Job 36:15-23
Elihu nadert hier dichter tot Job, en
I. Zegt hem wat God vroeger voor hem gedaan zou hebben, indien hij behoorlijk verootmoedigd ware geweest onder zijn beproeving. "Wij allen weten hoe bereid God is om de ellendige in zijn effende vrij te maken, vers 15. Dat is Hij altijd geweest. Op de armen van geest, op hen die verbroken en verslagen van hart zijn, ziet Hij neer met tederheid en ontferming, en als zij in beproeving zijn, is Hij bereid hen te helpen. Hij opent hun oren en doet hen vreugde en blijdschap horen zelfs in hun verdrukkingen. Terwijl Hij hen nog niet verlost, spreekt Hij goede en troostrijke woorden tot hen ter bemoediging van hun geloof en hun lijdzaamheid, om hun vrees tot zwijgen te brengen en evenwicht te doen ontstaan in hun smarten, en dat zou Hij ook voor u gedaan hebben. Indien gij u onderworpen had aan Zijn voorzienigheid en u naar behoren hadt gedragen, Hij zou u hebben vrijgemaakt en vertroost, en dan zouden wij geen van die klachten gehoord hebben. Indien gij u geschikt hadt naar de wil van God, uw vrijheid en uw overvloed zouden u met winst teruggegeven zijn."
1. "Gij zoudt in de ruimte gesteld zijn, en niet aldus in de engte zijn geweest door ziekte en smaad, Hij zou u tot de ruimte hebben gebracht waar geen benauwing zou geweest zijn, en gij zoudt niet in al uw voornemens zijn teleurgesteld."
2. "Gij zoudt verrijkt zijn geworden, en niet in deze armoedige omstandigheden zijn, uw tafel zou rijk voorzien zijn geweest, niet slechts met het brood uws bescheiden deels, maar met het vette van de nieren van tarwe," zie Deuteronomium 32:14, en het vetste van het vlees." De gedachte moet ons tot zwijgen brengen onder de beproeving, dat, zo wij beter waren, het op alle wijze beter met ons zou geweest zijn, indien wij aan het doel van onze beproevingen hadden beantwoord de beproeving zou weggenomen zijn, er zou uitkomst zijn gekomen, indien wij er bereid voor waren geweest. God zou het goede voor ons gedaan hebben, indien wij ons goed hadden gedragen, Psalm 81:14, 15, Jesaja 48:18.
II. Hij legt hem ten laste dat hij zichzelf in het licht staat, zodat hij zelf de oorzaak is dat zijn rampen zolang aanhouden, vers 17. "Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld," dat is: "Wat gij ook in werkelijkheid moogt wezen, in deze zaak hebt gij u als een goddeloos man gedragen, hebt gij gesproken en gedaan als de goddelozen, gij hebt hun genoegen gedaan, zijt hun ter wille geweest hebt hun zaak gediend, en daarom houden het gericht en het recht u vast als een goddeloos man, omdat gij u met hen vergezelt, handelt alsof gij hun deelgenoot waart, hen helpt en aanmoedigt. Gij hebt de zaak van de goddelozen voorgestaan, en gelijk de zaak eens mensen is, zo zal Gods. oordeel over hem wezen." Aldus bisschop Patrick. Het is gevaarlijk om zich aan de verkeerde zijde te bevinden. De medeplichtigen aan verraad zullen gelijke behandeling ondervinden als de hoofdaanleggers ervan.
III. Hij waarschuwt hem om niet te volharden in zijn gemelijkheid. Hij geeft hem verscheidene goede waarschuwingen van die strekking.
1. Laat hem de Goddelijke wraak niet gering achten en niet al te gerust zijn, alsof hij in geen gevaar daarvan was, vers 18. "Omdat er grimmigheid is," dat is: "Omdat God een rechtvaardig bestuurder is, die alle beledigingen van Zijn regering aangedaan euvel opneemt, omdat Hij Zijn toorn geopenbaard heeft van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, en omdat gij reden hebt om te vrezen dat gij onder Gods misnoegen zijt, wacht u, dat Hij u misschien met een slag wegstote, en wees verstandig genoeg om u haastelijk met Hem te verzoenen, zodat Zijn toorn van u wordt afgewend." Een dergelijke waarschuwing had Job aan zijn vrienden gegeven, Hoofdst. 19:29. Schroomt vanwege het zwaard, want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards. Aldus zijn twistredenaars geneigd om met al te veel stoutmoedigheid elkaar aan Gods gericht over te geven en elkaar te dreigen met Zijn toorn, maar hij, die een goede consciëntie bewaart behoeft de machteloze dreigementen van trotse mensen niet te vrezen. Dit was een vriendelijke en nodige waarschuwing aan Job. Zelfs Godvruchtige mensen hebben het nodig om door de vrees voor Gods toorn bij hun plicht te worden gehouden. "Gij zijt een wijs en Godvruchtig man, maar wacht u, opdat Hij u niet wegstote, want de wijsten en de besten hebben genoeg in zich om Zijn slag te verdienen."
2. Laat hem zich niet vleien dat hij, zo Gods toorn tegen hem ontstoken is, wel middelen zal vinden om aan de slag ervan te ontkomen.
a. Er is niet aan te ontkomen door geld, met zilver en goud kan geen vergeving gekocht worden, of met andere dergelijke vergankelijke dingen. "Zelfs een groot rantsoen kan u niet verlossen, als God in het gericht met u treedt, Zijn gerechtigheid kan niet worden omgekocht, evenmin als enigerlei dienaar van Zijn gerechtigheid. Zou Hij uw rijkdom achten, om die tot verandering van de straf te gebruiken? Neen, geen goud, vers 19 Indien gij evenveel rijkdom hadt als gij vroeger bezeten hebt, het zou u geen verlichting geven, u niet beveiligen tegen de slagen van Gods toorn: ten dage van de openbaring daarvan doet goud geen nut, Spreuken 11:4. Zie Psalm 49:8, 9.
b. Geen ontkomen door redding. Indien alle versterkingen van kracht ter uwer beschikking waren, al zoudt gij ook nog zoveel knechten en vazallen op de been kunnen brengen om u met geweld uit de handen van de Goddelijke wraak te rukken, het zou tevergeefs zijn. God zou er geen acht op slaan. Er is niemand, die u uit Zijn hand zou kunnen verlossen."
c. Geen ontkomen door verberging, vers 20. Haak niet naar de nacht, die dikwijls de terugtocht van een verslagen leger begunstigt en hem bedekt, denk niet dat gij aldus aan het rechtvaardig oordeel van God kunt ontkomen, want de duisternis verbergt niet voor Hem," Psalm 139:11. 12. Zie Hoofdst 34:22. Denk niet dat, omdat in de nacht de lieden zich terugtrekken naar hun plaats en zich op hun legerstede ter ruste leggen, en het dan gemakkelijk is om er aan te ontkomen zonder door hen ontdekt te worden, God evenzo opgaat naar Zijn plaats en u niet kan zien, neen, Hij slaapt noch sluimert. Zijn ogen zijn open op de kinderen der mensen, niet alleen aan alle plaatsen, maar ook te allen tijde, geen rotsen of bergen kunnen ons beschutten tegen Zijn oog. Sommigen verstaan dit van de nacht des doods, dat is de nacht, waarin de volken van hun plaats opgenomen worden, en Job had vurig gehijgd naar die nacht, zoals de dagloner naar de schaduw, Hoofdst. 7:2. "Maar doe dit niet," zegt Elihu, "want gij weet niet wat de nacht des doods is." Zij, die hartstochtelijk naar de dood verlangen in de hoop die tot een beschutting te maken tegen Gods toorn, kunnen zich misschien vergissen. Er zijn dezulken, die de toorn vervolgt in die nacht.
3. Laat hem zijn onrechtvaardige twist met God en Zijn voorzienigheid niet voortzetten waarin hij totnutoe volhard heeft, terwijl hij zich aan de beproeving had moeten onderwerpen, vers 21. Wacht u, geef wel acht op uw geest, en wend u niet tot ongerechtigheid, keer er niet toe terug, want het is op uw gevaar zo gij het doet." Laat ons nooit een gunstige gedachte durven koesteren van de zonde, er nooit aan durven toegeven. Elihu denkt dat Job deze waarschuwing nodig heeft, daar hij ongerechtigheid heeft verkoren boven ellende, vers 21, dat is: liever toegegeven heeft aan zijn hoogmoed en wreveligheid door met God te twisten dan die hoogmoed te vernederen door zich aan God te onderwerpen en de straf aan te nemen. Wij kunnen het meer in het algemeen nemen en opmerken dat zij, die boven ellende de voorkeur geven aan ongerechtigheid, een zeer dwaze keus doen, zij, die hun zorgen verdrijven door zondige genoegens, hun rijkdom vermeerderen door zondige bedrijven het lijden om van de gerechtigheid wil vermijden door een zondige meegaandheid tegen hun geweten in, doen een keus, die hen berouwen zal, want er is in de minste zonde meer kwaad dan in de grootste beproeving of ellende. Het is een kwaad, het is alleen kwaad.
4. Laat hem het niet durven onderstaan om aan God de wet voor te schrijven, noch Hem maatregelen aan de hand te doen, vers 22, 23. "Zie God verhoogt door Zijn kracht," dat is: Hij kan en mag verhogen en vernederen wie Hij wil, en daarom betaamt het u noch mij om met Hem te strijden." Hoe meer wij God verhogen en grootmaken, hoe meer wij onszelf vernederen en verlagen. Bedenk:
A. Dat God een vrijmachtig soeverein is. Hij verhoogt door Zijn kracht, die aan niemand anders ontleend is, Hij verhoogt wie Hij wil, verhoogt hen, die beproefd en ternedergeworpen waren, door de kracht en macht die Hij geeft aan Zijn volk. En daarom: wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Wie heeft het opzicht over Hem op Zijn weg? Is er een meerdere, van wie Hij Zijn aanstelling ontvangen heeft, en aan wie Hij rekenschap is verschuldigd? Neen, Hijzelf is de meerdere, is boven allen, Hij is onafhankelijk. Wie doet Hem gedenken aan Zijn weg? zo lezen sommigen de zin. Heeft de eeuwige Geest het nodig dat Hem de dingen in de herinnering worden gebracht? Neen, Zijn eigen weg is, evenals de onze, altijd voor Hem, Hij heeft van niemand orders of instructies ontvangen, Jesaja 40:13, 14, ook is Hij aan niemand rekenschap verschuldigd. Hij stelt al de schepselen op hun weg, laat ons Hem dus niet op de Zijne willen stellen, maar het aan Hem overlaten om de wereld te regeren, die er bekwaam en geschikt voor is.
B. Dat Hij een weergaloos leraar is. Wie is een leraar gelijk Hij? Het is ongerijmd in ons om Hem te onderrichten, die zelf de fontein is van licht, waarheid en kennis, zal Hij, die de mens wetenschap leert, zoals niemand anders, niet weten? Psalm 94:10, 11. Zullen wij met een kaars de zon bijlichten?
Merk op: Als Elihu eer wil geven aan God als regeerder en bestuurder, prijst hij Hem als leraar, want bestuurders moeten onderwijzen. God doet dit, Hij leidt en bindt met mensenzelen. Hierin, zoals in alle andere dingen, is Hij weergaloos. Niemand is zo geschikt om zijn eigen daden en handelingen te besturen, als Hij het is, Hij weet wat Hij te doen heeft, en hoe het ten beste te doen, en heeft inlichting noch raad van node. Salomo zelf had een geheime raad om hem van raad te dienen, maar de Koning van de koningen heeft die niet. Ook is niemand zo geschikt om onze daden en handelingen te bestuderen als Hij het is, niemand onderwijst met zulk een gezag en overtuigend bewijs, met zoveel inschikkelijkheid en mededogen, noch met zoveel kracht en uitwerking als Hij. Hij onderwijst door de Bijbel, en dat is het beste boek, onderwijst door Zijn Zoon, en Hij is de beste leermeester. C. Dat Hij onkreukbaar rechtvaardig is in al Zijn handelingen. Wie kan zeggen: Gij hebt onrecht gedaan? vers 23. Niet: wie durft het zeggen? (velen doen onrecht, en de mensen zeggen het op hun gevaar) maar wie kan het zeggen? Wie heeft reden om het te zeggen? Wie kan het zeggen en bewijzen? Het is een grondstelling, die ontwijfelbaar waar is, zonder enig voorbehoud of beperking, dat de Koning van de koningen geen kwaad kan doen.