Johannes 20:1-10
De apostelen achten het van het hoogste belang om deugdelijke bewijzen te leveren van de opstanding van hun Meester. Meer dan aan enig ander ding hebben zij zich hieraan gelegen laten liggen.
1. Omdat het datgene was, waarop Hij zelf zich beriep, als op het laatste en krachtigste bewijs, dat Hij de Messias was. Zij, die gene andere tekenen wilden geloven, werden op dit teken van den profeet Jona gewezen. En daarom hebben de vijanden zich de grootste moeite gegeven om de bekendwording er van tegen te gaan, want het was juist hierom, dat het ging, en, indien Hij was opgestaan, dan zou het blijken, dat zij niet slechts moordenaars, maar moordenaars van den Messias waren.
2. Omdat hiervan de volbrenging afhing van Zijne onderneming voor onze Verlossing en zaligheid. Indien Hij Zijn leven tot een rantsoen geeft, en het niet herneemt, dan blijkt niet, dat Zijn geven er van als ene voldoening werd aangenomen. indien Hij gevangen wordt gezet voor onze schuld, en in die gevangenis blijft, dan zijn wij verloren, 1 Corinthiërs 15:17.
3. Omdat Hij zich na Zijne opstanding nooit aan het gehele volk vertoond heeft, Handelingen 10:40, 41. Wij zouden gezegd hebben: "Laat Zijn smadelijke dood in het verborgen plaats hebben, en Zijne heerlijke opstanding in het openbaar". Maar Gods gedachten zijn niet onze gedachten, en Hij heeft verordineerd, dat Zijn dood in het openbaar, voor de zon, zou plaats hebben, in hetzelfde teken, dat de zon er haar aangezicht voor verborg. Maar de bewijzen Zijner opstanding moeten als ene gunst bewaard blijven voor Zijne bijzondere vrienden, om door hen aan de wereld bekend te worden gemaakt, opdat zij zalig zullen wezen, die niet gezien en nochtans geloofd hebben. De methode van bewijs is zodanig, dat zij volkomene voldoening en overtuiging werkt in hen, die Godvruchtiglijk genegen zijn, om de leer en de wet van Christus te ontvangen, en toch plaats tot tegenwerping laat aan hen, die moedwillig onwetend zijn, en hardnekkig zijn in hun ongeloof, zodat dit een goede toetssteen is, om er nieuw aangekomenen naar te beoordelen. In deze verzen hebben wij den eersten stap naar het bewijs van Christus' opstanding, welke hierin bestaat, dat het graf ledig werd bevonden.
Hij is hier niet, en nu moet men ons zeggen waar Hij is, of anders komen wij tot de gevolgtrekking, dat Hij is opgestaan.
I. Maria Magdalena komt tot het graf, en vindt den steen van het graf weggenomen. Deze evangelist maakt gene melding van de andere vrouwen, die Maria Magdalena hadden vergezeld, hij noemt alleen haar, omdat zij de ijverigste en voortvarendste was in dit bezoek aan het graf, en omdat in haar ook de meeste liefde uitblonk, ene liefde, die haar zeer goeden grond had in de grote dingen, die Christus voor haar gedaan had. Er was haar veel vergeven, en daarom heeft zij veel liefgehad. Zij had Hem hare genegenheid betoond, toen Hij nog in leven was, zij nam Zijne leer ter harte, zij diende Hem van hare goederen, Lukas 8:2, 3. Het blijkt niet, dat zij thans iets anders in Jeruzalem te doen had, dan Hem te dienen, want de vrouwen waren niet verplicht om op te gaan naar het feest, en waarschijnlijk heeft zij-en ook de anderen -Hem nu des te ijveriger gevolgd, zoals Elisa Elia gevolgd is, wetende, dat haar Meester weldra van haar hoofd weggenomen zou worden, 2 Koningen 2:1-6. De aanhoudende voorbeelden van haren eerbied voor Hem, bij en na Zijn dood bewijzen de oprechtheid harer liefde. Liefde tot Christus zal, zo zij van harte gemeend is, ook standvastig zijn. Hare liefde tot Christus was sterk als de dood, de dood aan het kruis, want daar stond zij bij, dien heeft zij dus aanschouwd, wreed als het graf, want zij deed haar dat graf bezoeken, zodat zij door de verschrikking er van niet teruggehouden werd.
1. Zij kwam tot het graf, om het dode lichaam te wassen met hare tranen, want zij ging naar het graf, om er te wenen, en om het te zalven met de specerijen, die zij bereid had. Het graf is een huis, waarin de mensen niet graag een bezoek afleggen. Zij, die vrij zijn onder de doden zijn afgescheiden van de levenden, en het moet ene buitengewone genegenheid zijn voor den persoon, die ons zijn graf dierbaar maakt. Inzonderheid voor de zwakke en vreesachtige sekse heeft het graf iets afschrikwekkends. Kon zij, die gene kracht genoeg had om den steen af te wentelen, aanspraak maken op zoveel kloekmoedigheid, dat zij in het graf zou durven gaan? De Joodse Godsdienst verbood hun, om meer dan noodzakelijk is, met graven of dode lichamen in aanraking te komen. Door Christus' graf te bezoeken, stelde zij zich-en wellicht ook de discipelen-er aan bloot, om verdacht te worden van de bedoeling om Hem weg te nemen. En welken wezenlijken dienst kon zij er Hem ook mede bewijzen? Maar hare liefde heeft een antwoord op deze en op duizend andere van die bedenkingen.
a. Wij moeten er ons op toeleggen om Christus te eren ook in die dingen, waarin wij Hem niet bepaald nuttig of van dienst zijn.
b. Liefde tot Christus zal de verschrikking van dood en graf voor ons wegnemen. Indien wij niet anders dan door dit sombere, duistere dal tot Hem kunnen komen, dan zullen wij, zo wij Hem liefhebben, toch geen kwaad vrezen.
2. Zij kwam zo spoedig zij kon, want zij kwam:
a. "Op den eersten dag der week", zodra de sabbat voorbij was, verlangende, niet om "leeftocht te verkopen, of koren te openen", zoals in Amos 8:5, maar om aan het graf te wezen. Zij, die Christus liefhebben, zullen de eerste gelegenheid te baat nemen, om Hem hun eerbied te betuigen. Dat was de eerste Christelijke sabbat, en dienovereenkomstig begint hij met een onderzoeken naar Christus. Den vorigen dag had zij doorgebracht met de gedachtenisviering van het werk der schepping, en daarom rustte zij, maar nu doet zij onderzoek naar het werk der verlossing, en daarom bezoekt zij Christus, en dien gekruisigd.
b. Zij kwam vroeg, als het nog duister was, zo vroeg is zij hierop uitgegaan. Zij, die Christus willen zoeken met de begeerte van Hem te vinden, moeten Hem vroeg zoeken, dat is: a. Zoek hem met bezorgdheid, met zulk een zorg, als waardoor zelfs de slaap van uwe ogen wijkt, sta vroeg op, uit vreze van Hem anders te missen. b. Zoek Hem naarstiglijk, wij moeten in onze nasporing van Christus ons zelven verloochenen, ook in onze rust.
c. Zoek Hem bij tijds, vroeg in onze dagen, vroeg op iedere n dag. Des morgens zult Gij mijne stem horen. Er is veel waarschijnlijkheid voor, dat de dag goed zal eindigen, die op deze wijze wordt begonnen. Zij, die naarstiglijk naar Christus vragen, als het nog duister is, zullen een licht over Hem ontvangen, dat voortgaande en lichtende zal zijn tot den vollen dag toe. 3. Zij bevond, dat de steen, dien zij tegen de deur des grafs had zien wentelen, weggenomen was. Dit nu was:
a. Ene verrassing voor haar, want zij had dit niet verwacht. Christus gekruist is de Fontein des levens. Zijn graf is een der fonteinen des heils, als wij in het geloof er toe naderen, hoewel het voor een vleselijk hart ene geslotene bron is, zullen wij er den steen toch van afgewenteld zien, Genesis 29:10, en zullen wij vrijen toegang hebben tot de vertroosting er van. Verrassende vertroostingen zijn de veelvuldige bemoedigingen van hen, die vroeg zoeken.
b. Het was het begin van ene heerlijke ontdekking, de Heere was opgestaan, hoewel zij dit niet terstond begreep. Zij, die Christus het standvastigst aankleven, en het naarstigst zijn in hun zoeken van, en vragen naar Hem, zullen gewoonlijk de eerste en liefelijkste bekendmakingen hebben van de Goddelijke genade. Maria Magdalena, die Christus tot het laatst gevolgd is in Zijne vernedering, heeft Hem het eerst ontmoet in Zijne verhoging. b. Gewoonlijk zal God zich zelven en Zijne vertroostingen trapsgewijze aan ons openbaren, ten einde onze verwachtingen op te wekken, en ons aan te moedigen in ons zoeken.
II. Den steen afgewenteld ziende, haast zij zich terug tot Petrus en Johannes, die waarschijnlijk in dat deel der stad te zamen ene woning hadden gevonden, niet ver weg, en geeft er hun kennis van. Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf -Hem de ere niet gunnende van zo eervol een graf, en wij weten niet waar zij Hem gelegd hebben, noch waar Hem te vinden, om Hem onze laatste ere te kunnen bewijzen. Merk hier op:
1. Welk een denkbeeld Maria nu nog van de zaak had, zoals zij zich aan haar voordeed. Zij vond den steen weggenomen, zag in het graf, en bemerkte, dat het ledig was. Nu zou men verwacht hebben, dat hare eerste gedachte moest wezen: Voorzeker is de Heere opgestaan, want telkenmale, als Hij hun gezegd had, dat Hij gekruisigd moest worden, hetgeen zij nu vervuld heeft gezien, heeft Hij er als in een adem bijgevoegd, dat Hij ten derden dage weer op zou staan. Kon zij de grote aardbeving hebben gevoeld, die plaats had, toen zij naar het graf ging, of zich gereed maakte om er heen te gaan, en nu het graf ledig zien, zonder dat er ene gedachte aan de opstanding bij haar opkwam? Hoe! gene gissing, geen vermoeden hiervan? Dat schijnt wel zo volgens hare vreemdsoortige verklaring van het wegnemen van den steen, die wel zeer gezocht was. Als wij nadenken over ons doen, ons gedrag ten dage der wolke en der donkerheid, dan zullen wij verbaasd staan over onze stompzinnigheid en onze vergeetachtigheid, zo dat wij niet gedacht hebben aan hetgeen later toch zo duidelijk was, en hoe die gedachte zo verre van ons bleef, toen wij er toch zo grote behoefte aan hadden. Zij oppert het denkbeeld: Zij hebben den Heere weggenomen, hetzij de hogepriesters, om Hem in ene slechtere plaats neer te leggen, of wel Jozef en Nicodemus hebben bij nader bedenken, Hem weggenomen, ten einde de kwaadwilligheid der Joden te voorkomen. Wat zij nu ook dacht of vermoedde, het schijnt haar grotelijks gekweld en ontroerd te hebben, dat het lichaam weg was, terwijl toch, indien zij de zaak slechts recht begrepen had, niets heerlijker of gelukkiger kon zijn. Zwakke gelovigen klagen dikwijls over hetgeen in werkelijkheid juist een grond van hope, en ene oorzaak van blijdschap voor hen is. Wij zuchten en kermen, omdat ons deze of gene geriefelijkheid, dit of dat aards genot ontnomen is, en wij weten niet hoe het verlies te herstellen, terwijl toch het wegnemen van die tijdelijke genietingen, waarover wij zo treuren, slechts dienen moet om onze geestelijke vertroostingen te doen herleven, waarin wij ons behoren te verblijden. 2. Welk een verhaal zij er van deed aan Petrus en Johannes. Zij bleef niet staan om op haar eigen leed te staren, maar maakt het bekend aan hare vrienden. De mededeling van smart is een goed gebruik maken van de gemeenschap der heiligen. Merk op, dat Petrus, hoewel hij zijn Meester had verloochend, zijns Meesters vrienden toch niet had verlaten, waaruit de oprechtheid blijkt van zijn berouw, daar hij omgang bleef hebben met den discipel, dien Jezus liefhad. En dat de discipelen, in weerwil van zijn val, even gemeenzaam met hem bleven verkeren als te voren, leert ons, om hen, die door enige misdaad overvallen zijn, met den geest der zachtmoedigheid te recht te brengen. Indien God hen, op hun berouw, heeft aangenomen, waarom zouden wij hen dan niet ook aannemen?
III. Petrus en Johannes gaan in allerijl naar het graf, om zich te overtuigen van de waarheid van hetgeen hun meegedeeld werd, en te zien. of zij ook iets meer hieromtrent kunnen ontdekken, vers 3, 4. Sommigen denken, dat ook de andere discipelen bij Petrus en Johannes waren, toen zij die tijding ontvingen, want zij boodschapten al deze dingen aan de elven, Lukas 24:9. Anderen denken, dat Maria Magdalena alleen aan Petrus en Johannes hare mededeling deed, en dat de andere vrouwen het aan de andere discipelen hebben verhaald, maar niemand van hen is naar het graf gegaan, behalve Petrus en Johannes, die twee van de eerste drie van Christus' discipelen zijn geweest, en dikwijls door bijzondere gunsten boven de anderen onderscheiden werden. Het is goed, dat zij, die meer dan anderen geëerd worden met de voorrechten van discipelen, ook meer dan anderen werkzaam zijn in den plicht van discipelen, meer bereid om zich moeite te getroosten en zich voor een goed werk aan gevaar bloot te stellen.
1. Zie hier welk gebruik wij behoren te maken van de ervaring en opmerking van anderen. Toen Maria hun zei wat zij gezien had, hebben zij haar woord in dien zin niet willen aannemen, maar zij wilden heengaan om uit hun eigene ogen te zien. Spreken anderen ons over de vertroosting en de nuttigheid der inzettingen? Laat dit ons opwekken om ze zelven te gaan beproeven. Kom en zie, hoe goed het is tot God te genaken.
2. Zie ook hoe bereid wij moeten wezen, om in de zorgen en de vrees onzer vrienden te delen. Petrus en Johannes haastten zich naar het graf, ten einde in staat te zijn om aan Maria een geruststellend antwoord te geven. Wij moeten gene moeite ontzien om de zwakke en vreesachtige volgelingen van Christus te ondersteunen en te vertroosten.
3. Zie hoe wij ons moeten haasten voor een goed werk, en als wij op ene goede boodschap uit zijn. Petrus en Johannes zijn noch met hun gemak, noch met hun deftigheid te rade gegaan, maar liepen, zo hard zij konden, naar het graf, zij wilden geen tijd verliezen, en zo toonden zij de kracht van hun ijver en van hun liefde. Als wij in den weg van Gods geboden zijn, dan moeten wij er met versnelden stap op voortgaan.
4. Zie hoe goed het is, om voor een goed werk in goed gezelschap te zijn. Wellicht zou geen dezer discipelen zich alleen naar het graf gewaagd hebben, maar te zamen zijnde, vonden zij er geen bezwaar in, Prediker 4:9.
5. Zie welk een lofwaardige wedijver er is onder de discipelen, hoe zij er naar streven om uit te munten in hetgeen goed is. Het was in Johannes gene ongemanierdheid om Petrus voorbij te lopen, hoewel hij de jongste was, en dus voor hem aan te komen. Wij moeten ons best doen, en noch afgunstig zijn op hen, die beter doen, noch diegenen minachten, die doen zo goed als zij kunnen, al komen zij dan ook achteraan.
a. Hij, die in dezen wedloop de voorste was, was de discipel, dien Jezus liefhad op bijzondere wijze, en die daarom ook op bijzondere wijze Jezus liefhad. De bewustheid van Christus' liefde voor ons, die wederliefde voor Hem in ons ontsteekt, zal ons doen uitmunten in deugd. De liefde van Christus zal ons, meer dan enig ander ding, dringen, om overvloedig te zijn in plichtsbetrachting.
b. Hij, die achterbleef, was Petrus, die zijn Meester had verloochend, en daarover in droefheid en schaamtegevoel was, en dit drukte op hem als een zwaar gewicht en belemmerde hem in zijn voortgang. Schuldgevoel verstijft ons, en belemmert onze ontwikkeling en verruiming in den dienst van God. Als het geweten beledigd is, dan nemen wij af.
IV. Bij het graf gekomen, zetten Petrus en Johannes het onderzoek voort, maar komen toch niet veel verder in de ontdekking.
1. Johannes ging niet verder dan Maria Magdalena gegaan was.
a. Hij had de nieuwsgierigheid om in het graf te zien, en zag, dat het ledig was. Hij bukte neer. Zij, die de kennis van Christus willen vinden, moeten neder bukken en zien, moeten met een nederig hart zich onderwerpen aan het gezag der Goddelijke openbaring, moeten zien met ernst.
b. Maar hij had geen moed om in het graf te gaan. De warmste genegenheid gaat niet altijd gepaard met het stoutmoedigste besluit, velen zijn vaardig om den wedloop van den Godsdienst te lopen, die toch niet kloek en sterk zijn om er den strijd voor te strijden.
2. Petrus, hoewel het laatst aangekomen, ging toch het eerst in het graf, en heeft toen ene nauwkeuriger ontdekking gedaan dan Johannes, vers 6, 7. Hoewel Johannes hem vooruit was gelopen, is Petrus daarom toch niet teruggekeerd, of blijven staan, maar ging hem zo snel hij kon achterna, en terwijl Johannes nu met grote voorzichtigheid naar binnen keek, kwam hij, en ging met groten moed in het graf.
a. Let hier op de kloekmoedigheid van Petrus, en hoe God Zijne gaven onderscheidenlijk verdeelt. Johannes kon Petrus overtreffen in snelheid, maar Petrus kon Johannes overtreffen in kloekmoedigheid. Het is van dezelfde personen zelden waar, wat David op dichterlijke wijze van Saul en Jonathan gezegd heeft, dat zij lichter waren dan arenden, en ook sterker dan leeuwen, 2 Samuël 1:23. Sommige discipelen zijn vaardig en vlug, en zijn nuttig om hen aan te vuren en aan te wakkeren, die traag en langzaam zijn. Anderen zijn stoutmoedig, en bewijzen daarmee goede diensten om de vreesachtigen een hart onder den riem te steken.
Er is verscheidenheid van gaven, doch het is dezelfde Geest Dat Petrus zich in het graf waagde kan ons leren: a. Dat zij, die in allen ernst Christus zoeken, zich niet bang moeten laten maken door de schrikbeelden ener ijdele verbeelding, zoals: Er is een leeuw op den weg, of er is een spook in het graf. b. Dat goede Christenen voor het graf niet behoeven te vrezen, daar Christus er toch in gelegen heeft, want voor hen is er niets verschrikkelijks in, het is niet de kuil des verderfs, en de wormen, die er in zijn, zijn gene wormen, die niet sterven. Laat ons dus niet toegeven aan de vrees, die ons allicht bekruipt op het zien van een dood lichaam, of als wij ons alleen bevinden onder de graven, laat ons veeleer die vreze overwinnen, en daar wij weldra dood en in het graf zullen zijn, zo laten wij gemeenzaam zien te worden met het graf, als na aan ons verwant, Job 17:14.
c. Wij moeten bereid zijn om door het graf tot Christus te gaan, door dien weg ging Hij naar de heerlijkheid, en dien weg hebben wij ook te gaan om daar te komen. Indien wij Gods aangezicht niet kunnen zien en leven, dan is het beter te sterven dan het nooit te zien. Zie Job 19:25 en verder.
b. Let er op hoe hij de dingen in het graf vond. a. Christus had Zijne grafklederen afgelegd en ze achter gelaten. In welk gewaad Hij aan Zijne discipelen is verschenen, wordt ons niet gezegd, maar nooit is Hij in Zijne grafklederen verschenen, zoals men zich dat van geesten, of spoken, voorstelt, neen, Hij heeft ze afgelegd.
Ten eerste. Omdat Hij is opgestaan, om nooit weer te sterven, de dood zou over Hem niet meer heersen, Romeinen 6:9. Lazarus kwam uit met zijne grafklederen aan, want hij zal die wederzien, maar Christus, opgestaan zijnde tot een onsterfelijk leven, kwam uit, vrij en ontdaan van deze belemmeringen.
Ten tweede. Omdat Hij bekleed stond te worden, met de klederen der heerlijkheid, en dus legt Hij nu deze lompen af, in het hemelse paradijs zal er niet meer behoefte zijn aan klederen, dan er in het aardse paradijs behoefte aan was. De ten hemel varende profeet, liet zijn mantel vallen.
Ten derde. Als wij opstaan van den dood der zonde tot het leven der gerechtigheid, dan moeten wij onze grafklederen achterlaten, al ons bederf afleggen.
Ten vierde. Christus heeft ze in het graf achtergelaten, voor ons gebruik, als het ware, indien het graf voor de heiligen een bed is, dan heeft Hij aldus dit bed van lakens voorzien, en het voor hen gereed gemaakt. En de zweetdoek, die in het bijzonder in ene andere plaats samengerold was, kan de treurende overblijvenden dienen, om hun tranen af te wissen. b. De grafklederen werden in zeer goede orde gevonden, hetgeen een bewijs is, dat Zijn lichaam niet gestolen was terwijl de wachters sliepen. Het is wel bekend, dat de berovers van graven de klederen wegnamen, maar de dode lichamen achterlieten, maar (voor dat de praktijken der hedendaagse lijkenrovers in zwang kwamen) heeft geen hunner ooit het lichaam weggenomen en de klederen laten liggen, vooral niet als zij uit nieuw en fijn linnen bestonden, Markus 15:46. Iedereen zou een dood lichaam liever in zijne klederen dan naakt wegdragen. Of, indien zij, die men veronderstelde het lichaam gestolen te hebben, de grafklederen al achtergelaten hadden, dan zouden zij toch den tijd niet gehad hebben, om ze eerst netjes op te vouwen.
c. Zie hoe Petrus' kloekmoedigheid Johannes heeft bemoedigd, nu waagde hij het om ook naar binnen te gaan, vers 8, en geloofde, geloofde niet slechts wat Maria had gezegd, n.l. dat het lichaam weg was (hij kon wel niet anders dan geloven wat hij zag), maar hij begon te geloven, dat Jezus weder opgestaan was ten leven, hoewel zijn geloof nu nog zwak en wankelend was. a. Johannes volgde Petrus in zijn waagstuk. Het schijnt wel, dat hij het graf niet had durven binnengaan, indien Petrus er niet eerst ingegaan was. Het is goed om door den moed van anderen tot een goed werk te worden aangemoedigd. De vrees voor moeilijkheid en gevaar zal weggenomen worden door op de kloekheid en beslistheid van anderen te zien. Wellicht heeft Johannes' vlugheid Petrus des te sneller doen lopen, en nu maakt Petrus' stoutmoedigheid, dat Johannes zich verder waagt, dan anders de een en den ander gedaan zouden hebben. Hoewel Petrus kortelings onder de schande was gekomen van een deserteur te zijn, en Johannes bevorderd was tot de ere van een vertrouweling te wezen, daar Christus Zijne moeder aan hem had toevertrouwd, heeft Johannes zich toch niet slechts met Petrus vergezeld, maar het zelfs gene oneer geacht hem te volgen. b. Toch schijnt het wel, dat Johannes Petrus vooruit was in geloven. Petrus zag en verwonderde zich, Lukas 24:12, maar Johannes zag en geloofde. Een gemoed, dat tot overdenking gestemd is, zal wellicht spoediger de bewijzen der Goddelijke waarheid bespeuren en aannemen dan een gemoed dat tot handelend optreden dringt. Maar wat was de reden, dat zij zo traag van hart waren om te geloven? De evangelist zegt het ons, vers 9:Zij wisten nog de Schrift niet, dat is: wat zij van de Schrift wisten, hebben zij niet overdacht, niet toegepast, er geen gebruik van gemaakt, om te weten, dat Hij weer op moest staan van de doden. Het Oude Testament sprak van de opstanding van den Messias, Hij zelf had hun dikwijls gezegd, dat Hij, overeenkomstig de Schriften van het Oude Testament, weder opstaan zou, maar zij hadden gene tegenwoordigheid van geest genoeg, om daarin de verklaring te vinden van hetgeen zij nu zagen. Merk hier op. Ten eerste. Hoe onbekwaam de discipelen zelven in het eerst geweest zijn om de opstanding van Christus te geloven, waardoor het getuigenis, dat zij er later met zo volle verzekerdheid van gegeven hebben, bevestigd wordt, want door hun traagheid en aarzeling om haar te geloven, blijkt ten duidelijkste, dat zij hieromtrent niet lichtgelovig waren, noch dat zij behoord hebben tot die onnozele lieden, die alles wat men hun zegt, dadelijk geloven. Indien zij de bedoeling hadden gehad er hun eigene belangen mede te bevorderen, dan zouden zij gretig op den eersten schijn van bewijs zijn aangevallen, elkanders verwachting er van hebben opgewekt en gesteund en het hart hunner volgelingen er op hebben voorbereid om er de tijding van te ontvangen. Maar wij bevinden, integendeel, dat zij teleurgesteld waren in hun hoop, het was voor hen ene vreemde zaak, waaraan zij in de verste verte niet gedacht hebben. Petrus en Johannes hadden in het begin zulk een schroom om het te geloven, dat niets minder dan de overtuigendste blijken en bewijzen er van, er hen toe kon brengen om er later uit zo volle overtuiging van te spreken, en er met zoveel zekerheid getuigenis van af te leggen. Hieruit blijkt, dat zij niet slechts eerlijke en oprechte lieden waren, die anderen niet wilden bedriegen, maar ook voorzichtige lieden, die zich zelven niet lieten bedriegen. Ten tweede. Wat de reden was van hun traagheid om te geloven, namelijk, dat zij de Schrift nog niet wisten. Dat schijnt de erkenning te zijn van den evangelist van zijn eigen gebrek. Hij zegt niet: "Want Jezus was hun nog niet verschenen, had hun Zijne handen en Zijne zijde nog niet getoond" maar Hij had hun verstand nog niet geopend, opdat zij de Schriften verstonden, Lukas 24:44, 45, want dat is hel profetische woord, dat zeer vast is.
3. Petrus en Johannes hebben hun onderzoek niet verder voortgezet, maar bleven zweven tussen geloof en ongeloof, vers 10. De discipelen dan gingen -niet veel wijzer dan te voren-wederom naar huis -pros heautous naar hun vrienden en metgezellen, de overige discipelen in hun eigene woning, want huizen hadden zij te Jeruzalem niet. Zij gingen heen
a. Uit vreze van gevangen genomen te worden op de verdenking van het lichaam te willen stelen, of van hiervan beschuldigd te worden, nu het lichaam er niet meer was. In plaats van hun geloof te versterken, is hun zorge slechts betreffende hun veiligheid. In moeilijke en gevaarvolle tijden is het zelfs voor Godvruchtigen bezwaarlijk, om met de vastberadenheid, die hun betaamt, hun werk voort te zetten. b. Omdat zij in verlegenheid waren, niet wetende, wat zij nu doen moesten, of wat zij hadden te denken van hetgeen zij gezien hadden. Geen moed hebbende om bij het graf te blijven, besluiten zij, om naar huis te gaan, en te wachten totdat God hun dit zou openbaren, hetgeen nog een blijk is van hun zwakheid.
c. Waarschijnlijk waren de overige discipelen bij elkaar, tot hen keren zij weer, om bericht te geven van hetgeen zij ontdekt hadden, en met hen te beraadslagen wat nu verder te doen. Waarschijnlijk hebben zij toen hun bijeenkomst vastgesteld voor des avonds, als wanneer Christus tot hen is gekomen. Het is opmerkelijk, dat, voordat Petrus en Johannes aan het graf kwamen, een engel daar verschenen was, den steen afgewenteld, de wacht verschrikt en de vrouwen vertroost had. Zodra zij van het graf weggegaan waren, ziet Maria Magdalena twee engelen in het graf, vers 12, terwijl toch Petrus en Johannes naar het graf komen, er in gaan, en gene engelen zien. Wat zullen wij hiervan denken? Waar waren de engelen, toen Petrus en Johannes aan het graf waren, de engelen, die er voor en daarna verschenen zijn? a. Engelen verschijnen en verdwijnen naar welgevallen, overeenkomstig de orders en instructies, die hun gegeven zijn. Zij kunnen wezen, en zijn ook werkelijk, op plaatsen, waar zij niet zichtbaar zijn, ja, het schijnt, dat zij zichtbaar kunnen wezen voor den een, en niet voor den ander, en dat wel op hetzelfde ogenblik, Numeri 22:23, 2 Koningen 6:17. Het is verwaandheid in ons om te willen onderzoeken, hoe zij zich zichtbaar maken, en dan onzichtbaar, en dan wederom zichtbaar, maar dat zij het doen, blijkt duidelijk uit dit verhaal. b. Deze gunst werd betoond aan hen, die vroeg en voortdurend naar Christus gezocht hebben, en was de beloning voor hen, die het eerst kwamen en het laatst bleven, maar werd ontzegd aan hen, die er slechts een kort, vluchtig bezoek brachten.
c. De apostelen moesten hun instructies niet van engelen ontvangen, maar van den Geest der genade. Zie Hebreeën 2:5.