat zijn te graven, zich niet zullen schamen te bedelen. Christus vroeg er om, niet slechts omdat Hij het nodig had, en hare hulp nodig had om er aan te komen, maar omdat Hij een gesprek met haar wilde aanknopen, en ons te leren om ook aan de geringsten iets verplicht te willen zijn, als de nood het vereist. In Zijn arme leden vraagt, bedelt, Christus nu nog, en een beker koud waters, gelijk deze hier, in Zijn naam aan hen gegeven, zal zijn loon geenszins verliezen. Hoewel de vrouw Zijne bede niet afwijst, maakt zij er toch aanmerking op, dat Hij niet naar den aard en de gezindheid Zijns volks handelt, vers 9. Hoe begeert gij? Merk op, ten eerste. Welk een dodelijke vijandschap er heerste tussen de Joden en Samaritanen. De Joden houden gene gemeenschap met de Samaritanen. De Samaritanen waren de wederpartijders van Juda, Ezra 4:1, waren immer kwaadwillig jegens hen. De Joden waren zeer boosaardig gezind jegens de Samaritanen. "Zij zagen op hen als geen deel hebbende aan de opstanding, deden hen in den ban en vloekten hen in den heiligen naam van God, het heilig en hoogheerlijk wetboek, en met den vloek van het hoger en lager gericht, en stelden als wet, dat geen Israëliet van iets zal eten, dat van een Samaritaan is, want het zou zijn alsof hij zwijnenvlees at". Aldus Dr. Lighfoot naar Rabbi Tanchum. Godsdienstwisten zijn gewoonlijk van alle twisten de onverzoenlijkste. De mensen zijn geschapen om met elkaar om te gaan, maar als de mensen, omdat de een aanbidt in een tempel, en de ander in een anderen, den dienst der menselijkheid weigeren, gene liefde beoefenen, de gewone beleefdheid niet eens in acht nemen, gemelijk en onnatuurlijk willen wezen, minachtend en bedilziek, en dat wel onder schijn van ijver voor den Godsdienst, dan tonen zij duidelijk, dat, hoe waar hun Godsdienst ook zijn moge, zij niet waarlijk Godsdienstig zijn, maar onder voorgeven van ijver voor den Godsdienst, het doel van den Godsdienst voorbijzien. Ten tweede. Hoe gans bereid de vrouw was om Christus den hoogmoed en de kwaadwilligheid van het Joodse volk te verwijten. Hoe begeert gij, die een Jood zijt, van mij te drinken? Aan Zijn gewaad, of Zijn dialect, of wel aan beiden, herkende zij Hem als Jood, en zij vindt het vreemd, dat Hij niet in hetzelfde uiterste van afkeer van de Samaritanen vervalt, als de andere Joden. Aan alle zijden worden gematigde mannen, zoals Jozua en zijne vrienden, als een wonderteken beschouwd, Zacheria 3:8. Deze vrouw verwondert zich over twee dingen:
1. Dat Hij om deze vriendelijkheid vroeg, want de hoogmoed der Joden bracht hen er toe om liever alle ontberingen te verduren, dan iets aan een Samaritaan te danken te hebben. Het maakte een deel uit van Christus' vernedering, dat Hij uit de Joodse natie was geboren, die zich nu niet alleen in een slechten toestand bevond, onderworpen zijnde aan de Romeinen, maar ook een slechten naam had onder de volken. Met welk ene minachting vroeg Pilatus: Ben ik een Jood? Aldus heeft Hij zich niet slechts vernietigd, maar ook in den smaad en de verguizing Zijns volks willen delen, maar hierin heeft Hij ons een voorbeeld gegeven van tegen den stroom van het algemene bederf in te gaan. Evenals onze Meester moeten wij goedheid en vriendelijkheid bewijzen, al is ook de aard van ons land en de gezindheid onzer partij streng en ontoegevend, of afstotend. Deze vrouw verwachtte, dat Christus als andere Joden zou zijn, maar het is onrechtvaardig om aan ieder afzonderlijk persoon de fouten en gebreken van zijn volk toe te schrijven: er is geen regel zonder uitzondering.
2. Zij verwondert er zich over, dat Hij die vriendelijkheid verwachtte van haar, die een
Samaritaanse was. "Gij Joden zoudt het aan iemand uit ons volk weigeren, waarom zouden wij het dan aan iemand van uw volk toestaan? Aldus worden twist en haat eindeloos voortgeplant door wraak en wederwraak. Christus gebruikt deze gelegenheid om haar in Goddelijke dingen te onderwijzen: Indien gij de gave Gods kende, en wie Hij is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, vers 10. Merk op: Ten eerste. Hij gaat niet in op hare tegenwerping omtrent de vijandschap tussen de Joden en de Samaritanen. Sommige geschillen worden het best uit den weg geruimd door er geen acht op te slaan, en alle gelegenheid te mijden om er in woordenwisseling over te komen. Christus wil deze vrouw bekeren, niet door haar te tonen, dat de Samaritaanse Godsverering uit scheurmakerij voortkwam (hoewel dit werkelijk zo was) maar door haar op haar eigen onwetendheid en zedeloosheid te wijzen, en op hare behoefte aan een Zaligmaker.
Ten tweede. Hij doet haar begrijpen, dat zij thans de gelegenheid had (een veel betere gelegenheid dan zij wel dacht) om datgene te verkrijgen, wat haar tot onuitsprekelijk nut en voordeel zou wezen. Zij bezat de middelen niet, die de Joden hadden, om de tekenen der tijden te onderscheiden, en daarom zegt Christus haar uitdrukkelijk, dat er nu een tijd van genade voor haar was, dit was de tijd harer bezoeking.
A. Hij geeft haar te verstaan wat zij moest weten, maar waaraan zij onkundig was. "Indien gij de gave Gods kende," dat is, gelijk de volgende woorden het verklaren: "wie Hij is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken. Indien gij wist wie Ik ben." Zij zag, dat Hij een Jood was, een arme, vermoeide reiziger, maar Hij wilde, dat zij nog iets m eer zou weten van Hem, dan wat Hij haar toescheen. Jezus Christus is de Gave Gods, het rijkste teken van Gods liefde voor ons, en de kostelijkste schat van alle goed voor ons, ene gave, niet ene schuld, wier betaling wij van God konden eisen, niet ene lening, die Hij van ons terug zal vragen, maar ene gave, een vrije gave, Hoofdstuk 3:16. Het is een onuitsprekelijk voorrecht dat ons die gave Gods voorgesteld en aangeboden wordt, en dat wij instaat worden gesteld haar aan te nemen. "Hij, die de Gave Gods is, wordt u thans voorgesteld, Hij is het, die tot u spreekt en zegt: Geef Mij te drinken, deze Gave komt bedelende tot u." Hoewel Christus ons voorgesteld wordt en ons in en door Zijn Evangelie tot zich lokt, zijn er toch zeer velen, die Hem niet kennen. Zij weten niet, wie het is, die tot hen spreekt in het Evangelie en zegt: Geef Mij te drinken", zij bemerken niet, dat het de Heere is, die hen roept.
B. Hij hoopt van haar wat zij gedaan zou hebben, indien zij Hem gekend had. Voorzeker zou zij Hem dan niet een zo ruw en onhoffelijk antwoord gegeven hebben, ja, wel verre van Hem te beledigen, zou zij zich met ene bede tot Hem gericht hebben: Gij zoudt van Hem hebben begeerd. Zij, die ene weldaad van Christus willen ontvangen, moeten er Hem om vragen, moeten vurig en dringend zijn in het gebed tot God er om. Zij, die Christus recht kennen, zullen Hem zoeken, en zo wij Hem niet zoeken, is dit een teken, dat wij Hem niet kennen, Psalm 9:11. Christus weet wat zij, aan wie de middelen tot kennis ontbreken, gedaan zouden hebben, indien zij ze gehad hadden, Mattheus 11:21.
C. Hij verzekert haar van hetgeen Hij voor haar gedaan zou hebben, indien zij zich tot Hem had gewend: Hij zou u levend water gegeven hebben (en u gene verwijtingen hebben gedaan, zoals gij aan Mij). Met dit levend water wordt bedoeld de Geest, die niet is gelijk water op den bodem van een put, om een weinig waarvan Hij gevraagd had, maar gelijk levend, of stromend water, dat oneindig kostelijker was. De Geest der genade is als levend water, zie Hoofdstuk 7:38. Onder dit beeld zijn de zegeningen van den Messias beloofd in het Oude Testament, Jesaja 12:3, 35:7, 44:3, 55:1, Zacheria 14:8. De genadegaven des Geestes en Zijne vertroostingen verzadigen de dorstige ziel, die haar eigen natuur en behoefte kent. Jezus Christus kan en wil den Heiligen Geest geven aan hen, die er Hem om bidden, want Hij heeft ontvangen om te geven. De vrouw heeft tegenwerpingen tegen den genaderijken wenk, dien Christus haar geeft en maakt er vittende aanmerkingen op, vers 11, 12. Gij hebt niet om mede te putten, en daarenboven: Zijt gij meerder dan onze vader Jakob? Wat Hij in overdrachtelijken zin had gesproken, vat zij op in letterlijken zin. Dat heeft ook Nicodemus gedaan. Zie hoe verwarde begrippen diegenen hebben van geestelijke zaken, die zo gans en al vervuld zijn van de zichtbare dingen. Zij bewijst wel enige achting voor Zijn persoon, daar zij Hem Heere noemt, maar weinig eerbied voor hetgeen Hij zei, waarmee zij slechts den spot drijft.
Ten eerste. Zij acht Hem niet instaat om haar enigerlei water te bezorgen, niet uit de fontein, waarbij zij zich bevonden: Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep. Dit zei zij, daar zij de macht niet kende van Christus, want Hij, die de dampen doet opklimmen van het einde der aarde, heeft niets van node om mede te putten. Maar er zijn van de zodanige, die Christus voor niets meer willen vertrouwen dan voor zoveel zij zien kunnen, en Zijne belofte niet willen geloven, tenzij de middelen om haar te vervullen zichtbaar zijn: alsof Hij gebonden was aan onze manier van werken, aan onze methodes, en geen water kon putten zonder gebruik te maken van onze emmers. Minachtend vraagt zij: Van waar hebt gij dan het levend water? Ik zie niet, waar gij het vandaan zoudt krijgen. De bronwel van dat levende water, dat Christus heeft voor hen, die tot Hem komen, is verborgen, door geen mensenoog ontdekt. De fontein des levens is in Christus verborgen. Christus heeft genoeg voor ons, hoewel wij niet zien vanwaar Hij het heeft.
Ten tweede. Zij acht het niet mogelijk, dat Hij haar van beter water kon voorzien dan dat, hetwelk zij wèl zich zelve maar Hij haar niet kon verschaffen. Zijt gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft? Wij willen eens veronderstellen, dat de overlevering gegrond is, dat Jakob zelf daaruit gedronken heeft, en zijne kinderen en zijn vee. En dan zien wij hieruit de macht en de voorzienigheid van God, waardoor de waterfonteinen zijn blijven vloeien van geslacht tot geslacht, door middel van den omloop der rivieren, zoals het bloed in het lichaam, Prediker 1:7, en waartoe de eb en vloed der zee misschien ook medewerken, zoals de pulsatie van het hart. Ook blijkt hieruit de eenvoudige levenswijze van den aartsvader Jakob. Zijn drank was water, het water uit dezelfde fontein drenkte hem, zijne kinderen en zijn vee. Maar, toegevend dat dit waar was, heeft zij zich toch in verscheidene opzichten vergist, zoals:
a. als zij Jakob vader noemt. Welk recht hadden de Samaritanen om zich tot het zaad van Jakob te rekenen? Zij stamden af van de gemengde menigte, die de koning van Assyrië in de steden van Samaria had doen wonen: wat hebben zij dan met Jakob van doen? Omdat zij de aanranders waren van Israël's rechten, en de onrechtmatige bezitters waren van Israël's land, waren zij daarom ook de erfgenamen van Israël's bloed en ere? Hoe ongerijmd waren deze aanmatigingen!
b. Zij dwaalt ook, als zij deze fontein Jakob's gift noemt, daar hij haar evenmin gegeven heeft, als Mozes het manna gegeven heeft, Hoofdstuk 6:32. Maar zo zijn wij maar al te zeer geneigd om de brengers van Gods gaven als de gevers er van te beschouwen, en zo sterk te zien op de handen door welke zij heengaan, dat wij de hand vergeten, waaruit zij gekomen zijn. Jakob gaf haar aan zijne zonen, niet aan hen. Aldus maken de vijanden der kerk zich niet slechts wederrechtelijk meester van de voorrechten der kerk, maar behouden ze voor zich alleen.
c. Zij vergiste zich door van Christus te spreken als niet waardig om met onzen vader Jakob te worden vergeleken. Al te veel eerbied voor de oudheid brengt er toe om Gods genade in de Godvruchtigen van onzen tijd gering te achten. Christus beantwoordt deze vitterij en bewijst, dat het levende water, dat Hij kon geven, veel beter was dan het water uit Jakob's put, vers 13, 14. Hoewel zij zo verkeerd sprak, heeft Christus haar niet verstoten, maar haar onderricht en bemoedigd. Hij toont haar: Ten eerste. Dat het water uit Jakob's put slechts tijdelijke voorziening gaf en een voorbijgaand genot schonk: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten. Het is niet beter dan ander water, het zal voor het ogenblik den dorst lessen, maar de dorst zal terugkeren, en binnen weinige uren zal men even grote behoefte hebben aan, en even veel begeerte hebben naar, water als ooit tevoren. Dit duidt aan:
1. De zwakheid van ons lichaam in dezen tegenwoordigen staat, het is en blijft nooddruftig, hunkerend naar de voldoening van zijne behoefte. Het leven is een vuur, ene lamp, die spoedig uit zal gaan, indien er niet voortdurend nieuwe toevoer van brandstof of olie aan gegeven wordt. De natuurlijke hitte verteert zich zelve.
2. De onvolkomenheid van al ons genot en gerief in deze wereld, zij zijn niet duurzaam, en wij vinden er geen blijvende voldoening in. Van welk water der genietingen wij ook drinken, wij zullen wederom dorsten. De spijs en drank van gisteren zullen niet volstaan voor het werk van heden.
Ten tweede. Dat het levende water, hetwelk Hij zou geven, duurzame bevrediging en genot zou schenken, vers 14. De waardij van Christus' gaven komt het sterkst uit, als zij vergeleken worden met de dingen dezer wereld, want dan blijkt het, dat zij niet te vergelijken zijn. Een iegelijk, die deel heeft aan den Geest der genade en de vertroostingen van het eeuwig Evangelie:
A. Zal nimmermeer dorsten, hij zal nooit gebrek hebben aan hetgeen de begeerten zijner ziel overvloedig bevredigt. Hij zal wel verlangen, maar niet verkwijnen. Een verlangende dorst heeft hij, hij verlangt al meer en meer van God, en naar God, maar een vertwijfelende dorst heeft hij niet.
B. Hij zal nimmermeer dorsten, omdat het water, dat Christus geeft, ene fontein van water in hem zal worden. Nooit kan hij tot den uitersten nood van gebrek komen. die in zich zelven ene fontein van steeds nieuwen voorraad en voldoening heeft.
a. Immer bereid, want zij zal in hem wezen. Het beginsel der genade, in hem geplant, is de bron zijner vertroosting, Hoofdstuk 7:38. Een goed man wordt verzadigd van zich zelven, want Christus woont in zijn hart. De zalving blijft in hem, hij behoeft niet heen te sluipen naar de wereld om vertroosting te verkrijgen, het werk en het getuigenis des Geestes in het hart geven hem een vasten grond der hope en een overlopende fontein van blijdschap.
b. Nooit falende, want zij zal in hem worden ene fontein van water. Hij, die slechts een em mer water in zijn bereik heeft, behoeft, zo lang als die duurt, geen dorst te lijden, maar weldra zal die emmer leeg wezen. Maar de gelovigen hebben in zich ene fontein van water, overvloeiende. De beginselen en genegenheden, welke door Christus' heiligen Godsdienst gevormd worden in de ziel van hen, die onder de macht er van gebracht worden, zijn deze fontein van water.
a. Zij is springende, steeds in beweging, waardoor het krachtige wordt aangeduid van de werkingen der genade. Indien goede waarheden stil en onbeweeglijk zijn in onze ziel, evenals stilstaand water, dan beantwoorden zij niet aan het doel, waartoe wij ze ontvangen hebben. Indien er een goede schat is in het hart, dan moeten wij daaruit goede dingen voortbrengen.
b. Zij is springende tot in het eeuwige leven, hetgeen aanduidt: Ten eerste. Het doel van de werkingen der genade. Een geheiligde ziel heeft het oog op den hemel, daarnaar streeft zij, dien bedoelt zij. daarvoor doet zij alles, met niets minder wil zij tevreden zijn. Het geestelijk leven streeft naar volmaking in het eeuwige leven. Ten tweede. De standvastigheid van die werkingen, zij blijft streven, totdat zij de volmaaktheid bereikt heeft. Ten derde. De kroon er van, het eeuwige leven. Het levende water ontspringt in den hemel, en daarom verheft het zich naar den hemel, Prediker 1:7. Is dat water dan nu niet beter dan het water uit Jakob's put? De vrouw verzoekt Hem (hetzij in scherts of in ernst) haar iets van dat water te geven, vers 15. Geef mij dat water, opdat mij niet dorste. Sommigen denken dat zij op honende wijze sprak, hetgeen Christus had gezegd bespottende als blote zotteklap, en, al smalende en spottende begeert zij niet van Hem, maar tart zij Hem om haar dat water te geven. "Een prachtige uitvinding! Het zal mij veel smart besparen als ik nooit meer dorst heb, en ook heel veel moeite en arbeid, als ik niet meer hier moet komen om te putten. Anderen zijn echter van mening, dat het een wel gemeende, maar zwakke en onwetende begeerte was. Zij begreep, dat Hij iets zeer goeds en nuttigs bedoelde, en daarom zegt zij "op goed geluk af" Amen. Wat dit nu ook zij, laat mij het hebben: Wie zal mij het goede doen zien? Gemak, ene besparing van arbeid is voor arbeidende mensen een zeer te waarderen goed. Zelfs zij, die zwak en onwetend zijn, kunnen nog een flauwe, aarzelende begeerte hebben naar Christus en Zijne gaven, enige goede wensen om genade en heerlijkheid te verkrijgen. Vleselijk-gezinde harten zullen in hun beste wensen toch niets hogers dan vleselijke doeleinden op het oog hebben. "Geef het mij", zegt zij, "niet opdat ik het eeuwige leven moge hebben, (hetwelk Christus haar voorstelde) "maar opdat ik hier niet moet komen om te putten." 2. Het volgende onderwerp van gesprek met deze vrouw betreft haar man, vers 16-18. Het was niet om van het gesprek over het water des levens af te komen, dat Christus nu hierover begon, zoals velen doen, die met elke nietigheid in een gesprek voor den dag zullen komen, om maar van het ernstige onderwerp af te kunnen komen, maar het was met een genaderijke bedoeling, dat Christus dit hier ter sprake brengt. Hij bevond, dat hetgeen Hij omtrent Zijne genade en het eeuwige leven gezegd had, weinig indruk op haar had gemaakt, omdat zij niet van zonde overtuigd is geworden. Het gesprek over het levende water daarom voor het ogenblik daarlatende, legt Hij er zich nu op toe om haar geweten te doen ontwaken, de wonde te openen der schuld, waarna zij dan des te gemakkelijker het geneesmiddel der genade zal zien en begrijpen. Dat is de wijze, waarop met zielen gehandeld moet worden, zij moeten er eerst toe gebracht worden om vermoeid en belast te zijn onder den last der zonde, en dan tot Christus worden gebracht om rust te verkrijgen, eerst "verslagen in het hart worden", en dan genezen. Dat is de wijze, waarop de geestelijke medicijn moet toegediend worden, en zo wij die orde niet volgen, beginnen wij aan het verkeerde einde. Merk op:
a. Met hoeveel bescheidenheid en betamelijkheid Christus dit gesprek inleidt, vers 16:Ga heen, roep uwen man, en kom hier. Dat bevel scheen gans natuurlijk: "Roep uwen man, opdat hij u onderwijze, u helpe om de dingen te begrijpen, die u zo onbekend zijn." De vrouwen, die willen leren, moeten haar eigen mannen vragen 1 Corinthiërs 14:35, die bij haar moeten wonen met verstand, 1 Petrus 3:7. "Roep uwen man, opdat hij met u moge leren, en gij dan tezamen erfgenamen moogt zijn der genade des levens. Roep uwen man, opdat hij getuige zij van hetgeen er tussen ons voorvalt." Aldus heeft Christus ons willen leren om te "bezorgen hetgeen eerlijk is voor alle mensen, en te betrachten hetgeen welluidt." Dit bevel had ook een goed doel, want nu zal Hij de gelegenheid hebben om haar hare zonde te doen gedenken. Er is overleg en voorzichtigheid nodig voor het bestraffen, zoals die door de wijze vrouw van Thekoa aan den dag werd gelegd, 2 Samuël 14:20.
b. Hoe ijverig de vrouw de overtuiging van zonde zocht te vermijden, en hoe zij zich toch onbemerkt schuldig verklaart, eer zij het weet hare fout bekent. Zij zei: Ik heb geen man. Dit haar zeggen gaf niets anders te kennen dan dat zij niet wilde, dat er van haar man gesproken werd, en dat ook over het geheel maar niet verder van de zaak gesproken zou worden. Zij wilde niet, dat haar man daar zou komen, opdat bij een verder gesprek de zaak niet uit zou komen tot hare beschaming, en daarom: "Laat ons nu maar van iets anders spreken: Ik heb geen man. Zij wilde voor ene maagd of weduwe gehouden worden, terwijl zij toch, al had zij geen man, geen van beiden was. Het vleselijk hart is zeer vindingrijk om overtuiging te ontwijken en te beletten, dat zij post vat in de ziel, want het wendt alles aan om de zonde te verhelen. b. Hoe onze Heere Jezus haar geweten toch tot overtuiging weet te brengen. Waarschijnlijk heeft Hij meer gezegd, dan hier bericht wordt, want zij dacht, dat Hij haar alles zei wat zij ooit gedaan heeft, vers 29, maar wat hier wordt meegedeeld betreft hare mannen. Hier is: Een verrassend verhaal van haar vroeger gedrag: Gij hebt vijf mannen gehad. Het was ongetwijfeld niet hare smart, of beproeving-dat zij zo vele mannen door den dood had verloren-maar hare zonde, die Christus bedoelde haar te verwijten, hetzij dat zíj van hare mannen was weggelopen, en met anderen was gaan leven, of dat zij wegens haar onreinen, onkuisen, trouwelozen wandel, hen had genoopt haar een scheidbrief te geven, of dat zij door indirecte, onwettige, middelen van hen gescheiden was. Zij, die zulke schandelijke gedragingen voor onbeduidend houden, en achten dat de schuld weg is, zodra het spreken er van ophoudt, moeten bedenken, dat Christus van alles rekening houdt. Een strenge bestraffing van haar tegenwoordige levenswijze: Dien gij nu hebt is uw man niet. Zij was of niet met hem getrouwd, of hij had een andere vrouw, of, wat het waarschijnlijkst is, haar vroegere man, of mannen, waren nog in leven, zodat zij nu leefde in overspel. Zie echter met hoeveel zachtheid Christus er haar van spreekt: Hij noemt haar niet lichtekooi, maar zegt haar: "Hij met wie gij thans leeft, is uw man niet", en dan laat Hij het aan haar geweten over om het overige te zeggen. Bestraffingen zullen gewoonlijk het nuttigst zijn, als zij het minst beledigend zijn. Hij geeft een betere uitlegging aan hare woorden dan zij ogenschijnlijk verdienden, daar zij slechts naar uitvluchten zocht om de zaak te kunnen ontwijken: "Gij hebt wel gezegd: ik heb geen man", en wederom: dat hebt gij met waarheid gezegd". Wat zij bedoelde als ene ontkenning van het feit, heeft Hij ten haren gunste uitgelegd, of het tenminste tegen haar gekeerd als ene bekentenis van hare schuld. Zij, die zielen willen winnen, moeten ze in het beste licht trachten te beschouwen, waardoor zij kunnen hopen op hun goede geaardheid te werken, in plaats van hen in het slechtste licht te beschouwen, waardoor zij dan slechts verbittering werken.
3. Het volgende onderwerp van gesprek met de vrouw betreft de plaats der aanbidding, vers 19-24.
a. De vrouw stelt Christus ene gewetenszaak voor betreffende de plaats der aanbidding, vers 19, 24. De aanleiding, die zij hiertoe had: Heere! ik zie, dat gij een profeet zijt. Zij ontkent de waarheid niet van hetgeen, waarvan Hij haar had beschuldigd, maar door haar stilzwijgen erkent zij het rechtmatige der bestraffing. Zij vertoornt er zich ook niet over zoals velen, bij wie men den vinger op de wonde legt. Zij schrijft Zijn blaam ook niet toe aan den algemenen af keer der Joden voor de Samaritanen, maar-hetgeen iets zeer zeldzaams is-zij kan het dragen om op hare gebreken te worden gewezen. Doch zij gaat verder: Ten eerste. Zij spreekt met eerbied tot Hem, noemt Hem Heere. Aldus behoren wij hen te eren, die getrouwelijk met ons omgaan. Dit was het gevolg, de uitwerking, van Christus' zachtmoedigheid in Zijne bestraffing van haar. Hij gebruikte geen boze woorden tegen haar, en zo heeft zij er zich ook tegenover Hem van onthouden. Ten tweede. Zij erkent Hem als profeet, als iemand, die in gemeenschap was met den hemel. De macht van Christus' woord in de ontdekking van het hart, en om het geweten te overtuigen van verborgen zonden, is een groot bewijs van deszelfs Goddelijk gezag, 1 Corinthiërs 14:24, 25. Ten derde. Zij begeert nog verder onderricht van Hem. Er zijn velen, die zich niet vertoornen tegen hun bestraffers, en hen niet beledigen, maar toch bevreesd voor hen zijn en hun uit den weg blijven, maar deze vrouw wenste nog verder te spreken met den persoon, die haar hare fouten onder het oog had gebracht. De zaak zelf, die zij voorstelde omtrent de plaats der openlijke Godsverering. Sommigen denken, dat zij hierover begon om een verder spreken over hare zonde te voorkomen. Twistgesprekken over den Godsdienst blijken dikwijls zeer nadelig voor ernstige Godsvrucht, maar zij schijnt het goed bedoeld te hebben, Zij wist, dat zij God moest aanbidden, en wenst het op de rechte wijze te doen, en nu zij met een profeet sprak, vraagt zij om inlichting en leiding. Wij zullen verstandig handelen, als wij gebruik maken van alle gelegenheden om kennis op te doen omtrent de dingen Gods. Als wij ons in het gezelschap bevinden van hen, die geschikt zijn om te onderwijzen, zo laat ons dan ijverig wezen om te leren, en een goede vraag gereed hebben voor hen, die instaat zijn om een goed antwoord te geven. Joden en Samaritanen waren het eens, dat God aangebeden moet worden (zelfs zij, die dwaas genoeg waren om valse goden te aanbidden, waren niet dom en verdierlijkt genoeg, om er in het geheel geen te aanbidden) en dat de Godsverering een zaak van groot gewicht is: de mensen zouden er niet over strijden, indien zij dachten, dat zij er geen belang bij hebben. De zaak in geschil tussen hen was de plaats, waar zij God moesten aanbidden. Let er op, hoe zij de zaak voorstelt: Ten eerste. Wat betreft de Samaritanen: Onze vaders hebben op dezen berg aangebeden, dicht bij deze stad en deze fontein. Dáár was de Samaritaanse tempel gebouwd door Sanballat, ten gunste waarvan zij dit denkbeeld opperde: Wat de tempel ook moge wezen, de plaats was heilig, het was de berg Gerizim, de berg, op welken de zegeningen werden uitgesproken, en sommigen denken, dat het dezelfde berg was, waarop Abraham zijn altaar bouwde, Genesis 12:6, 7, en Jakob het zijne, Genesis 23. 18-20. 2. Dat voor de aanbidding aldaar het eerwaardige pleit van de gewoonte van oudsher.
Onze vaders hebben op dezen berg aangebeden. Zij acht, dat zij de eerwaardige oudheid, de overlevering en de opvolging aan hun zijde hebben. Een ijdele wandeling zoekt zich dikwijls te rechtvaardigen door het feit, dat zij van de vaderen overgeleverd is. Maar zij had weinig reden om te roemen op hun vaders, want toen Antiochus de Joden vervolgde, hebben de Samaritanen uit vrees van in hun lijden te moeten delen, niet slechts alle betrekking of bloedverwantschap met de Joden verloochend, maar hun tempel aan Antiochus overgegeven, met verzoek, dat hij aan Jupiter Olympus zou gewijd en naar zijn naam zou genoemd worden. Josephus, Antiq. lib. XII, cap. 7.
Ten tweede. Ten opzichte van de Joden: gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. De Samaritanen regelden zich naar de vijf boeken van Mozes, en sommigen denken, dat zij alleen dezen als canoniek aannamen. Hoewel zij daar nu dikwijls de plaats vermeld vonden, die God wilde kiezen, werd de naam dier plaats er toch niet genoemd. Den tempel te Jeruzalem zagen zij ook ontdaan van veel van zijn oude heerlijkheid, en daarom achtten zij zich vrij om een andere plaats ter aanbidding op te richten, altaar tegen altaar.
b. Christus' antwoord op deze gewetensvraag, vers 21 en verder. Zij, die zich tot Christus wenden om onderwezen te worden, zullen bevinden, dat Hij zachtmoedig is en den zachtmoedigen Zijn weg zal leren. Hier nu: Toont Hij geringachting voor de vraag, zoals zij die had voorgesteld, betreffende de plaats der aanbidding, vers 21. "Vrouw, geloof Mij als profeet en let op hetgeen Ik zeg. Gij verwacht, dat er ene ure komen zal, wanneer, hetzij door een openbaring Gods, of door een bijzondere leiding Zijner voorzienigheid, die zaak, hetzij ten voordele van Jeruzalem, of van den berg Gerizim zal beslist worden, maar Ik zeg u, dat de ure komt, wanneer dat geen vraag meer zijn zal. Hetgeen gij van zoveel belang en gewicht hebt leren achten, zal dan als een gans onverschillige zaak beschouwd worden". Het zal onzen hartstocht in ons strijden tot bedaren brengen, als wij bedenken dat de dingen, waarvan wij thans zo vervuld zijn, en waarover wij zoveel gerucht en geraas maken, weldra zullen verdwijnen, en niet meer zijn, juist datgene, waarover wij strijden, gaat voorbij. De ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden. Ten eerste. Het voorwerp der aanbidding wordt verondersteld nog hetzelfde te zijn-God, als de Vader. Onder dit denkbeeld hebben zelfs de heidenen God aangebeden, de Joden deden het, waarschijnlijk ook de Samaritanen.
Ten tweede. Maar er zal een einde worden gemaakt aan alle moeilijkheden en geschillen omtrent de plaats der aanbidding. De nabij zijnde ontbinding van den Joodsen staat en de oprichting van den evangeliestaat zullen die zaak vrij laten, en alles met elkaar gemeen doen zijn, zodat het gans onverschillig zijn zal waar de mensen God zullen aanbidden, want zij zullen aan generlei plaats gebonden zijn, noch aan deze, noch aan die, maar overal zullen zij God kunnen aanbidden. De aanbidding Gods is thans, onder het Evangelie, aan geen enkele plaats toegeëigend, zoals onder de wet, maar het is Gods wil, dat de mensen bidden in alle plaatsen, 1 Timotheus 2:8, Maleachi 1:11. Ons verstand leert ons om met hetgeen betamelijk en geschikt is te rade te gaan ten opzichte onzer plaatsen van aanbidding, maar onze Godsdienst geeft geen voorkeur aan de ene plaats boven de andere, ten opzichte van hetgeen heilig en Gode behaaglijk is. Zij, die aan ene Godsdienstoefening de voorkeur geven alleen maar om de plaats, waar zij gehouden wordt, (al was het gebouw ook even prachtig en met evenveel plechtigheid ingewijd als Salomo's tempel) vergeten dat de ure gekomen is, wanneer daar in Gods schatting geen verschil in is, neen, niet tussen Jeruzalem, dat zo vermaard was voor heiligheid, en den berg in Samaria, die zo berucht was wegens goddeloosheid. Hij legt den nadruk op andere dingen ten opzichte der Godsverering. Als Hij de plaats der aanbidding van zo weinig betekenis acht, heeft Hij hiermede onze belangstelling in de zaak zelf niet willen verminderen, waarover Hij dus nu uitvoerig zal gaan spreken.
Ten eerste. Wat betreft den tegenwoordigen stand van het geschil, beslist Hij tegen de Samaritaanse aanbidding, en ten gunste van de Joden, vers 22. Hij zegt haar hier:
1. Dat de Samaritanen zeer zeker ongelijk hadden, niet slechts omdat zij op dien berg aanbaden, hoewel dit, zolang de keuze van Jeruzalem nog van kracht was, zondig was, maar ook omdat zij zich vergisten in het voorwerp hunner aanbidding. Indien de aanbidding zelf ware geweest wat zij behoorde te zijn, dan zou de afscheiding van Jeruzalem nog voorbij gezien kunnen worden, zoals onder de beste regeringen het offeren op hoogten geduld werd. Maar gijlieden aanbidt wat gij niet weet. Zij aanbaden den God Israël's, den waren God, Ezra 4:2, 2 Koningen 17:32, maar zij waren in grove onwetendheid verzonken, zij aanbaden Hem als den God van het land, 2 Koningen 17:27, 33, als een lokale godheid, zoals de goden der volken, terwijl God gediend moet worden als God, als de oorzaak van alles, de Heere. Het is er zo ver af dat onwetendheid de moeder zou zijn van vroomheid, dat zij er veeleer de moordenares van is. Zij, die God onwetend aanbidden, offeren het blinde, en het is een slachtoffer der zotten.
2. Dat de Joden zeer zeker gelijk hadden. Want:
a. Wij weten wat wij aanbidden. Wij bewegen ons op vasten grond in onze aanbidding, want ons volk wordt onderwezen en opgevoed in de kennis van God, zoals Hij zich in de Schrift heeft geopenbaard." Zij, die door de Schrift enige kennis van God hebben verkregen (al is die kennis dan nog onvolkomen) kunnen Hem aanbidden met vertroosting voor zich zelven en op Hem welbehaaglijke wijze, want zij weten wat zij aanbidden. Elders veroordeelt Christus het bederf in de Joodse aanbidding, Mattheus 15:9, en toch verdedigt Hij hier de aanbidding zelf, de aanbidding kan waar zijn, waar zij toch niet geheel zuiver is. Het heeft onzen Heere Jezus behaagd om zich onder de aanbidders van God te rangschikken: Wij aanbidden. Hoewel Hij een Zoon was (en de zonen zijn vrij) heeft Hij toch in de dagen Zijner vernedering deze gehoorzaamheid geleerd. Laat ook de grootsten, de voornaamsten onder de mensen de aanbidding Gods niet beneden zich achten, want ook de Zone Gods heeft haar niet beneden zich geacht.
b. De zaligheid is uit de Joden, en daarom weten zij wat zij aanbidden, en op welken grond zij aanbidden. Niet, dat alle Joden zalig werden, of dat het onmogelijk was dat velen uit de heidenen en Samaritanen zalig zouden worden, want in allen volke is die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam, maar de Werker der eeuwige zaligheid is voortgekomen uit de Joden, verschijnt onder hen, en is gezonden om hen het eerst te zegenen. Het middel der eeuwige zaligheid is hun gegeven. Het woord der zaligheid is hun gezonden, Handelingen 13:26. Het was hun overgegeven, en andere natiën hebben het van hen ontvangen. Dat woord was hun een betrouwbare gids voor hun Godsverering, zij wisten wat zij aanbaden. Aan hen waren de woorden Gods toebetrouwd, Romeinen 3:2, en de dienst van God, Romeinen 9:4. De Joden aldus bevoorrecht zijnde, was het aanmatiging in de Samaritanen om met hen te willen wedijveren.
Ten tweede. Hij beschrijft de evangelische aanbidding, welke alleen Gode welbehaaglijk was. Aangetoond hebbende, dat de plaats van geen gewicht of belang is, gaat Hij er nu toe over om aan te tonen wat noodzakelijk en onmisbaar is-namelijk dat wij God aanbidden in geest en in waarheid, vers 23, 24. De nadruk moet niet gelegd worden op de plaats, waar wij God aanbidden, maar op den gemoedstoestand, waarin wij Hem aanbidden. De beste manier van geschillen omtrent de mindere aangelegenheden in den Godsdienst uit den weg te ruimen is, om ijverig te zijn in de grotere. Zij, die het tot hun dagelijkse zorg maken om in den geest te aanbidden, zullen, naar men zou denken, er geen onderwerp van strijd van maken, of men hier of daar zal aanbidden. Christus had met recht aan de Joodse aanbidding de voorkeur gegeven boven de Samaritaanse, toch geeft Hij er hier het onvolmaakte van te kennen. De aanbidding was ceremonieel, Hebreeën 9:1, 10. De aanbidders waren meestal vleselijk, vreemd aan het innerlijke van den Goddelijken eredienst. Het is mogelijk, dat wij beter zijn dan anderen, en toch niet zo goed als wij zijn moesten. Wij moeten recht wezen, niet slechts ten opzichte van het voorwerp onzer aanbidding, maar ook in de wijze van onze aanbidding, en dat is wat Christus ons hier leert. Merk op:
A. De grote en heerlijke omwenteling, waardoor deze verandering komen zou. De ure komt, en is nu, de vastgestelde tijd, waarvan van ouds bepaald was wanneer hij zou komen en hoe lang hij zou duren. Die tijd is tot op een uur vastgesteld, zo nauwkeurig en juist zijn de raadsbesluiten Gods, de duur er van is beperkt tot ene ure, zo nabij en dringend is de gelegenheid der Goddelijke genade, 2 Corinthiërs 6:2. Die ure komt, zij komt in haar volle kracht, luister en volmaaktheid, zij is nu in haar beginsel. De volle dag komt, de dageraad er van breekt aan.
B. De gezegende verandering zelf. In Evangelietijden zullen de ware aanbidders den Vader aanbidden in geest en waarheid. Als schepselen aanbidden wij den Vader van allen, als Christenen aanbidden wij den Vader van onzen Heere Jezus. De verandering nu zal wezen:
a. In den aard der aanbidding. Christenen zullen God aanbidden, niet in de ceremoniële waarneming van de Mozaïsche instellingen, maar in geestelijke inzettingen, minder bestaande in lichamelijke oefeningen, maar meer bezield en versterkt door Goddelijke kracht. De wijze van aanbidding, door Christus ingesteld, is redelijk en verstandig, gezuiverd van de uitwendige plechtigheden, waardoor de Oud-Testamentische aanbidding zowel omfloersd als belemmerd was. Dit wordt de ware aanbidding genoemd, in tegenstelling met die, welke typisch was. De wettelijke diensten waren tegenbeelden van de ware, Hebreeën 9:24. Zij, die van het Christendom tot Judaïsme vervielen, worden gezegd met den geest te beginnen, en te voleindigen met het vlees, Galaten 3:3. Dusdanig was het verschil tussen de Oud-Testamentische en de Nieuw-Testamentische inzettingen.
b. In den aard en de gemoedsgesteldheid der aanbidders, en zo zijn de ware aanbidders goede Christenen, onderscheiden van de geveinsden, allen moeten, en zullen, God aanbidden in geest en waarheid. Er wordt van gesproken, vers 23, als van hun kenmerkende eigenschap, en vers 24, als van hun plicht. Van allen, die God aanbidden, wordt vereist, dat zij Hem aanbidden in geest en waarheid. Wij moeten God aanbidden: a. In geest, Filippenzen 3:3. Wij moeten steunen op Gods Geest voor kracht en hulp, onze ziel stellen onder Zijn invloed en Zijne werkingen, wij moeten onzen eigen geest wijden aan, en gebruiken in, den dienst van God, Romeinen 1:9, wij moeten Hem aanbidden met standvastigheid en vurige liefde, met al wat binnen in ons is. Geest wordt soms genomen voor de nieuwe natuur, in tegenstelling met het vlees, hetwelk de verdorven natuur is, en God aldus te aanbidden met onzen geest is Hem te aanbidden met onze genade, Hebreeën 12:28. b. In waarheid, dat is: in oprechtheid. God eist niet slechts het innerlijke in onze aanbidding, maar ook waarheid in het binnenste, Psalm 51:8. Wij moeten meer geven om de kracht dan om den vorm, moeten Gods ere op het oog hebben, en niet om van de mensen gezien te worden, toegaan met een waarachtig hart, Hebreeën 10:22.
Ten derde. Hij duidt de redenen aan, waarom God aldus aangebeden moet worden.
A. Omdat in Evangelietijden alleen diegenen als de ware aanbidders aangemerkt worden. Het Evangelie richt een geestelijke wijze van aanbidding op, zodat de belijders van het Evangelie niet oprecht zijn in hun belijdenis, niet leven naar het licht en de wetten van het Evangelie, indien zij God niet in geest en waarheid aanbidden.
B. Omdat de Vader ook dezulken zoekt, die Hem alzo aanbidden. Dit geeft te kennen
a. Dat zulke aanbidders zeer zeldzaam zijn. De poort der geestelijke aanbidding is nauw.
b. Dat zodanige aanbidding noodzakelijk is, hetgeen waarop de God des hemels aandringt. Als God naar aanbidders een onderzoek instelt, dan zal de vraag niet wezen: Wie heeft te Jeruzalem aangebeden? maar wèl: Wie heeft aangebeden in geest? Dat zal de toetssteen wezen.
c. Dat God in zulk ene aanbidding en in zulke aanbidders een welbehagen heeft.
Ik heb ze begeerd, Psalm 132:13, 14.
d. Dat er van zulke aanbidders een overblijfsel is geweest, en altijd zijn zal, dat Hij zulke aanbidders zoekt, duidt aan, dat Hij ze maakt. In alle tijden vergadert God zich een geslacht van geestelijke aanbidders.
C. Omdat God een Geest is. Christus is gekomen om ons God te verklaren, Hoofdstuk 1:18, en Hij heeft dit omtrent Hem verklaard. Hij verklaarde het aan deze arme Samaritaanse vrouw, want ook de geringsten hebben er het grootste belang bij om God te kennen, en met het doel om hare dwalingen betreffende de Godsverering weg te nemen, en niets kon meer daartoe bijdragen dan een rechte kennis van God. God is een Geest, want Hij is een oneindig en eeuwig Verstand, onlichamelijk, onstoffelijk, onzienlijk, en onverderflijk. Het is gemakkelijker te zeggen wat God niet is, dan wat Hij is, een geest heeft geen vlees en benen, maar wie weet den weg van een geest? Indien God geen geest was, Hij zou niet volmaakt kunnen zijn, noch oneindig, noch eeuwig, noch onafhankelijk, noch de Vader der geesten. Het geestelijke van de Goddelijke natuur is een zeer goede reden voor het geestelijke van den Goddelijken eredienst. Indien wij God, die een Geest is, niet aanbidden in den geest, dan geven wij Hem niet de ere Zijns naams, en volbrengen dus gene daad van aanbidding, en dan kunnen wij ook niet hopen op gunst en om door Hem aangenomen te worden, en zo missen wij dan het doel der aanbidding, Mattheus 15:8, 9. 4. Het laatste onderwerp van gesprek met deze vrouw betreft den Messias, vers 25, 26. Merk hier op:
a. Het geloof der vrouw, door hetwelk zij den Messias verwacht. Ik weet dat de Messias komt, - wanneer die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen. Zij had tegen hetgeen Christus gezegd had, niets in te brengen, voor zoveel zij wist, zou Zijne rede wel gevoegd hebben in den mond van den Messias, die toen verwacht werd, slechts van Hem wilde zij het aannemen, en intussen achtte zij het het best om haar oordeel op te schorten. Aldus hebben velen geen hart voor het goed, dat zij in de hand hebben, omdat zij iets beters menen op het oog te hebben, en zo misleiden zij zich, en vleien zich met het denkbeeld van later wel te zullen verkrijgen, wat zij thans veronachtzamen. Merk hier op: wie zij verwacht: Ik weet, dat de Messias komt. Waarin de Joden en de Samaritanen ook verschilden, zij waren het eens in de verwachting van den Messias en Zijn koninkrijk. De Samaritanen namen de Schriften van Mozes aan, en waren ook niet onbekend met de profeten en de hoop van het Joodse volk. Zij, die het minst wisten, wisten dit toch, dat de Messias verwacht werd, zo algemeen en onbetwist was die verwachting, welke thans meer dan ooit gespannen was, want de scepter was van Juda geweken, Daniël's weken liepen ten einde, zodat zij tot de slotsom komt, niet alleen, dat Hij zal komen, maar erchetai -"Hij komt", Hij is nabij. De Messias, die genaamd wordt Christus. Hoewel de evangelist het Hebreeuwse woord Messias behoudt (hetwelk de vrouw gebruikte ter ere van de heilige taal, en van de Joodse kerk, welke het gemeenzaam gebruikte) draagt hij er toch zorg voor, daar hij ten gerieve der heidenen schrijft, om het over te zetten door een Grieks woord van dezelfde betekenis, die genaamd wordt Christus - Gezalfde, het voorbeeld gevende van den regel des apostels, dat al wat in een onbekende of minder verspreide taal gezegd wordt, vertolkt moet worden, 1 Corinthiërs 14:27, 28. Wat zij van Hem verwacht. "Hij zal ons alle dingen verkondigen, betreffende den dienst van God, die ons nodig zijn te weten, Hij zal datgene zeggen wat wij moeten doen om wat er gebrekkigs in ons is te verbeteren. Hij zal onze dwalingen uit den weg ruimen en een einde maken aan onze twisten. Hij zal ons den wil en de bedoeling Gods duidelijk maken en niets terughouden." Hierin ligt ene erkenning opgesloten: Ten eerste. Van het gebrekkige en onvolkomene van hetgeen zij nu ontdekt hadden omtrent den Goddelijken wil, en de regeling, die zij hadden voor den Goddelijken eredienst, het kon degenen, die daar toegaan, niet heiligen. Daarom verwachtten zij een groten vooruitgang en verbetering ten opzichte van Godsdienstige zaken, een tijd van hervorming. Ten tweede. Van de macht en bekwaamheid van den Messias om deze verandering tot stand te brengen. Hij zal ons alle dingen verkondigen, die wij weten moeten, en waaromtrent wij nu twisten, in het duister zijn. Hij zal vrede brengen door ons in alle waarheid te leiden en de nevelen der dwaling te verdrijven. Het schijnt, dat dit de vertroosting was der vromen in die duistere tijden, dat het licht zou opgaan, als zij in verlegenheid waren en zich niet wisten te redden, dan zeiden zij: Als de Messias komt, zal Hij ons alle dingen verkondigen, zoals wij thans wellicht spreken van Zijne wederkomst: thans zien wij als door een spiegel, maar dan zullen wij van aangezicht tot aangezicht aanschouwen.
b. De gunst van onzen Heere Jezus door zich aan haar bekend te maken, Ik ben het, die met u spreek, vers 26. Nooit heeft Christus zich aan iemand zo uitdrukkelijk bekend gemaakt, als hier aan deze arme Samaritaanse vrouw, en aan den blinde, Hoofdstuk 9:37, neen, niet aan Johannes de Doper, toen deze tot Hem zond, Mattheus 11:4. 5, neen, niet aan de Joden, toen zij van Hem eisten, dat Hij hun zeggen zou of Hij de Christus was, Hoofdstuk 10:24. Maar Christus wilde aldus ere geven aan hen, die arm en veracht zijn, Jakobus 2:6. Voor zover wij weten, heeft deze vrouw nooit gelegenheid gehad, om Christus' wonderen te zien, die het gewone middel ter overtuiging waren. Voor hen, die het voorrecht niet hebben van de uitwendige middelen van kennis en genade, heeft God verborgen wegen en middelen om dit gebrek te vergoeden, daarom moeten wij over de zodanige liefderijk oordelen. God kan het licht der genade doen schijnen in het hart, ook wanneer Hij het licht des Evangelies niet doet schijnen voor de ogen. Deze vrouw was beter dan anderen toebereid om zulk ene openbaring te ontvangen, zij was vol van verwachting van den Messias, en gans bereid om door Hem onderwezen te worden. Christus zal zich openbaren aan hen, die met een oprecht en nederig hart met Hem bekend wensen te worden.
Ik ben het, die met u spreek. Zie hier: Ten eerste. Hoe nabij Jezus Christus haar was, toen zij niet wist wie Hij was, Genesis 28:16. Velen treuren over Christus' afwezigheid, en verlangen naar Zijne tegenwoordigheid, terwijl Hij intussen tot hen spreekt. Ten tweede. Hoe Christus zich aan ons bekendmaakt door met ons te spreken: Ik, die tot u spreek, zo nabij, zo innig, zo overtuigend, met zulk ene zekerheid en zulk een gezag. Ik ben het.