Job 28:20-28
De vraag, die hij gedaan had in vers 12, herhaalt hij hier, want zij is van te groot gewicht en te waardig om haar te laten vallen zonder er een antwoord op te bekomen. Dienaangaande moeten wij zoeken totdat wij vinden, er een bevredigend bericht van ontvangen. Door een naarstig voortzetten van dit onderzoek brengt hij het laatste tot deze uitslag, dat er tweeërlei wijsheid is: de ene verborgen in God, die dus niet voor ons is, de andere door Hem bekend gemaakt en aan de mens geopenbaard, die voor ons is en voor onze kinderen.
I. De kennis van Gods verborgen wil, de wil van Zijn voorzienigheid, is buiten ons bereik die heeft God zich voorbehouden, zij is voor de Heere onze God. De bijzonderheden te kennen van hetgeen God hiernamaals doen zal, en de redenen voor hetgeen Hij thans doet, dat is de kennis, waarvan hij hier spreekt.
1. Deze kennis is voor ons verborgen: zij is hoog, wij kunnen er niet bij vers 21, 22. Zij is verholen voor de ogen aller levenden, zelfs voor wijsgeren, staatslieden en heiligen, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen, hoewel zij hoog in het open uitspansel des hemels vliegen, hoewel zij iets dichter bij die bovenwereld schijnen te zijn, waar de bron is van deze wijsheid, hoewel hun ogen van verre zien, Hoofdst. 39:32, kunnen zij tot de raad Gods toch niet doordringen. Neen, de mens is wijzer dan het gevogelte des hemels, en toch komt hij tekort in deze wijsheid. Zelfs zij, die in hun bespiegelingen de hoogste vlucht nemen en zich, evenals de vogelen des hemels, boven de hoofden wanen van andere mensen kunnen toch op die kennis geen aanspraak maken. Job en zijn vrienden hadden geredeneerd over de methoden en de redenen van de beschikkingen van Gods voorzienigheid in het bestuur van de wereld. "Welke dwazen zijn wij", zegt Job, "om aldus in het duister te strijden, te twisten over hetgeen wij niet begrijpen!" Het dieplood van de menselijke rede kan nooit de afgrond peilen van de raadsbesluiten Gods. Wie kan het op zich nemen om een opgaaf van redenen te geven van Gods voorzienigheid, of de grondbeginselen, de maatregelen en de methode te verklaren van Gods regering, deze "arcana imperii-deze kabinetsbesluiten" van de Goddelijke wijsheid? Laat ons dan tevreden zijn om de toekomende verrichtingen van Gods voorzienigheid niet te kennen, totdat de tijd ze ontdekt, Handelingen 1:7, en de geheime redenen van de voorzienigheid Gods niet te kennen, totdat de eeuwigheid ze ontsluiert. God is thans een God, die zich verborgen houdt, Jesaja 45:15, rondom Hem zijn wolken en donkerheid. Hoewel deze wijsheid verborgen is voor alle levenden zeggen toch het verderf en de dood: haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord, hoewel zij zelf er geen rekenschap van kunnen geven (want daar is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, en nog veel minder deze wijsheid) er is toch een wereld aan de andere kant van de dood en het graf, waaraan dit duistere gebied grenst, en tot hetwelk wij, door dit gebied heengaande, moeten komen, en daar zullen wij herder en duidelijk zien hetgeen waarover wij nu nog in het duister zijn. "Heb een weinig geduld", zegt de dood tot de weetgierige ziel, "ik zal u binnenkort naar een plaats brengen, waar deze wijsheid te vinden is." Als de verborgenheid Gods vervuld zal zijn, dan zal zij blootgelegd worden, en dan zullen wij kennen gelijk wij gekend zijn, als de voorhang des vleses gescheurd is en de wolken uiteen gedreven zijn, dan zullen wij weten wat God doet, hoewel wij het nu niet weten, Johannes 13:7.
2. Deze kennis is verborgen in God, zoals de apostel spreekt, Efeziers 3:9. Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend, Handelingen 15:18 hoewel zij ons niet bekend zijn. Er zijn goede redenen voor hetgeen Hij doet, hoewel wij ze niet kunnen aanduiden. God verstaat haar weg. Mensen doen soms wat zij niet weten of niet begrijpen, maar dat doet God nooit. De mensen doen soms wat zij niet bedoelden, nieuwe voorvallen brengen hen tot nieuwe besluiten en verplichten hen tot nieuwe maatregelen, maar God doet alles naar Hij bij zichzelf voorgenomen heeft, welk voornemen Hij nooit verandert. De mensen doen soms iets, waarvoor zij geen goede redenen kunnen opgeven, maar in alles wat God doet is wijsheid en raad, Hij weet wat Hij doet en waarom Hij het doet, Hij kent de gehele reeks van de gebeurtenissen, de orde en de plaats van ieder voorval. Deze kennis bezit God in volkomenheid, maar Hij houdt haar voor zich.
Er worden hier twee redenen gegeven, waarom God Zijn eigen weg wel moet verstaan, en waarom Hij alleen hem moet verstaan.
A. Omdat alle gebeurtenissen thans bestuurd worden door een alziende en alvermogende Voorzienigheid, vers 24, 25. Hij, die de wereld regeert, is:
a. Alwetend, want Hij schouwt tot aan de einden van de aarde, beide voor plaats en tijd, ver verwijderde eeuwen, ver afgelegen landen zijn onder Zijn oog. Wij verstaan onze eigen weg niet, en nog veel minder kunnen wij Gods weg verstaan, want wij zijn kortzichtig. Hoe weinig weten wij van hetgeen er in de wereld geschiedt, en nog veel minder weten wij wat er zal geschieden! Maar de ogen des Heeren doorlopen alle plaatsen, niets is voor Hem verborgen, niets kan voor Hem verborgen zijn, en daarom zijn de redenen waarom sommige goddelozen merkwaardige voorspoed hebben in deze wereld en anderen op merkwaardige wijze gestraft worden, die voor ons verborgen zijn, Hem welbekend. De gebeurtenissen van een dag, en de zaken of aangelegenheden van een mens, staan zó in betrekking tot, en zijn zó afhankelijk van, die van een andere dag en een andere mens, dat Hij alleen, voor wie alle gebeurtenissen en alle zaken naakt en geopend zijn, en die met een enkele beschouwing het geheel volkomen juist ziet, een bevoegd Rechter van alles is.
b. Hij is almachtig, Hij kan alles doen, en is zeer nauwkeurig in hetgeen Hij doet. Ten bewijze hiervan wijst hij op de wateren, vers 25. Wat is lichter dan de wind? Maar God heeft middelen om de wind het gewicht te maken, die Hij uit Zijn schatkameren voortbrengt, Psalm 135:7, zeer nauwkeurig rekening houdende van wat Hij er uit voortbrengt, zoals de mensen rekening houden van de betalingen, die zij doen uit hun schatkist. Niets van hetgeen wij waarnemen is onverklaarbaarder voor ons dan de wind, wij horen zijn geluid en weten toch niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat, maar God geeft hem uit bij gewicht, met wijsheid regelende zowel van welke zijde, welk punt, hij zal waaien, als met welke kracht. De wateren van de zee en het regenwater weegt en meet Hij af, de evenredigheid bepalende van ieder getij en van elke regenbui. Er is een grote, voortdurende gemeenschap tussen de wolken en de zee, de wateren boven het uitspansel en die daar beneden, dampen gaan op, regens komen neer, de lucht wordt tot water verdicht, water wordt verdund tot lucht, maar de grote God houdt nauwkeurig rekening van de voorraad, waarmee deze handel tot welzijn van het algemeen gedreven wordt, en zorgt er voor dat niets ervan verloren zal gaan. Indien nu de Voorzienigheid in deze dingen zo nauwkeurig is, hoeveel te meer nog in het betonen van gunst en afkeuring, in het toebedelen van beloning en straf aan de kinderen van de mensen overeenkomstig de regelen van de billijkheid! B. Omdat alle gebeurtenissen van eeuwigheid door een onfeilbare voorwetenschap en een onveranderlijk raadsbesluit bestemd en bepaald waren, vers 26, 27. Toen Hij de loop van de natuur heeft vastgesteld, heeft Hij al de werkingen van Zijn regering voorverordineerd.
a. Hij stelde de loop van de natuur vast. Job maakt er inzonderheid melding van, dat Hij de regen een gezette orde maakte en een weg voor het weerlicht van de donderen. De algemene methode en de bijzondere strekking van deze ontzaglijke werkingen, haar oorzaken en haar gevolgen werden door het Goddelijke raadsbesluit vastgesteld, vandaar dat van Hem gezegd wordt: Hij maakt de bliksemen met de regen Psalm 135:7, Jeremia 10:13.
b. Toen Hij dat deed, heeft Hij al de maatregelen van Zijn voorzienigheid genomen, een nauwkeurig plan opgemaakt van het gehele werk van het begin tot het einde, toen van eeuwigheid af heeft Hij het ontwerp van Zijn handelingen in zichzelf gezien en voor zichzelf verklaard, heeft Hij het bereid, vastgesteld en bevestigd, alles in gereedheid gebracht voor al Zijn werken, zodat er, als er iets verricht moest worden niets behoefde te worden gezocht, en er niets onvoorziens geschieden kon, om het buiten zijn methode, of buiten zijn tijd te stellen, want alles was zo nauwkeurig geregeld, alsof Hij het bestudeerd had, het had opgespoord en ontdekt, zodat alles wat God doet in eeuwigheid zal zijn, daar is niet aan toe te doen, en daar is niet af te doen, Prediker 3:14. Job spreekt hier van de wijsheid als van een persoon: Toen zag hij haar enz, en aldus is dit parallel met hetgeen Salomo zegt betreffende de essentiële wijsheid van de Vader, het eeuwige Woord, Spreuken 8:23 en verv. "Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van de aanvang, van de oudheden van de aarde aan" enz, Johannes 1:1, 2.
II. De kennis van Gods geopenbaarde wil, de wil van Zijn gebod, en deze is binnen ons bereik, zij is binnen ons bevattingsvermogen, en zal ons goeddoen, vers 28. Tot de mens heeft Hij gezegd: zie, de vreze des Heeren is de wijsheid. Laat er niet gezegd worden dat, toen God Zijn raad voor de mens verborgen heeft en hem die boom van de kennis heeft ontzegd, het was omdat Hij hem misgunde wat tot zijn geluk en zijn voldoening kon strekken, neen, Hij liet hem weten alles wat hij nodig had te weten om zijn plicht te doen en gelukkig te zijn. Er zal hem zoveel van Zijn soevereinen wil bekendgemaakt worden, als nodig en gepast is voor een onderdaan, maar hij moet niet denken dat hij geschikt en bevoegd is om geheimraad te zijn. Hij zei tot Adam-zo verstaan het sommigen-tot de eerste mens, ten dage toen hij geschapen werd, Hij zei hem klaar en duidelijk, dat het hem niet voegde om zich te vermaken met een al te nieuwsgierig doordringen in de geheimen van de natuur of van de schepping, hij zal het noch mogelijk, noch nuttig bevinden om dit te doen. Geen mindere wijsheid, zegt aartsbisschop Tillotson, dan die, welke de wereld gemaakt heeft, kan er de wijsbegeerte volkomen van verstaan. Maar laat hem dit als zijn wijsheid beschouwen: de Heere te vrezen en van het kwaad te wijken, laat hem dat leren en dan is hij geleerd genoeg, Iaat die kennis hem voldoen. Toen God aan de mens de boom van de kennis ontzegd heeft, vergunde Hij hem de boom des levens, en dat is die boom Spreuken 3:18. Wij kunnen niet anders dan door Goddelijke openbaring tot ware wijsheid geraken. "De Heere geeft wijsheid," Spreuken 2:6, niet om de geheimen van de natuur of van de voorzienigheid Gods te ontdekken, maar om de regelen te vinden voor onze praktijk. Tot de mens heeft Hij niet gezegd: "klim op naar de hemel, om vandaar geluk te halen", of "daal af in de afgrond, om het van daar op te brengen." Neen. "het woord is zeer nabij u," Deuteronomium 30:14. Hij heeft u getoond, o mens, niet wat groot is, maar wat goed is, niet wat de Heere uw God voornemens is met u te doen, maar wat Hij "van u eist," Micha 6:8. "Tot u, o mannen, roep Ik," Spreuken 8:4. Heere wat is de mens, dat hij aldus gedacht, aldus bezocht wordt! Zie, let er op, neem er nota van, die oren heeft om te horen, die hore wat de God des hemels zegt tot de kinderen van de mensen: De vreze des Heeren is de wijsheid. Hier is:
1. De beschrijving van de ware, de zuivere en onbevlekte Godsdienst, hij bestaat in de Heere te vrezen en van het kwaad te wijken hetgeen overeenkomt met de hoedanigheid of het karakter door God aan Job toegeschreven Hoofdst. 1:1. De vreze des Heeren is het beginsel van de wijsheid en de hoofdsom van alle Godsdienst. Er is een slaafse vrees voor God voortkomende uit harde gedachten nopens Hem, hetgeen strijdig is met de Godsdienst, Mattheus 25:24. Er is een zelfzuchtige vrees voor God voortkomende uit schrikkelijke gedachten nopens Hem, maar die leiden kan tot de ware Godsdienst, Handelingen 9:5. Maar er is een kinderlijke vreze van God, voortkomende uit grote en hoge gedachten nopens Hem, die het leven en de ziel is van alle Godsdienst. En waar die vreze heerst in het hart, daar zal dit blijken uit de voortdurende zorg "om te wijken van het kwaad," Spreuken 16:6. Deze is het wezenlijke van de Godsdienst, wij moeten eerst aflaten van kwaad doen of wij zullen nooit leren goed doen. "Virtus est vitium fugere-Het is deugd om te vlieden van de ondeugd."
2. De lof of aanprijzing van de Godsdienst het is wijsheid en verstand, waarlijk Godsdienstig te zijn is waarlijk wijs te zijn. Gelijk de wijsheid van God blijkt in de instelling ervan, zo blijkt de wijsheid van de mens in het waarnemen en beoefenen ervan. Het is verstand, want het is de beste kennis van de waarheid, het is wijsheid, want het is het beste bestuur van onze zaken. Niets leidt ons beter op onze weg en leidt ons veiliger naar het doel dan Godsdienstig te zijn.