Job 22:21-30
Mij dunkt dat ik Elifaz zijn harde bestraffingen van Job, die wij in het begin van dit hoofdstuk hadden, schier vergeven kan, hoewel zij zeer onrechtvaardig en zeer onvriendelijk waren, om de goede raadgevingen en de bemoediging, die hij hem geeft in deze verzen, waarmee hij zijn rede besluit, want niets kon beter of meer ter zake gezegd zijn. Hoewel hij dacht dat Job een slecht man was, zag hij toch reden om goede hoop voor hem te hebben, dat hij, niettegenstaande alles, beide Godvruchtig en voorspoedig zal zijn. Maar het is toch vreemd dat uit dezelfde mond, en schier uit een adem, zoete en bittere wateren voortkwamen. Vrome mensen kunnen wel eens in drift geraken, maar soms kunnen zij door met zichzelf te redeneren tot een betere gezindheid komen, en misschien spoediger dan dit door het spreken van anderen zou geschieden.
Elifaz had aan Job de rampzalige toestand van een goddeloze voorgesteld, teneinde hem door verschrikking tot bekering te brengen. Hier toont hij hem, van de andere kant, het geluk, waarvan diegenen zich verzekerd kunnen houden, die zich bekeren, ten einde hem daartoe uit te lokken en aan te moedigen. De dienaren van het Evangelie moeten bij hun handelen met de mensen beide deze middelen beproeven, zij moeten van de berg Sinai tot hen spreken door de verschrikkingen van de wet, en van de berg Zion door de vertroostingen van het Evangelie, hun beide leven en dood voorstellen, goed en kwaad, de zegen en de vloek. Let hier nu op:
I. De goede raad, die Elifaz aan Job geeft, en het is een goede raad voor ons allen, hoewel hij aangaande Job op een valse veronderstelling gegrond was, namelijk dat hij een slecht man en een vreemdeling en vijand voor God was.
1. Gewen u toch aan God. Berust in God zoals sommigen het lezen. Het is ten allen tijde, maar inzonderheid als wij onder beproeving zijn, onze plicht om ons te schikken naar en te berusten in alle de beschikkingen van de Goddelijke voorzienigheid. Voeg u bij Hem, zo lezen sommigen, stem met Hem in, sta Zijn belangen niet langer tegen, maar bevorder ze. Onze vertalers geven een goede overzetting: "Maak u met Hem bekend: gij hebt u een vreemdeling voor Hem gemaakt door Zijn vreze van u af te werpen en het gebed van Hem terug te houden, wees dit niet langer. Het is ons aller plicht en belang om ons bekend te maken met God. Wij moeten kennis van Hem verkrijgen, onze genegenheid op Hem stellen, ons met Hem verbinden in een verbond van vriendschap, en dan voortdurend gemeenschap met Hem oefenen op de door Hem voorgeschreven wijze. Het is onze eer dat wij tot die bekendheid met Hem instaat zijn, ons ongeluk dat wij haar door de zonde hebben verloren ons voorrecht dat wij in en door Christus uitgenodigd worden om er toe terug te keren, en het zal onze onuitsprekelijke gelukzaligheid zijn om tot die kennis te komen en haar aan te kweken.
2. Heb vrede. Heb vrede met uzelf, wees niet gemelijk, onrustig en in verwarring, laat uw hart niet ontroerd zijn, wees rustig en kalm. Heb vrede met God, wees met Hem verzoend. Zet die onheilige oorlog met Hem niet voort. Gij klaagt dat God uw vijand is, wees gij Zijn vriend. Het is voor ons allen van het grootste belang vrede te hebben met God, met Hem verzoend te zijn, en voor onze troostrijke, lieflijke bekendheid met Hem is dit volstrekt noodzakelijk, immers, "Zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat zij overeengekomen zijn?" Amos 3:3. Dit moeten wij haastelijk doen, thans, eer het te laat is. "Wees haastelijk welgezind jegens uw wederpartij terwijl gij nog met hem op de weg zijt." Wij worden er dringend toe aangespoord om dit te doen. Sommigen lezen dit: "ik bid u, maak u toch met Hem bekend, en heb vrede." God zelf bidt ons, leraren bidden ons in Christus' plaats, om verzoend te worden. Kunnen wij zulke smekingen weerstaan?
3. Ontvang toch de wet uit Zijn mond, vers 22. "Vrede met God hebbende, zo onderwerp u aan Zijn regering, en neem het besluit om u door Hem te laten leiden, opdat gij uzelf bewaart in Zijn liefde." Wij ontvangen ons bestaan en onderhoud van God. Van Hem hopen wij onze gelukzaligheid te ontvangen, en van Hem moeten wij de wet ontvangen, Heere! wat wilt Gij, dat ik doen zal? Handelingen 9:6. Op wat wijze wij ook de aanduiding ontvangen van Zijn wil, wij moeten op Hem ons oog gericht houden, hetzij Hij spreekt door de Schrift, door Zijn dienstknechten, door het geweten, of door de leidingen van Zijn voorzienigheid, wij moeten het woord ontvangen als uit Zijn mond en onze ziel er voor nederbuigen. Hoewel er, voor zoveel wij weten, in Jobs tijd geen geschreven woord was was er toch een openbaring van Gods wil, die aangenomen en ontvangen moest worden. Elifaz beschouwde Job als een goddeloos man, en drong hem om zich te beteren en te bekeren. De bekering van een zondaar bestaat hierin, dat hij de wet ontvangt uit Gods mond, en niet langer van de wereld en het vlees. Elifaz, nu in twist zijnde met Job, beroept zich op het woord van God om een einde te maken aan de twist: ontvang dit en leg u bij de uitspraak er van neer. Tot de wet en de getuigenis.
4. Leg Zijn redenen in uw hart. Het is niet genoeg het woord van God te ontvangen, wij moeten het ook vasthouden, Spreuken 3:18. Wij moeten het bewaren als een zaak van zeer grote waardij, opdat het veilig zij, en wij moeten het in ons hart leggen als een zaak van groot nut, ten einde het gereed bij de hand zij als wij het nodig hebben, en het noch geheel en al verliezen, noch er in de tijd van nood verlegen om zijn.
5. Bekeer u tot de Almachtige, vers 22. "Wend u niet slechts af van de zonde, maar wend u tot God en uw plicht. Wend u niet slechts naar de Almachtige in enigerlei goede neiging of in een goed begin, maar wend u tot Hem, kom weer tehuis tot Hem, geheel en al tot Hem, zodat gij tot de Almachtige reikt door een algemene verbetering van uw leven een krachtige algehele verandering van uw hart en van uw streven, en een vast besluit om Hem aan te kleven." Aldus Dr. Poole.
6. Doe het onrecht verre van uw tenten. Dit was de raad, die Zofar hem gegeven had, Hoofdst. 11:14. "Laat het onrecht in uw tenten niet wonen. Doe ongerechtigheid verre weg, hoe verder hoe beter, niet alleen van uw hart en uw hand, maar van uw huis. Gij moet niet slechts zelf niet goddeloos zijn, maar de zonde bestraffen en beteugelen in hen, over wie gij gesteld zijt." De bekering van het gezin is een nodige bekering, wij en ons huis moeten de Heere dienen.
II. De goede aanmoediging, die Elifaz geeft aan Job, dat hij zeer gelukkig zijn zal indien hij deze goede raad wil volgen. In het algemeen: "Daardoor zal u het goede overkomen," vers 21, "het goede, dat nu van u geweken is al het goed, dat uw hart kan begeren, tijdelijk geestelijk, eeuwig goed zal u overkomen. God zal tot u komen, zal in verbond en gemeenschap met u komen, en Hij brengt alle goed met zich, alle goed is in Hem. Gij zijt nu ten ondergang gebracht, maar als gij u bekeert tot God, dan zult gij weer gebouwd worden. Uw gezin zal opgebouwd worden in kinderen, uw huis en hof in rijkdom, en uw ziel in heiligheid en vertroosting." De beloften, waarmee Elifaz Job hier bemoedigt, kunnen onder drie hoofden gebracht worden. 1. Dat zijn uitwendige toestand voorspoedig zal zijn, en dat hem overvloedig tijdelijke zegeningen geschonken zullen worden, want de Godzaligheid heeft de belofte des tegenwoordigen levens. Hem wordt beloofd:
A. Dat hij zeer rijk zal zijn, vers 24. "Gij zult goud opleggen als stof in zo grote overvloed, en gij zult veel zilver hebben, vers 25, terwijl gij nu van alles beroofd en arm zijt." Job is rijk geweest. Elifaz verdacht hem van zijn rijkdom door bedrog en verdrukking verkregen te hebben, en dat hij hem daarom ontnomen was maar, als hij tot God en zijn plicht wilde terugkeren.
a. Dan zou hij rijker worden, dan hij ooit geweest is, dan zou hij niet slechts duizenden van schapen en ossen, de rijkdom van landbouwers bezitten, maar ook duizenden van goud en zilver, de rijkdom van vorsten, Hoofdst. 3:15. Veel grotere schatten, veel meer ware rijkdom worden verkregen door de dienst van God dan door de dienst van de wereld.
b. Hij zal die rijkdom met meer zekerheid hebben. "Gij zult het goud opleggen in goede handen, en hetgeen gij door uw vroomheid en Godsvrucht hebt verkregen in grotere veiligheid kunnen behouden dan hetgeen gij door uw ongerechtigheid hadt verkregen." Gij zult krachtig zilver hebben, dat, daar gij er eerlijk aan gekomen zijt, duurzaam zal wezen, zilver zo vast als staal.
c. Hij zal door Gods genade er voor bewaard worden, om er zijn hart te veel op te stellen, zoals hij, naar Elifaz dacht, vroeger gedaan heeft. Rijkdom is dan waarlijk een zegen, als wij niet door de liefde er voor verstrikt worden. Gij zult goud opleggen, maar hoe? Niet als uw schat en uw deel, maar als stof en als stenen van de beken. Zo weinig zult gij ervan verwachten, dat gij het aan uw voeten zult leggen, Handelingen 4-35, het eerder met uw voeten zult vertreden dan het in uw hart te bewaren.
B. Dat hij toch zeer veilig zal zijn. Terwijl rijkdom van de mensen hen gewoonlijk blootstelt aan gevaar-en hij had erkend dat hij in zijn staat van voorspoed niet gerust was, Hoofdst. 3-26-zal hij nu toch gerust kunnen wezen, want de Almachtige zal uw Beschermer, ja meer Hij zal uw bescherming zijn, vers 25. Hij zal uw goud zijn, zo luidt het in de kanttekening, en het is hetzelfde woord, dat in vers 24 voor goud gebruikt is, maar het betekent ook een sterkte, omdat geld een schaduw, dat is: een beschutting is, Prediker 7:12. Wereldlingen maken goud tot hun god, heiligen maken God tot hun goud, en van hen, die verrijkt zijn met Zijn gunst en genade, kan in waarheid gezegd worden dat zij overvloed hebben van het beste goud, dat het best opgelegd is. Wij verstaan het: "Hij zal uw bescherming wezen tegen de invallen van naburige rovers, uw rijkdom zal dan niet zo voor hen blootliggen als toenmaals voor de Sabeërs en Chaldeën," dat, naar sommigen denken, de betekenis is van dit: Gij zult het onrecht verre van uw tenten doen, het opvattende als een belofte: "Het onrecht, dat tegen u bedoeld was, zal verre weggedaan worden en u niet bereiken. Diegenen moeten wel veilig wezen, die de Almacht zelf tot hun beschutting hebben, Psalm 91:1-3.
2. Dat het wèl zal gaan met zijn ziel, en dat hij verrijkt zal worden met geestelijke zegeningen, die de beste zegeningen zijn.
A. Dat hij een leven zal leiden van verlustiging in God, vers 26 "want dan zult gij u over de Almachtige verlustigen, en aldus wordt de Almachtige uw goud doordat gij u in Hem verlustigt, zoals wereldse mensen zich in hun geld verlustigen. Hij zal uw rijkdom, uw bescherming, uw waardigheid wezen, want Hij zal uw verlustiging zijn." Het middel om de begeerte van ons hart te verkrijgen, is God tot onze verlustiging te maken, Psalm 37:4..Als God ons zichzelf geeft om onze blijdschap te zijn, dan zal Hij ons niets onthouden, dat goed voor ons is. "Thans is God een verschrikking voor u, Hij is dit naar uw eigen bekentenis, Hoofdst. 6:4, 16:9, 19:11, maar zo gij tot Hem wilt terugkeren, dan-maar dan alleen-zal Hij uw verlustiging zijn, en zal het u een even groot genot wezen om aan Hem te denken als het u ooit een smart geweest is." Geen verlustiging is te vergelijken bij die, welke Godvruchtige zielen hebben in de Almachtige, en zij, die zich aan Hem gewennen, zich met Hem bekendmaken, zullen bevinden dat Zijn gunst niet alleen hun kracht is, maar ook hun lied.
B. Dat hij een nederig, heilig vertrouwen zal hebben in God, zoals diegenen gezegd worden te hebben, wier hart hen niet veroordeelt, 1 Johannes 3:21. Gij zult tot God uw aangezicht opheffen met vrijmoedigheid en niet bevreesd zijn, zoals gij nu zijt, om tot Hem te naderen. Uw aangezicht is nu vervallen, en gij ziet er terneergeslagen uit, maar als gij vrede hebt met God, met Hem verzoend zijt, dan zult gij niet meer blozen, niet meer beven, het hoofd niet meer laten hangen zoals nu, maar gij zult u met blijmoedigheid en Godvruchtige gerustheid aan Hem vertonen, bidden voor Zijn aangezicht en zegeningen van Hem verwachten."
C. Dat hij een voortdurende gemeenschap met God zal onderhouden. "Die gemeenschap eenmaal gevestigd zijnde, zal tot uw onuitsprekelijke voldoening onderhouden worden. Er zullen op vastgestelde tijden, en ook bij voorkomende bijzondere gelegenheden, brieven gewisseld worden tussen hem en de hemel, vers 27..
a. Gij zult door het gebed brieven zenden aan God, gij zult tot Hem ernstiglijk bidden-het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk: Gij zult uw gebeden vermenigvuldigen -en Hij zal uw brieven niet lastig of vervelend vinden, hoeveel en hoe lang zij ook zijn. Hoe vaker wij tot de troon van de genade komen, hoe meer welkom wij er zijn. Onder al uw lasten, bij al uw behoeften, zorgen en vrezen, zult gij naar de hemel zenden om leiding en kracht, wijsheid, vertroosting, en dat wel met goed gevolg."
b. "Hij zal door Zijn voorzienigheid en genade die brieven beantwoorden, en u geven hetgeen gij van Hem vraagt, Hij zal u verhoren, en dit doen blijken door hetgeen Hij voor u en in u doet."
c. "Dan zult gij door uw lof- en dankzegging antwoorden op de genaderijke antwoorden, die Hij u gezonden heeft, gij zult uw geloften betalen, en dat zal Hem welbehaaglijk wezen, en u meerdere gunstbewijzen doen toekomen." Als God geeft, of doet, waar wij Hem in onze nood om gebeden hebben, dan moet het ons een gewetenszaak zijn om te doen wat wij Hem toen beloofd hebben, want anders handelen wij niet eerlijk. Als wij niets anders beloofden, dan beloofden wij toch dankbaar te zullen zijn, en dit is genoeg, want het omvat alles, Psalm 116:14.
D. Dat hij innerlijke voldoening zal smaken in het besturen van al zijn uitwendige zaken, vers 28. "Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn," dat is: "gij zult al uw plannen en voornemens vormen met zoveel wijsheid en Godsvrucht en onderworpenheid aan de wil van God dat het gevolg naar de wens van uw hart zal zijn. Gij zult door geloof en gebed "uw werken op de Heere wentelen" en dan "zullen uw gedachten bevestigd worden," Spreuken 16:3. Dit zal de genade Gods in u werken, ja soms zal Gods voorzienigheid u dezelfde zaak geven, die gij begeerd, en om welke gij gebeden hebt, ze u geven op uw eigen wijze en tijd, u geschiede gelijk gij wilt." Als te eniger tijd een zaak slaagt geheel in overeenstemming met het plan, dat wij er voor beraamd hebben, en onze maatregelen er voor in niets verbroken worden, en wij ook geen nieuwe plannen behoeven te maken, dan moeten wij dit toeschrijven aan de vervulling van deze belofte: Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn. "Terwijl gij nu klaagt, dat duisternis rondom u is, zal dan het licht op uw wegen schijnen," dat is "God zal u leiden en besturen, en daar zal natuurlijkerwijze op volgen dat Hij u voorspoedig zal maken op al uw wegen en in al uw ondernemingen. Gods wijsheid zal u ten gids wezen. Zijn gunst zal u vertroosten, en uw wegen zullen zó onder die beide lichten zijn, dat gij een lieflijk genot zult smaken in hetgeen tegenwoordig is, en een troostrijk vooruitzicht zult hebben op de toekomst, Psalm 90:17.
E. Dat hij zelfs in tijden van algemene rampen en gevaar overvloedige blijdschap en hoop zal hebben, vers 29. "Als om u heen de mensen ter nedergeworpen zijn, ter nedergeworpen ten opzichte van hun zaken, ter nedergeslagen in hun gemoed, in vertwijfeling en op het punt van zich aan wanhoop over te geven, als men iemand vernederen zal, dan zult gij zeggen: Het zij verhoging, dan zult gij datgene in u vinden hetwelk u niet alleen ondersteunen zal onder uw moeilijkheden, en u er voor zal bewaren om te bezwijken, maar u zal opheffen boven uw moeilijkheden en u instaat zal stellen om u ten allen tijde te verblijden. "Als de mensen het hart zal bezwijken van vrees dan zullen Christus' discipelen hun hoofd opheffen, omdat hun verlossing nabij is," Lukas 21:26-28. "Aldus zal God hen doen rijden op de hoogten van de aarde," Jesaja 58:14, en hetgeen hen zal opheffen is het geloof dat God de nederige van ogen zal behouden. Zij, die zich vernederen, zullen verhoogd worden, niet slechts in eer, maar ook in welvaren.
3. Dat hij een zegen zal zijn voor zijn land en een middel ten goede voor velen, vers 30. God zal in antwoord op uw gebeden, het eiland des onschuldigen bevrijden, en daarin acht geven op de zuiverheid uwer handen, die noodzakelijk is om Gode ons gebed welbehaaglijk te maken, 1 Timotheus 2:8 T. Maar, omdat wij kunnen onderstellen dat de onschuldigen geen verlossing behoeven, -het was het schuldige Sodom, dat het voorrecht behoefde van Abrahams voorbede, - neig ik tot de lezing van de kanttekening. De onschuldigen zullen door hun raad het eiland verlossen, Prediker 9:14, 15, door hun raad en hun gebeden, en hun invloed in de hemel, Handelingen 27:24. Of, Hij zal hen verlossen, die niet onschuldig zijn, en zij worden verlost door de zuiverheid uwer handen zo kan het gelezen worden, en die lezing is de waarschijnlijkste. Een goed man is een openbaar goed, een goed voor het publiek. Om der wille van de heiligen gaat het de zondaren te beter, hetzij deze dit weten of niet weten. Indien Elifaz hiermede te kennen wilde geven (zoals sommigen denken) dat Jobs gebeden niet verhoord werden en dat zijn handen niet zuiver waren (want anders zou hij anderen en nog veel meer zichzelf geholpen hebben), dan heeft hij later zijn dwaling moeten inzien, toen het bleek, dat Job meer invloed had in de hemel dan hij, want hij en zijn drie vrienden, die in deze zaak niet onschuldig waren werden verlost door de zuiverheid van Jobs handen, Hoofdst. 42:8.