Johannes 9:35-38
In deze verzen kunnen wij opmerken:
I. De tedere belangstelling van onzen Heere Jezus in dezen armen man, vers 35: Als Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden (waarschijnlijk was het gerucht er van als een lopend vuur door de stad gegaan, en sprak ieder er schande van). toen vond Hij hem, hetgeen aanduidt dat Hij hem had gezocht, ten einde hem te bemoedigen en te vertroosten.
1. Omdat hij naar zijn beste weten, zo goed, zo moedig en zo vrijmoedig had gesproken ter verdediging van den Heere Jezus. Jezus Christus zal voorzeker Zijne getuigen bijstaan, en hen belijden, die Hem, Zijne waarheid en Zijne wegen belijden. Aardse vorsten nemen geen kennis van allen, die hen, hun regering en hun bestuur verdedigen en handhaven, en zij kunnen dit ook niet, maar onze Heere Jezus kent en let op al de getrouwe getuigenissen, die wij te eniger tijd van Hem afleggen, en er is een gedenkboek geschreven, en het zal ons niet slechts tot eer strekken hiernamaals, maar ook nu tot vertroosting.
2. Omdat de Farizeeën hem hadden uitgeworpen en mishandeld. De rechtvaardige Rechter der wereld geeft in het algemeen acht op hen, die ten onrechte lijden, Psalm 103:6, maar in het bijzonder let Hij op hen, die lijden om de zaak van Christus en om het getuigenis van een goed geweten. Hier was een arme man, lijdende om Christus' wil, en Hij droeg er zorg voor dat, als zijn lijden overvloedig werd, ook zijne vertroosting overvloedig werd. Hoewel de vervolgers vrome mensen van hun gemeenschap kunnen buitensluiten, kunnen zij hen toch niet van de gemeenschap met Christus buitensluiten, noch beletten dat Hij hen bezoekt. Zalig zij, die een vriend hebben, van wie de mensen hen niet kunnen weren. Jezus Christus zal genadiglijk hen vinden en ontvangen, die door de mensen om Zijnentwil onrechtvaardiglijk verworpen en uitgeworpen worden.
II. Het troostrijke gesprek, dat Christus met hem had, waarin Hij hem bekendmaakt met de vertroosting Israël's. Hij had de kennis, die hij had, goed gebruikt, en nu geeft Christus hem nog verder onderricht, want aan wie getrouw is in het weinige, zal meer toevertrouwd worden.
1. Onze Heere Jezus doet onderzoek naar zijn geloof: Gelooft gij in den Zoon van God? Gelooft gij aan de beloften van den Messias? Verwacht gij Zijne komst en zijt gij bereid Hem te ontvangen en aan te nemen, als Hij u geopenbaard zal zijn?" Dat was het geloof in den Zoon van God, waardoor de heiligen geleefd hebben, voordat Hij geopenbaard was. Merk op:
a. De Messias wordt hier de Zoon van God genoemd, en zo hadden de Joden Hem ook uit de profetieën geleerd te noemen, Psalm 2:7, 89:28. Zie Hoofdstuk 1:50. Gij zijt de Zone Gods, dat is: de ware Messias. Zij, die het tijdelijk of wereldlijk koninkrijk van den Messias verwachtten, noemden Hem gaarne Zone David's, hetgeen die verwachting ondersteunde, Mattheus 22:42. Maar om ons een denkbeeld te geven van Zijn koninkrijk als zuiver geestelijk en Goddelijk, noemt Christus zich den Zoon van God, en veeleer Zoon des mensen in het algemeen, dan Zoon van David in het bijzonder.
b. De begeerten naar, en de verwachtingen van, den Messias, van de Oud-Testamentische heiligen, geleid door, en gegrond op, de belofte, werden genadiglijk opgevat en aangenomen als hun geloven in den Zoon van God. Dat is het geloof, waarnaar Christus hier onderzoek doet: Gelooft gij? De grote zaak, die thans van ons wordt vereist, 1 Johannes 3:23, en waarnaar weldra betreffende ons gevraagd zal worden, is ons geloven in den Zoon van God, en hiermede moeten wij voor eeuwig staan of vallen.
2. Met bezorgdheid vraagt de man naar den Messias in wie hij moest geloven, terwijl hij zijne bereidwilligheid te kennen geeft om Hem aan te nemen, vers 36. Wie is Hij, Heere! opdat ik in Hem moge geloven?
a. Sommigen denken, dat hij wel wist dat Jezus, die hem had genezen, de Zoon van God was, maar dat hij niet wist wie Jezus was, en in de mening verkerende, dat de persoon, die met hem sprak, een volgeling van Jezus was, hem verzocht zo vriendelijk te zijn om hem tot zijn Meester te brengen, niet om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen door Hem te zien, maar om vaster in Hem te geloven, zijn geloof te belijden, en Hem te kennen, dien Hij geloofde. Zie Hooglied 5:6, 7, 3:2, 3, Alleen Christus kan ons tot Christus brengen.
b. Anderen denken, dat hij wist, dat de persoon, die met hem sprak, Jezus was, dezelfde, die hem had genezen, dien hij geloofde een groot en goed man, een profeet te zijn, maar dat hij nog niet wist, dat Hij de Zoon van God, de ware Messias was. "Heere, ik geloof, dat er een Christus komen moet, Gij, die mij het lichamelijke gezicht hebt geschonken, zeg mij, o zeg mij, wie en waar deze Zoon van God is." Christus' vraag gaf te kennen, dat de Messias gekomen was en zich onder hen bevond, welken wenk hij terstond vat, en vraagt: "Waar is Hij, Heere?" De vraag was verstandig en juist: Wie is Hij, Heere! opdat ik in Hem moge geloven? Want hoe kon hij geloven in iemand, van wie hij niet had gehoord! Het werk der Evangeliedienaren is ons te zeggen wie de Zoon van God is, opdat wij in Hem mogen geloven, Hoofdstuk 20:31.
3. Onze Heere Jezus openbaart zich genadiglijk aan hem als dien Zoon van God, in wie hij moet geloven. Gij hebt Hem gezien, en die met u spreekt, dezelve is het, vers 37. Gij behoeft niet ver te gaan om den Zoon van God te vinden. "Zie het Woord is nabij u." Wij bevinden niet, dat Christus zich zo uitdrukkelijk en in zo vele woorden aan iemand bekend heeft gemaakt dan aan dezen man hier en aan de Samaritaanse vrouw. `,Ik ben het, die met u spreek". Aan anderen liet Hij het over om door redenering te ontdekken wie Hij was, maar aan dit zwakke en dwaze der wereld verkoos Hij zich te openbaren, zoals Hij zich niet aan de wijzen en verstandigen geopenbaard heeft. De grootste lieflijkheid en vertroosting van het gezicht onzer lichamelijke ogen is deszelfs dienstbaarheid aan ons geloof en de belangen onzer ziel. Hoe tevreden en welgemoed zou deze man tot zijn vorige blindheid zijn teruggekeerd, nu zijne ogen, gelijk die van Simeon, de zaligheid Gods hebben gezien! Als wij dit toepassen op het openen der ogen van den geest, dan wordt er door aangeduid, dat het geestelijk gezicht voornamelijk geschonken wordt om ons Christus te doen zien, 2 Corinthiërs 4:6. Kunnen wij zeggen, dat wij door het geloof Christus gezien hebben in Zijne schoonheid en heerlijkheid, in Zijne macht en bereidwilligheid om te behouden, Hem zo gezien hebben, dat wij voldaan zijn omtrent Hem, voldoening vinden in Hem? Laat ons lof geven aan Hem, die onze ogen heeft geopend.
b. Die met u spreekt, dezelve is het. Hij was niet slechts bevoorrecht met Christus te mogen zien, hij was ook toegelaten tot gemeenschapsoefening met Hem. Grote vorsten willen gezien worden door hen, met wie zij zich toch niet zouden verwaardigen te spreken. Maar door Zijn woord en Geest spreekt Christus met hen, wier begeerten naar Hem uitgaan, en in het spreken met hen openbaart Hij zich aan hen, zoals aan de twee discipelen, met wie Hij zo sprak, dat hun hart brandende in hen werd, Lukas 24:32. Merk op: Deze man vraagt ijverig en bezorgd naar den Zaligmaker, terwijl hij Hem zag en met Hem sprak. Jezus Christus is dikwijls meer nabij de zielen, die Hem zoeken, dan zij zelven weten. Twijfelende Christenen zeggen soms: "Waar is de Heere?" en vrezen dat zij buiten Zijn gezicht zijn geworpen, terwijl Hij het is, die met hen spreekt en kracht in hen legt.
4. De arme man ontvangt met blijdschap deze verrassende openbaring, in vervoering van vreugde en verwondering zegt hij: Heere, ik geloof, en hij aanbad Hem. a Hij beleed zijn geloof in Christus: "Heere, ik geloof, dat Gij de Zoon van God zijt." Hij wilde niets betwisten van hetgeen Hij zei, die Hem zo grote goedertierenheid had bewezen, en zulk een wonder aan hem gedaan had, noch twijfelen aan de waarheid van ene leer, die door zulke tekenen was bevestigd. Gelovende met het hart, beleed hij Hem aldus met den mond, en nu is het gekrookte riet een ceder geworden.
b. Hij bewees Hem hulde: hij aanbad Hem. Niet slechts bewees hij Hem den eerbied aan een groot man verschuldigd, en de erkentelijkheid, die aan een vriendelijken weldoener toekomt, maar hierin bewees hij Hem Goddelijke eer, en aanbad Hem als den Zone Gods, geopenbaard in het vlees. Niemand dan God moet aangebeden worden, zodat hij, door Jezus te aanbidden, Hem als God erkende. Waar geloof zal zich tonen in een nederige aanbidding van den Heere Jezus. Zij, die in Hem geloven, zullen alle mogelijke redenen zien om Hem te aanbidden. Wij lezen nooit meer van dezen man, maar zeer waarschijnlijk is hij van nu aan een getrouw volgeling van Christus geworden.