Ezra 4:1-5
Wij hebben hier een voorbeeld van de oude vijandschap, die er gesteld was tussen het zaad van de slang en het zaad van de vrouw. Gods tempel kan niet gebouwd worden, of Satan zal woeden en de poorten van de hel zullen er tegen strijden. Evenzo moest het Evangeliekoninkrijk onder veel worsteling en strijd opgericht worden. In dit opzicht was de heerlijkheid van het laatste huis groter dan van het eerste, en het was meer een beeld van de tempel van Christus' gemeente, daar Salomo zijn tempel gebouwd heeft, toen "er geen" "tegenpartijder was en geen bejegening van kwaad," 1 Koningen 5:4 K. Maar deze tweede tempel werd gebouwd in weerwil van grote tegenstand, in het overwinnen van die tegenstand en de voltooiing van het werk in weerwil ervan zijn de wijsheid macht en goedheid van God grotelijks verheerlijkt, en is de kerk aangemoedigd om op Hem te vertrouwen.
I. De ondernemers worden hier de kinderen van de gevangenschap genoemd, vers 1, hetgeen hun zeer gering aanzien geeft. Zij waren pas uit de gevangenschap gekomen, waren in gevangenschap geboren, droegen nog de tekenen van hun gevangenschap, hoewel zij geen gevangenen waren, waren zij toch onder de macht van hen, wier gevangenen zij geweest waren. Israël was Gods zoon, Zijn eerstgeborene, maar door hun ongerechtigheid hadden zij zich verkocht en tot slaven gemaakt, en aldus werden zij kinderen van de gevangenschap, maar het schijnt dat de gedachte, dat zij dit waren, hen opgewekt heeft tot dit werk, want het was door hun veronachtzamen van de tempel, dat zij hun vrijheid verloren hadden.
II. De tegenstanders van de onderneming worden hier gezegd de wederpartijders te zijn van Juda en Benjamin, niet de Chaldeen of de Perzen-zij gaven hun geen stoornis, ("laat hen maar gerust voortbouwen") maar de overblijfselen van de tien stammen met de vreemdelingen, die zich bij hen gevoegd hadden, en die tezamen dat mengelmoes van godsdiensten hadden saamgeflanst, waarvan wij een bericht hadden in 2 Koningen 17:33 K :zij "vreesden de" "Heere en dienden ook hun goden." Zij worden het volk des lands genoemd, vers 4. De ergste vijanden van Juda en Benjamin waren zij, "die zeiden dat zij Joden waren en het niet waren," Openbaring 3:9.
III. Er was veel van de list van de oude slang in de tegenstand, die zij boden. Toen zij hoorden dat de tempel gebouwd werd, begrepen zij terstond dat dit een noodlottige slag was voor hun bijgeloof, en zo zetten zij er zich dan toe om het werk tegen te staan. Zij hadden de macht niet om het door geweld te verhinderen, maar zij lieten geen middel onbeproefd om het tot staan te brengen.
1. Zij boden hun diensten aan om met hen te bouwen, maar het was alleen om de gelegenheid te hebben om het werk te vertragen, terwijl zij voorwendden het te bevorderen. Nu was hun aanbod:
a. zeer schoon schijnend. Wij zullen met ulieden bouwen, zullen u helpen bij het werk en bijdragen in de onkosten want wij zullen uw God zoeken, gelijk gijlieden, vers 2. Dit was onwaar, want hoewel zij dezelfde God zochten, hebben zij Hem niet alleen gezocht noch Hem gezocht op de voorgeschreven wijze, en dus hebben zij Hem niet gezocht. gelijk zij. Hun oogmerk hierin was het bouwen, zo mogelijk, te verhinderen, tenminste hun genot en hun vertroosting, die zij er in smaakten, weg te nemen, het was schier even goed het niet te hebben, als het niet voor zich te hebben en voor de zuivere aanbidding van de ware God en van Hem alleen. Zo zijn de kussen eens haters af te bidden, zijn woorden zijn gladder dan boter, maar zijn hart is krijg Maar b. hun weigering van de aangeboden dienst was zeer rechtvaardig, vers 3. De hoofden van de vaderen Israëls begrepen al spoedig dat zij geen vriendelijkheid jegens hen bedoelden, wat zij dienaangaande ook mochten voorgeven, maar in werkelijkheid boze voornemens hadden, en daarom (ofschoon zij voorzeker wel hulp nodig hadden, indien die van een aard was geweest om er vertrouwen in te kunnen stellen) zeiden zij hun ronduit: "Het betaamt niet dat gijlieden en wij onze God een huis bouwen, gij hebt part noch deel aan deze zaak, gij zijt geen ware Israëlieten, geen oprechte aanbidders van God, "gij aanbidt wat gij niet weet," Johannes 4:22. Gij behoort niet tot hen, met wie wij gemeenschap durven onderhouden, en daarom "zullen wij alleen bouwen." Zij voeren bij hen de wet Gods niet aan, die hun verbood zich met vreemdelingen te mengen, (hoewel zij daar inzonderheid het oog op hadden) maar zij willen er op gelet hebben, dat de opdracht van de koning alleen tot hen gericht was, "de koning van Perzië heeft ons geboden dit huis te bouwen, en wij zouden hem wantrouwen betonen en hem beledigen, als wij er vreemde hulp bij inriepen." Bij goed doen is "de voorzichtigheid van de slangen" nodig zowel als "de oprechtheid van de duiven," en het is ons nodig om "ons" "te wachten voor de mensen" Mattheus 10:16, 17. Wij moeten goed toezien met wie wij ons vergezellen, met wie wij omgaan, en op wiens hand wij steunen. Terwijl wij ons met vroom vertrouwen op God verlaten, moeten wij met voorzichtigheid op mensen vertrouwen.
2. Toen dit plan mislukte deden zij wat zij konden om hen van hun werk af te leiden en er hen in te ontmoedigen. Zij maakten hun handen slap, door hun te zeggen dat hun pogingen tevergeefs waren, noemden hen dwaze bouwers, die begonnen wat zij niet bij machte waren te voleindigen, ontroerden hen door allerlei bedekte toespelingen op rampen en onheilen, die hen er bij treffen zouden, zodat zij slechts zwaarlijk voortgingen. Allen waren er niet even ijverig in, zij, die koel en onverschillig waren, werden door deze drogredenen afgetrokken van het werk, dat hun hulp behoefde, vers 4. En omdat de Joden wel zouden vermoeden, dat wat zij-de Samaritanen-zelf zeiden, slecht bedoeld was, en er zich niet door zouden laten influenceren huurden zij heimelijk tegen hen raadslieden, die, onder voorgeven van hun ten beste te raden, hen zouden afraden om voort te gaan met het werk om aldus hun raad te vernietigen, vers 5, of wel de mannen van Tyrus en Zidon te ontraden om hun het hout te leveren, waarvoor de Joden met hen overeengekomen waren, Hoofdst. 3:7, of wel, als zij aan het Perzische hof om de een of andere schenking of gunst verzochten ingevolge van het algemene edict voor hun vrijheid, dan waren er gehuurde raadslieden daar om hen tegen te werken. Verwonder u niet over de rusteloosheid van de vijanden van de kerk in hun pogingen om de bouw van Gods huis tegen te staan, hij, wiens dienstknechten zij zijn en wiens werk zij doen, wordt niet moede van om te trekken op de aarde om kwaad te doen. En laat hen, die een goed werk tegenstaan en de handen slap maken van hen, die er in bezig zijn, zien wiens voorbeeld zij volgen.