Jeremia 9:12-22
Twee dingen bedoelt de profeet, in deze verzen, ten aanzien van de verwoesting van Juda en Jeruzalem, die in aantocht is:
1. Om het volk te overtuigen van Gods rechtvaardigheid daarin, dat zij die door zonde over zich gebracht hadden en daarom geen reden hadden met God te twisten, die hun in het geheel geen onrecht deed, maar alle reden om met hun zonden te twisten, die hun al dat kwaad aandeden.
2. Om het volk een diepe indruk te geven van de komende verwoesting, en haar ellendige gevolgen, opdat zij, door het verschrikkelijk vooruitzicht mochten opgewekt worden tot berouw en verbetering, hetwelk het enig middel was om ze te voorkomen, of, ten minste, hun eigen aandeel er in te verkleinen. Met deze bedoeling
I. Roept hij de mannen op, die nadenken om door hen het volk de billijkheid van Gods handelingen te tonen, hoewel zij hard en streng schenen, vers 12 :Wie is de wijze man, die dit versta, of de profeet, tot wie de mond des Heeren gesproken heeft? Gij beroemt u op uw wijsheid en op de profeten, die onder u zijn, wijs mij iemand, die maar het vrije gebruik van zijn verstand heeft of enige kennis van de goddelijke openbaring, en spoedig zal hij het zelf begrijpen, en het zal hem zo duidelijk zijn, dat hij bereid zal zijn aan anderen te verklaren, dat God een billijke reden voor Zijn twist met dit volk heeft. Vragen deze wijze lieden niet, Waarom gaat het land te gronde? Wat is de reden, dat de toestand des lands zo veranderd is? Het placht een land te zijn, dat God bezorgde, en Hij had Zijn ogen daarop, Deuteronomium 11:12, maar nu is het een land, dat hij verlaten en waar Hij Zijn aangezicht tegen heeft gekeerd. Het placht te bloeien als de tuin des Heeren en vervuld te zijn van inwoners, maar nu is het verbrand als een woestijn, "dat niemand er doorgaat," veel minder zich er vestigen wil. Lang geleden veronderstelde men, als het zover kwam, dat er gevraagd zou worden: "Waarom heeft de Heer aan dit land alzo gedaan? wat is de ontsteking deze grote toorn?" Deuteronomium 29:24, op welke vraag God hier een volledig antwoord geeft, waarvoor alle vlees stil moet zijn. Hij noemt:
1. De aanklacht, die tegen hen ingebracht en bewezen is, waarop zij schuldig bevonden zijn vers 13, 14. Zij worden er van beschuldigd en de aanklacht kan niet geloochend worden.
a. Dat zij zijn afgevallen van de trouw aan hun rechtmatigen Souverein. "Daarom heeft God hun land verlaten, en rechtvaardiglijk, omdat zij Zijn wet verlaten hebben," die Hij hun zo duidelijk, zo volledig en zo herhaaldelijk gegeven had, en zij hadden "Zijn bevelen niet geacht, en Zijn stem niet gehoorzaamd, noch gewandeld in de wegen, die Hij bepaald had". Hier begon hun goddeloosheid, in de verzaking van hun plicht jegens God en de minachting van Zijn gezag. Maar zij eindigde daar niet. Zij worden verder beschuldigd:
b. Dat zij in dienst zijn getreden van pretendenten en overweldigers, en zich niet alleen aan de dienst van hun Vorst hebben onttrokken, maar de wapens tegen Hem hebben opgevat. Want:
c. Zij hebben gehandeld naar de inspraak van hun eigen lusten, hebben hun eigen wil verheven, de vleselijke begeerten van hun vleselijk hart, naast en tegenover de wil van God. "Zij hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten, " zij deden wat zij wilden, wat God en hun geweten daar tegen in brachten. d. Zij hebben de schepselen van hun eigen fantasie aangebeden, het werk hunner handen, naar de overlevering afkomstig van hun vaders. "Zij hebben naar de Baäls gewandeld," het woord is meervoud, zij hadden vele Baäls: Baäl-Peor en Baäl-Berith, de Baäls van twee verschillende plaatsen, want zij hadden vele heren, "die hun vaders hun leerden te dienen", maar die de God hunner vaderen hun herhaaldelijk verboden had. Dat was het, waarom "het land onderging." De Koning van de koningen maakt nooit aldus oorlog tegen zijn eigen onderdanen dan wanneer zij Hem verraderlijk verlaten en tegen Hem opstaan, en het noodzakelijk is geworden door deze middelen hun opstand te kastijden en hen tot gehoorzaamheid terug te brengen, en zij zelf zullen ten laatste erkennen dat Hij rechtvaardig is in al, wat over hen gebracht is.
2. De uitspraak, op deze beschuldiging gedaan, het vonnis over de schuldig verklaarde opstandelingen, dat nu uitgevoerd moet worden, want het was rechtvaardig en niets kon in `t midden gebracht worden om het tegen te houden. De Heer van de heirscharen, de God van Israël heeft het gezegd, vers 15, 16, en wie kan het keren?
a. Dat alle gemakken van hun huis hun vergiftigd en verbitterd zullen worden. "Zie, Ik zal dit volk spijzen met alsem (of liever met wolfswortel," want het betekent een kruid, dat niet gezond is, zoals alsem, hoewel het bitter is, maar een kruid, dat zowel walgelijk als schadelijk is), "en Ik zal ze drenken met galwater" (of sap van dolle kervel of een ander kruid, dat vergiftig is). Alles om hen heen tot hun eten en drinken toe, zal een schrik en een kwelling voor hen zijn. "God zal hun zegeningen vervloeken, Maleachi 2:2.
b. Dat hun verstrooiing buitenslands hun ondergang zal zijn vers 16. Ik zal ze verstrooien onder de heidenen. Zij waren bedorven en verleid door hun omgang met de heidenen, met wie zij zich vermengden en wier werken zij leerden, en nu zullen zij verloren gaan onder de heidenen, waar zij hun deugd verloren, zij hadden de wetten van de waarheid geschonden, die de band en het cement vormen van de maatschappij en de handel, en gaven zich over aan bedrog en leugen, en daarom zijn zij rechtvaardiglijk tot stof verkruimeld en verstrooid onder de heidenen. "Zij voeren goden in, die zij noch hun vaders gekend hadden," vreemde goden, nieuwe goden, Deuteronomium 32:17, en nu zal God hen brengen onder naburen, "die zij noch hun vaders gekend hebben," bij wie zij zich niet kunnen beroepen op een gemaakte kennis, en van wie zij derhalve geen gunst kunnen verwachten. En toch, schoon zo verstrooid, dat zij niet zullen weten, waar zij elkaar zoeken moeten, zal God wel weten, waar Hij ze allen zoeken moet, Psalm 21:8 met het kwaad, dat onboetvaardige zondaars steeds vervolgt: "Ik zal het zwaard achter hen zenden, het een of andere slaande oordeel, totdat Ik ze verteerd zal hebben," want als God oordeelt zal Hij overwinnen, als Hij vervolgt, zal Hij achterhalen. En nu zien zij, waarom het land ondergaat, al deze verwoesting is het loon hunner daden en de volbrenging van Gods woorden.
II. Hij roept om de klaagvrouwen, en neemt haar aan, om met de kunsten, die zij in praktijk brengen het volk te roeren en hun hartstochten in beweging te brengen, deze droeve rampen, die gekomen waren of nog over hen komen zouden, opdat het volk ongerust en aldus voorbereid mocht worden: De Heere van de heirscharen zegt zelf: Roept klaagvrouwen, dat zij komen, vers 17. Het doel hiervan is, te tonen, hoe rampzalig en beklagelijk de toestand van het volk zou zijn.
1. Hier is werk voor hen, die rouwklagen kunnen nabootsen: Zend henen naar de wijze vrouwen, die treurzangen kunnen maken, of ze ten minste kunnen zingen op klagende wijze en tonen, en daarom gebruikt worden bij begrafenissen om bij gebrek aan wezenlijke rouwdragers deze te vervangen. Dat zij haasten en een weeklachte over ons opheffen, vers 18. De sterfgevallen en begrafenissen waren zo talrijk, dat het volk er over weende, totdat er "geen kracht meer in hen was om te wenen" 1 Samuël 30:4. Laten daarom die het doen, wier beroep het is. Of liever. het betekent de uiterste verdwazing en stompzinnigheid van het volk, dat de oordelen, waaronder het lag, niet ter harte nam, noch het over hun hart konden krijgen, om een traan te vergieten, hoewel er toch zoveel bloed vergoten was. "Zij roepen niet, als Hij ze gebonden heeft," Job 36:13. God zondt hun Zijn klagende profeten, om hen op te roepen tot wenen en klagen, maar zijn woord in hun mond werkte niet op hun geloof, laat derhalve de klaagvrouwen komen, liever dan dat zij lachende in het verderf gaan, en op hun verbeelding trachten te werken, opdat ten laatste "hun ogen van tranen mogen nederdalen, en hun oogleden van water vlieten." Zondaars moeten wenen, vooraf en naderhand.
2. Hier is werk voor de wezenlijke rouwdragers.
A. Daar is gehoord, wat een weeklacht is. Dit toneel is zeer tragisch, vers 19. Een stem van weeklacht is gehoord uit Zion. Sommigen maken hiervan het lied van de klaagvrouwen: het is er meer een echo van, die uitgaat van hen wier gevoel opgewekt is door haar klagen. In Zion placht de stem van de vreugde en des lofs gehoord te worden, zolang het volk zich dicht bij God hield. Maar de zonde heeft de toon veranderd, nu is het de stem van de weeklachte. Het lijkt wel de stem te zijn dergenen, die van alle delen van het land vluchtten onder de bescherming van het kasteel van Zion. In plaats van zich te verblijden, dat zij daar veilig aangekomen waren, beklaagden zij zich, dat zij genoodzaakt waren daar een schuilplaats te zoeken. "Hoe zijn wij verstoord! Hoe zijn wij beroofd van al onze bezittingen! Wij zijn zeer beschaamd, wij schamen ons over onszelf en onze armoede", want dat is waarover zij zich beklagen, bij de gedachte waaraan zij blozen, meer dan over hun zonde. Wij zijn beschaamd omdat wij het land hebben verlaten (gedwongen door de vijand), niet omdat wij de Heer verlaten hebben, afgetrokken en verleid door ons eigen lust-omdat onze woningen ons uitgeworpen hebben. niet omdat onze God ons uitgeworpen heeft. Zo klagen niet vernederde harten over hun rampen, maar niet over hun ongerechtigheid, de oorzaak van alles.
B. Er is nog meer op komst, `t welk tot een weeklacht zal zijn. De zaken staan slecht, maar zij zullen nog wel slechter worden. Zij, wier land hen uitgespuwd heeft (zoals hun voorgangers, de Kanaänieten, en rechtvaardiglijk, omdat zij in hun voetstappen traden, Leviticus 18:28), beklagen zich, dat zij naar de stad gedreven zijn, maar nog een wijle, en die van de stad, en de anderen met hen, zullen ook uitgedreven worden. Hoort des Heeren woord, Hij heeft u nog iets te zeggen, vers 20, laat de vrouwen het horen, wier teder gemoed geschikt is om indrukken van smart en vrees te ontvangen, want de mannen willen er niet op letten, willen het niet geduldig aanhoren. De profeten zullen blijde zijn te prediken tot een vergadering van vrouwen, die beven voor Gods woord. Uw oor ontvange het woord van Gods mond, en heet het welkom, al is het een woord van verschrikking. Laat uw dochteren weeklachten, dit betekent, dat de tegenspoed lang duren zal, de smart zal als een erfenis overgedaan worden aan het kwade geslacht. Jonge lieden zijn geneigd de vrolijkheid lief te hebben, en vrolijkheid te verwachten, en gestemd tot blijheid en luchthartigheid, maar de oudere vrouwen moeten de jongere leren ernstig te zijn, en haar vertellen, wat een tranendal zij in deze wereld zullen vinden, en haar opvoeden tot rouwklaagsters in Zion, Titus 2:4, 5. "Elkeen lere haar metgezellin klaagliederen, " dit betekent, dat de tegenspoed zich ver verspreiden zal en van huis tot huis zal gaan. Men zal medelijden niet behoeven te betuigen aan zijn vrienden, iedereen zal reden genoeg hebben om over zichzelf te klagen. Merk op: Zij die zelf bewogen zijn door de verschrikkingen des Heeren moeten trachten anderen ook te bewegen. Het oordeel dat hier gedreigd wordt, dient om schrik aan te jagen.
a. Een grote menigte zal verslagen worden, vers 21. De dood zal zijn zegetocht houden, en men zal niet kunnen ontsnappen aan zijn gevangenneming, als hij in opdracht komt, noch binnenshuis noch buitenshuis. Niet binnenshuis, want laat de deuren maar zo goed mogelijk gesloten zijn, laat ze maar zo stevig mogelijk gesloten en gegrendeld zijn, "de dood klimt in onze vensters", als een dief in de nacht, hij overvalt ons eer wij er op bedacht zijn. Ook valt hij, niet op de hutten alleen, zo stoutelijk aan, maar "hij is in onze paleizen gekomen," de paleizen van onze vorsten en grote mannen, hoe statig ook, hoe sterk ook gebouwd en bewaakt.
Merk op: Geen paleizen kunnen de dood buiten houden. Ook zijn zij, die buiten zijn niet veiliger, de dood raapt zelfs "de kinderkens van de wijken, de jongelingen van de straten." De kinderen, die misschien uit medelijden door de vijand gespaard zijn, omdat zij hun nooit kwaad gedaan hadden, en de jongelingen, die misschien gespaard zijn uit politiek, omdat zij hun dienstbaar konden zijn, zullen tezamen door het zwaard vallen. Het is nu, zelfs bij de strengste militaire executiën, gewoonte, niemand te doden dan die met de wapens in de hand betrapt zijn, maar toen werden zelfs de jongens en meisjes, die op straat speelden, aan de woede van de overwinnaar geofferd.
b. Die gedood zijn, zullen onbegraven blijven liggen, vers 22. Spreek, zo spreekt de Heere (tot bevestiging en versterking van wat tevoren gezegd was). Ja, een dood lichaam eens mensen zal liggen als mest op het open veld, verwaarloosd en overgelaten tot verrotting, zoals mest. Zuivere menslievendheid verplicht de overblijvenden de doden te begraven, ook voor hen zelf, maar zovelen zullen er verslagen worden, en dat over het hele land verspreid, dat het een onmogelijk ding zal zijn, hen allen te begraven, er zullen geen handen genoeg zijn om het te doen en de veroveraars zullen het niet toestaan, en die het doen moesten, zullen zozeer overstelpt zijn van verdriet, dat zij er het hart niet toe zullen hebben. De dode lichamen, zelfs van de schoonsten en sterksten, worden als mest, wanneer ze een tijd lang gelegen hebben, zulke bederfelijke lichamen hebben wij. En zovelen zullen er vallen, dat hun lijken even dicht zullen opeen lagen, als mesthopen op het open veld, en er zal niet meer aandacht aan gegeven worden dan aan de garve, die de maaier achter zich laat voor de arenlezers, want niemand zal ze opzamelen, maar zij zullen blijven liggen in ieders gezicht, als gedenktekenen van de goddelijke wraak, opdat het gezicht van de onboetvaardige overgeblevenen op hun hart werken mag. "Dood ze niet, begraaf ze niet, opdat Mijn volk het niet vergete," Psalm 59:12.