Markus 10:32-45
Hier is:
I. Christus' voorzegging van Zijn eigen lijden, deze snaar werd dikwijls door Hem aangeroerd, hoewel zij den discipelen onaangenaam en wanluidend in de oren klonk.
1. Zie hoe kloekmoedig Hij was. Toen zij opgingen naar Jeruzalem, ging Jezus voor hen, als de overste leidsman onzer zaligheid, die nu door lijden geheiligd werd, vers 32. Aldus betoonde Hij zich ijverig om met Zijne onderneming voort te varen, zelfs toen Hij aan het zwaarste en moeilijkste deel er van gekomen was. Nu de tijd nabij was, zei Hij: Zie, ik kom, zo ver was Hij er vandaan om terug te willen gaan, dat Hij meer dan ooit zich strekte naar hetgeen voor was. Jezus ging voor hen, en zij waren verbaasd. Zij begonnen nu te bedenken welk onmiddellijk gevaar zij tegemoet gingen terwijl zij naar Jeruzalem reisden, hoe kwaadwillig het sanhedrin, dat daar zetelde, jegens hun Meester en hen zelven gestemd was, en zij beefden bij de gedachte hieraan. Om hen dus te bemoedigen, ging Jezus voor hen.
Komt, zegt Hij, gij zult u toch voorzeker wel willen wagen heen te gaan, waar uw Meester heengaat? Als wij bemerken, dat lijden over ons komen zal, dan is het bemoedigend onzen Meester voor ons uit te zien gaan. Of: Hij ging voor hen en daarom waren zij verbaasd. Zij bewonderen de kloekmoedigheid en blijmoedigheid, waarmee Hij snel voortging, hoewel Hij wist dat Hij ging lijden en sterven. Christus' moed en standvastigheid, waarmee Hij het werk onzer verlossing volbracht heeft, zijn en zullen altijd blijven het wonder voor al Zijne discipelen.
2. Zie hoe vreesachtig en lafhartig Zijne discipelen waren. Hem volgende, waren zij bevreesd, bevreesd voor zich zelven, daar zij gevaar duchtten voor zich zelven, en terecht hadden zij zich moeten schamen om aldus bevreesd te zijn. De kloekmoedigheid huns Meesters had hen moeten bemoedigen.
3. Zie de methode, die Hij gebruikte om hun vrees tot zwijgen te brengen. Hij legde er zich niet op toe om de zaak beter voor te stellen dan zij was, noch hen te vleien met de hoop, dat Hij den storm wel zou ontkomen, maar Hij zei hun wederom wat Hij hun reeds dikwijls tevoren gezegd had, de dingen, die Hem overkomen zouden. Hij wist er het ergste van, en daarom ging Hij zo kloekmoedig voorwaarts, en Hij wilde er ook hen het ergste van doen weten. Komt, vreest niet, want:.
a. Het is niet te verhelpen, de zaak is besloten en kan niet vermeden worden.
b. Het is alleen de Zoon des mensen, die lijden zal, hun tijd van lijden was nog niet gekomen, thans zal Hij voor hun veiligheid zorgen.
b. Hij zal weder opstaan, het gevolg van Zijn lijden zal voor Hem zelven heerlijk wezen, en voordelig voor al de Zijnen, vers 33, 34. De bijzonderheden van Christus' lijden zijn hier uitvoeriger voorzegd dan in al de andere voorzeggingen. -Hij zal eerst door Judas den overpriesters en schriftgeleerden overgeleverd worden, zij zullen Hem ter dood veroordelen, maar de macht niet hebbende om Hem ter dood te brengen, zullen zij Hem den heidenen overleveren, aan de Romeinse overheden, en zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden. Christus heeft niet slechts volkomen Zijn eigen dood voorzien, maar ook de verzwarende omstandigheden er van, en toch ging Hij hem kloekmoedig tegen.
II. De bestraffing, die Hij gaf aan twee van Zijne discipelen wegens hun eerzuchtig verzoek. Hetzelfde verhaal hebben wij gehad in Mattheus 20:20. Alleen wordt daar gezegd, dat hun moeder hun verzoek tot Hem bracht, hier wordt gezegd dat zij het zelf deden: zij leidde hen in en stelde hun verzoek voor en ondersteunde het, stemde er mede in. Gelijk er, van den enen kant, mensen zijn, die van Christus' bemoediging in het gebed geen gebruik maken, zo zijn er van den anderen kant die er misbruik van maken. Hij heeft gezegd: Bid, en u zal gegeven worden, en het is een prijzenswaardig geloof om te vragen om de grote dingen, die Hij beloofd heeft. Maar in deze discipelen was het zondige aanmatiging om aan hun Meester zulk een grenzenlozen eis te stellen: Wij wilden wel, dat Gij ons deed, zo wat wij begeren zullen. Wij doen veel beter met aan Hem over te laten aan ons te doen wat Hij goed voor ons acht, en Hij zal meer doen dan wij kunnen begeren, Efeze 3:20. Wij moeten voorzichtig zijn in het doen van algemene beloften. Christus wilde zich niet verbinden voor hen te doen al wat zij zouden begeren, maar wilde eerst weten wat het was, dat zij begeerden, Wat wilt gij, dat Ik u doe? Hij wilde dat zij hun verzoek zouden uitspreken, opdat zij er zich over zouden schamen. Velen zijn verstrikt geworden door valse denkbeelden omtrent Christus' koninkrijk, alsof het van deze wereld ware en gelijk aan de koninkrijken van de machthebbers dezer wereld. Jakobus en Johannes komen tot de gevolgtrekking dat, zo Christus weder opstaat, Hij een koning moet zijn, en indien een koning, dan moeten Zijne apostelen pairs of rijksgroten zijn, en een dezer zou gaarne Primus par regni -de eerste pair van het rijk, zijn, en de andere na hem, zoals Jozef aan het hof van Farao, of Daniël aan het hof van Darius. Wereldse eer is iets schitterends, waardoor de ogen van Christus, eigen discipelen menigmaal verblind zijn geworden, terwijl er ons toch veel meer aan gelegen moest wezen goed te zijn, dan groot te schijnen of den voorrang te hebben. Onze zwakheid en kortzichtigheid komen evenveel uit in onze gebeden als in alle andere dingen. Vanwege onze onwetendheid omtrent God en ons zelven kunnen wij onze rede niet ordenen, als wij tot Hem spreken. Het is dwaasheid om aan God voor te schrijven, en wijsheid om Zijn wil en weg te onderschrijven. Het is de wil van Christus, dat wij ons bereiden op lijden, en het aan Hem overlaten ons er voor te belonen. Hij behoeft niet, evenals Ahasveros, indachtig gemaakt te worden aan de diensten Zijns volks, en evenmin kan Hij hun werk des geloofs en hun arbeid der liefde vergeten. Onze zorg moet het wezen om wijsheid en genade te verkrijgen om te weten hoe met Hem te lijden, en dan kunnen wij ons op Hem verlaten, om op de best-mogelijke wijze er in te voorzien hoe wij met Hem zullen heersen, en wanneer, waar en wat de mate onzer heerlijkheid zal zijn.
III. Zijne bestraffing aan de overige discipelen wegens hun ongerustheid hierover. Zij begonnen het van Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen, vers 41. Zij waren vertoornd op hen om hun streven naar den voorrang, niet omdat dit zo weinig aan Christus' discipelen betaamde, maar omdat ieder hunner voor zich zelven op den voorrang hoopte. Zo hebben zij dan hun eigen eerzucht getoond in hun ongenoegen om de eerzucht van Jakobus en Johannes, en Christus nam de gelegenheid waar om hen er tegen te waarschuwen, hen en al hun opvolgers in de Evangeliebediening, vers 42-44. Hij riep hen tot zich, op gemeenzame wijze, om hun een voorbeeld te geven van neerbuigende vriendelijkheid toen Hij hun eerzucht bestrafte, en hen te leren om hun discipelen nooit op een afstand te houden. Hij toont hun:
1. Dat heerschappij in deze wereld gewoonlijk misbruikt wordt, vers 42. Degenen, die geacht worden oversten der volken te zijn, die den naam en den titel hebben van heersers, voeren heerschappij over hen. Dat is alles waar zij zich op toeleggen en wat zij bedoelen, niet zozeer om hen te beschermen en voor hun welvaren te zorgen, als wel om macht over hen te gebruiken. Zij willen gehoorzaamd worden, streven naar willekeur, en willen in alles hun zin doordrijven. Sic volo, sic jubeo, stat pro ratione voluntas -aldus wil ik, aldus gebied ik, mijn wil is mijn wet. Waar zij zich om bekommeren is, wat zij van hun onderdanen kunnen verkrijgen om hun praal en pracht te kunnen ophouden, maar niet wat zij voor hen zouden kunnen doen.
2. Dat dit daarom niet aldus in de kerk behoort te wezen. Alzo zal het onder u niet zijn. Zij, die onder uw zorg en opzicht gesteld zullen worden, moeten als schapen wezen onder de hoede van den herder, die hen moet verzorgen en weiden en een dienstknecht voor hen moet wezen, niet als paarden onder de heerschappij van een drijver, die ze laat werken en ze slaat, en er zoveel mogelijk gewin uit haalt. Hij, die groot en de eerste wil wezen, die naar wereldlijke waardigheid en heerschappij dingt, zal aller dienstknecht zijn. Hij zal laag en verachtelijk wezen in de ogen van allen, die wijs en goed zijn: Die zich zelven verhoogt zal vernederd worden. Of liever: "Hij, die waarlijk groot en de eerste wil wezen, moet er naar streven om al het goed te doen, dat hij kan, moet zich neerbuigen tot de geringste diensten, en arbeiden in het zwaarste werk. Diegenen zullen niet slechts het meest geëerd worden hiernamaals, maar ook nu het meest eervol zijn, die het nuttigst zijn voor anderen." Om hen hiervan te overtuigen stelt Hij hen zich zelven ten voorbeeld, vers 45. "De Zoon des mensen onderwerpt zich eerst aan de grootste moeilijkheden en gevaren, en daarna gaat Hij in tot Zijne heerlijkheid. Kunt gij dan verwachten er op een andere wijze toe te geraken, of meer gerieflijkheid en eer te hebben dan Hij heeft?" Hij neemt de gestaltenis aan eens dienstknechts. Hij komt, niet om gediend te worden, maar om te dienen. Hij is gehoorzaam tot den dood toe, want Hij geeft Zijn leven tot een rantsoen voor velen. Hij is ten bate van Godvruchtigen gestorven, zullen wij er ons dan niet op toeleggen om tot hun voordeel en welzijn te leven?