2 Samuël 15:31-37
Het schijnt dat aan David niets zo dreigend voorkwam in Absaloms opstand, als dat Achitofel er bij was, want in zo'n raadslag is een goed hoofd duizend goede handen waard. Absalom zelf was geen staatsman, maar hij had iemand aan zijn zijde gekregen, die het wel was, en te gevaarlijker zal zijn, omdat hij sedert lang met Davids raad en met zijn zaken bekend was, indien zijn raad dus verijdeld kan worden, dan is Absalom zo goed als verslagen, dan is het hoofd van de samenzwering afgesneden. Dit poogt David te doen:
1. Door gebed. Toen hij hoorde, dat Achitofel in het komplot was, hief hij zijn hart op tot God in dit korte gebed: O Here! maak toch Achitofels raad tot zotheid, vers 31. Hij had geen gelegenheid voor een lang gebed, maar hij behoorde niet tot hen, die denken verhoord te worden om hun vele spreken. Het was een vurig gebed. "Here, ik bid U, doe dit". God heeft een welbehagen in het vurig dringen van hen, die met hun gebeden tot Hem komen. David was nauwkeurig in zijn gebed, hij noemt de persoon, tegen wiens raad hij bidt. God veroorlooft ons om in ootmoed en met eerbied vrij met Hem te zijn, die bijzondere zorg, of vrees, of droefheid te noemen, die ons zwaar op het hart ligt. Hij bidt niet tegen de persoon van Achitofel, maar tegen zijn raad, dat God die in zotheid zou verkeren, dat hij, hoewel hij een wijs man was, ditmaal dwaze raad zal geven, of dat, zo hij wijze raad gaf, die raad als dwaas zou worden verworpen, of dat, zo hij gevolgd werd, hij door de ene of andere leiding van Gods voorzienigheid teniet gedaan zou worden, zodat er het doel niet mee bereikt wordt. David bad dit in het vaste geloof, dat God alle harten in Zijn hand heeft en ook alle tongen, dat Hij, als het Hem behaagt, het oordeel van de ouden kan wegnemen, de rechters uitzinnig kan maken, Job 12:20, 17, Jesaja 3:2, en in de hoop dat God zijn rechtvaardige zaak zal erkennen en voorstaan. Wij kunnen bidden in het geloof, en moeten bidden met vurigheid, dat God die raad in zotheid zal verkeren, die tegen Zijn volk is gericht.
2. Door staatkunde. Wij moeten ons gebed steunen door onze pogingen, want anders verzoeken wij God. Het is een goede dienst om de staatkunde van de vijanden van de kerk tegen te werken en te verijdelen. Toen David tot op de hoogte was gekomen, aanbad hij God, vers 32. Het wenen moet het aanbidden niet in de weg staan, maar het integendeel aanvuren. Nu schreef hij de derde psalm, zoals blijkt uit het opschrift, en sommigen denken dat in het zingen er van nu zijn aanbidding van God bestond. Juist toen heeft Gods voorzienigheid Husai tot hem gebracht, terwijl hij nog sprak hoorde God, en zond hem de persoon, die het middel zal zijn om Achitofel te verdwazen. Hij kwam om David deelneming te betonen in zijn smart, met gescheurde rok en as op zijn hoofd, maar David, die groot vertrouwen had in zijn beleid en zijn trouw, besloot gebruik van hem te maken als verspieder bij Absalom. Hij wilde hem niet medenemen, vers 33, want hij had nu meer soldaten dan raadslieden nodig maar zond hem terug naar Jeruzalem om daar de komst van Absalom af te wachten, als deserteur van David, en hem zijn diensten aan te bieden, vers 34. Aldus kon hij toegang krijgen tot zijn raad en Achitofel verslaan, hetzij door Absalom te overreden om zijn raad niet te volgen, of door hem bekend te maken aan David, opdat deze zou weten waar hij op zijn hoede had te zijn. Hoe deze grove veinzerij die David aan Husai gelastte, als een krijgslist kan gerechtvaardigd worden, zie ik niet. Het beste wat men er van maken kan, is: dat Absalom, als hij in opstand is tegen zijn vader, tegen geheel het mensdom op zijn hoede moet wezen, en, zo hij bedrogen wil wezen zo laat hem bedrogen zijn. David beveelt hem Zadok en Abjathar aan als personen, geschikt om geraadpleegd te worden, vers 35, en hun twee zonen, als betrouwbare mannen om met boodschappen tot David te worden gezonden, vers 36. Met deze instructie kwam Husai te Jeruzalem, vers 37, waar ook spoedig daarna Absalom met zijn krijgsmacht aankwam. Hoe spoedig verwisselen koninklijke paleizen en koninklijke steden van meesters! Maar wij verwachten een koninkrijk, dat niet aldus bewogen kan worden, en in welks bezit wij niet kunnen worden gestoord.