Richteren 9:7-21
Wij hebben hier het enige getuigenis, dat tegen het goddeloos verbond van Abimelech en de burgers van Sichem schijnt te zijn ingebracht. Het was een teken, dat zij God er toe gebracht hadden van hen te wijken, dat hun noch een profeet werd gezonden, noch enigerlei zwaar oordeel over hen kwam, om dit verstompte volk te doen ontwaken en de voortgang van dit dreigende kwaad te stuiten. Alleen Jotham, Gideons jongste zoon, die door een bijzondere bewaring van Gods voorzienigheid aan het algemeen verderf van zijn geslacht is ontkomen, vers 5, heeft oprecht met de Sichemieten gehandeld, en zijn rede, die hier vermeld wordt, doet hem kennen als een man van zo grote wijsheid en vernuft, en van zo'n edel karakter, dat wij er nog te meer de val van Gideons zonen om betreuren. Jotham heeft niet gepoogd uit de andere steden Israëls een leger op de been te brengen (dat hem, naar men zou denken, wèl had moeten gelukken om zijns vaders wil) teneinde de dood van zijn broeders te wreken, en nog veel minder om zich als mededinger van Abimelech op te werpen, zó ongegrond was de bewering van overweldigers, dat de zonen van Gideon naar die heerschappij stonden, vers 2, maar stelt zich tevreden met een getrouwe bestraffing te geven aan de Sichemieten, en hen te waarschuwen voor de noodlottige gevolgen. Hij kreeg gelegenheid om tot hen te spreken van de hoogte van de berg Gerizim, de berg van de zegeningen, aan de voet waarvan de Sichemieten waarschijnlijk voor de een of andere gelegenheid bijeenvergaderd waren, Josephus zegt om een feest te vieren, en zij schenen gewillig om te horen wat hij hun te zeggen had.
I. Zijn inleiding is hoog ernstig, vers 7. "Hoort naar mij, gij burgers van Sichem, opdat God naar u hore. Zo gij ooit hoopt Gods gunst te verkrijgen en door Hem aangenomen te worden, zo verleent mij een geduldig en onpartijdig gehoor." Zij, die wensen dat God hun gebed zal horen, moeten bereid zijn om naar rede te horen, naar een getrouwe bestraffing luisteren, en de klachten aan te horen van de onschuldigen, aan wie onrecht gedaan is. "Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn," Spreuken 28:9.
II. Zijn gelijkenis is zeer vernuftig-dat toen de bomen geneigd waren zich een koning te verkiezen, de regering aangeboden werd aan de waardevolle bomen, aan de olijfboom, de vijgeboom en de wijnstok, maar zij weigerden haar aan te nemen, veeleer willende dienen dan heersen, goed te doen dan heerschappij te voeren. Maar hetzelfde aanbod gedaan zijnde aan de doornenbos, heeft hij het met opgeblazenheid en vreugde aangenomen. De manier om door gelijkenissen te onderwijzen is zeer oud en zeer nuttig, inzonderheid om er bestraffing door te geven.
1. Hij roemt hiermede de edele bescheidenheid van Gideon, en de andere richters, die vóór hem geweest zijn, en misschien van de zonen van Gideon, die de grootheid en macht van koningen hebben afgewezen, toen zij die hadden kunnen ontvangen. Hij toont ook aan, dat het in het algemeen de gezindheid is van alle wijze en Godvruchtige mannen om bevordering te weigeren, en liever nuttig dan groot en voornaam te zijn.
A. Het was voor de bomen in het geheel niet nodig om een koning te verkiezen, zij zijn allen "de bomen des Heeren, die Hij geplant heeft," Psalm 104:16, en die Hij bijgevolg zal beschermen. En evenmin had Israël het nodig om te spreken van een koning over zich aan te stellen, want de Heere was hun Koning. B. Toen zij er aan dachten een koning over zich aan te stellen, hebben zij aan de statige ceder de regering niet aangeboden, ook niet aan de hoge pijnboom, want deze zijn slechts fraai van aanzien en geven slechts schaduw, maar anders zijn zij niet nuttig vóór zij omgehakt zijn, maar aan vruchtbomen de wijnstok en de olijfboom. Zij, die vrucht dragen voor het algemene welzijn, worden terecht geacht en geëerd door allen, die wijs zijn, meer dan zij, die slechts een fraaie of grootse vertoning maken. Voor een goed en nuttig man zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven.
C. De reden, die al deze vruchtbomen gaven voor hun weigering, was ongeveer dezelfde. De olijfboom voert aan, vers 9. Zou ik mijn vettigheid verlaten? En de wijnstok, vers 13 zou ik mijn most verlaten, waarmee beide God en de mens geëerd en gediend worden? Want olie en wijn werden gebruikt, beide op Gods altaar en op de tafel van de mensen. En zou ik mijn zoetigheid en mijn goede vrucht verlaten, zegt de vijgeboom, vers 11, om te zweven over de bomen? of zoals de Kanttekening het heeft, om op en neer te gaan voor de bomen? Hiermede wordt te kennen gegeven:
a. Dat de regering zeer veel moeite en zorg meebrengt voor de mens, hij die over de bomen heerst, moet op en neer voor hen gaan, zich voor hen uitsloven.
b. Dat zij die bevorderd worden tot een openbaar ambt en het uitoefenen van macht, het besluit moeten nemen, om alle eigen belangen en voordelen te laten varen, ze op te offeren aan het algemene welzijn. De vijgeboom moet zijn zoetigheid verlaten, zijn lieflijke afzondering, zijn zoete rust, zijn zoete gesprekken en zijn bespiegeling of bepeinzing als hij over de bomen moet gaan zweven, onophoudelijke vermoeienis moet doorstaan.
c. Dat zij, die tot hoge eer en waardigheid bevorderd worden, groot gevaar lopen van hun vettigheid te verliezen en hun vruchtbaarheid. Bevordering maakt de mens allicht hoogmoedig en traag, en dat bederft zijn nuttigheid, waarmee hij in een lagere sfeer God en de mens geëerd heeft. Daarom zijn zij, die begeren goed te doen, bevreesd om al te groot te wezen.
2. Hiermede stelt hij de bespottelijke eerzucht ten toon van Abimelech, die hij vergelijkt bij het doornbos, of de distel, vers 14. Hij veronderstelt dat het aanzoek van de bomen tot hem is uitgegaan, Kom gij, wees koning over ons, omdat hij misschien niet wist dat het voorstel tot Abimelechs verheffing van hemzelf gekomen is, zoals wij gezien hebben, vers 2, maar dacht dat de Sichemieten hem het voorstel gedaan hebben, en al was dit dan zo, dan nog verdiende zijn dwaasheid in het aan te nemen, aan de kaak te worden gesteld. De doornenbos, een waardeloze plant, die niet onder de bomen moet geteld worden, nutteloos en zonder vrucht, ja schadelijk en hinderlijk, krabbende en scheurende, en kwaad doende, hij begon met de vloek, en zijn einde is verbrand te worden. Zo was Abimelech, en hij is toch gekozen om over de bomen te heersen, gekozen door al de bomen, deze verkiezing schijnt meer eenparig geweest te zijn dan de anderen. Laat ons het niet vreemd toeschijnen, als wij "een dwaas in grote hoogheden gezet zien," Prediker 10:6, en "de snoodsten van des mensen kinderen verhoogd worden," Psalm 12:9, en de mensen blind zijn voor hun eigen belangen in de keus van hun leidslieden. De doornenbos tot koning verkozen zijnde, neemt hij geen tijd om zich te bedenken of hij die waardigheid al of niet zal aannemen, maar, alsof hij geboren en opgevoed was voor de regering, gaat hij terstond aan het bluffen en snoeven en verzekert hun, dat zij hem zullen vinden zoals hij hen vond. Zie met wat opgeblazen ijdelheid hij spreekt, vers 15, welke beloften hij doet aan zijn onderdanen-laat hen komen en zich vertrouwen onder zijn schaduw, een fraaie schaduw om zich onder te vertrouwen! Hoe weinig gelijk aan de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land! waarmee een goed magistraat wordt vergeleken, Jesaja 32:2. Vertrouwen onder zijn schaduw! Zij zullen er meer waarschijnlijk geschaad dan beweldadigd worden. Aldus roemen de mensen zich over een valse gift, maar hij dreigt met evenveel stoutmoedigheid, als hij belooft. Zo gij niet getrouw zijt zo ga vuur uit de doornenbos, wel iets zeer onwaarschijnlijks dat er vuur zal uitgaan van een doornenbos! en vertere de cederen van de Libanon! Het is meer waarschijnlijk, dat hij zelf vuur zal vatten, en zelf verteerd zal worden.
III. De toepassing is juist en duidelijk. Daarin:
1. Herinnert hij hen aan de vele goede diensten, die zijn vader hun bewezen had, vers 17. Hij heeft met gevaar van zijn eigen leven hun strijd gestreden, tot hun onuitsprekelijk voordeel en welzijn. Het was schande, dat het nodig was hen er aan te herinneren.
2. Hij verzwaart hun ondankbaarheid en onvriendelijkheid jegens het huis van zijn vader, zij hebben hem niet gedaan naar de verdienste van zijn handen, vers 16. Grote verdiensten worden dikwijls zeer slecht vergolden, inzonderheid aan het nageslacht, als de weldoener vergeten is, zoals Jozef vergeten werd door de Egyptenaren. Gideon had vele zonen nagelaten, die een eer waren voor zijn naam en geslacht, en deze hadden zij wreedaardig vermoord. Een zoon had hij nagelaten, die de schandvlek was van zijn naam en geslacht want hij was de zoon van zijn dienstmaagd, die allen, die enige eerbied hadden voor Gideons eer, zouden willen verbergen, maar deze hebben zij tot hun koning gemaakt. Met die beide handelingen hebben zij Gideon de uiterste smaadheid aangedaan.
3. Hij laat het nu over aan de uitkomst van de gebeurtenis om te beslissen of zij wèl gedaan hadden, en daarmee stelt hij de zaak in Gods handen.
a. Indien het hun lang goed ging in deze eerloosheid, dan stond hij hun toe te zeggen, dat zij wèl gedaan hebben, vers 19. "Indien uw gedrag tegenover het huis van Gideon voor gerechtigheid, eer en geweten bestaan kan, zo moge u uw koning veel geluk aanbrengen." Maar,
b. Indien zij laag en goddeloos in de zaak hadden gehandeld-en dies was hij zeker-zo laat hen niet denken voorspoed te zullen hebben, vers 20. Abimelech en de Sichemieten, die elkaars handen voor deze goddeloosheid hadden gesterkt, zullen elkaars verderf en ondergang zijn. Laat niemand kwaad doen en verwachten wel te zullen varen.
Nadat Jotham de Sichemieten deze vermaning had toegediend, is hij er in geslaagd te ontkomen, vers 21, hetzij dat zij hem niet konden bereiken, of dat zij in zoverre tot overtuiging waren gekomen, dat zij de schuld van zijn bloed te storten niet aan al hun overige schuld wilden toevoegen. Maar uit vrees voor Abimelech leefde hij ergens in een afgelegen deel van het land in ballingschap. Zij, wier afkomst en opvoeding nog zo hoog zijn, weten niet in welke moeilijke omstandigheden zij nog komen kunnen.