Jeremia 7:1-15
Deze verzen zijn het begin van een nieuwe vermaning, die in dit en de twee volgende hoofdstukken wordt voortgezet, met in hoofdzaak dezelfde strekking als de vorige hoofdstukken, om hen tot berouw te bewegen.
Merk op:
I. De last aan de profeet gegeven, om deze vermaning te prediken, want hij had niet alleen een algemene opdracht, maar bizondere bevelen en aanwijzingen voor iedere boodschap, die hij overbracht. Dit was een woord, dat tot hem geschiedde van de Heere, vers 1. Er staat niet bij, wanneer deze vermaning moest worden gepredikt, maar wel,
1. Waar ze moest worden gepredikt-in de poort van het huis des Heeren, waardoor men binnen ging in het buitenhof, of het hof des volks. Het zou een belediging zijn voor de priesters, en de profeet aan hun woede blootstellen, wanneer een boodschap als deze werd overgebracht op hun terrein, maar de profeet moet niet vrezen voor het aangezicht des mensen, wanneer hij dat doet, kan hij niet getrouw zijn aan zijn God.
2. Aan wie zij moest worden gepredikt-aan de mannen van Juda, die deze poorten binnen gaan om de Heere te aanbidden, waarschijnlijk was het op een van de drie feesten, als al wat mannelijk was uit alle delen van het land moest verschijnen voor de Heere in de hoven van Zijn huis, en dat niet met lege handen, dan waren er velen bijeen, tot wie hij kon prediken, en dat was de meest gewenste tijd om hen te vermanen, niet op hun voorrechten te vertrouwen.
Merk op:
a. Zelfs zij, die belijden God te dienen, hebben nodig dat hun gepredikt wordt, zo goed als zij, die zonder godsdienst zijn.
b. Het is wenselijk, dat er gelegenheid zij om tot velen tezamen te prediken. Wijsheid gebiedt te getuigen op de hoofdplaats van samenkomst, en, zoals Jeremia hier, in de deur van de poort, van de tempelpoort.
c. Als wij opgaan om God te aanbidden, hebben wij nodig om vermaand te worden. "Hem te aanbidden in de geest, en niet te vertrouwen op het vlees," Filippenzen 3:3.
II. Inhoud en doel van de vermaning zelf. Ze wordt overgebracht in de naam van de Heer van de Heirscharen, de God van Israël, die de wereld regeert, maar met Zijn volk een verbond sluit. Als schepselen zijn wij gehouden op te zien tot de Heer van de Heirscharen als christenen tot de God van Israël, wat hij tot hen zei, zegt hij tot ons, het is er mee als met wat Johannes de Doper zei tot hen, die hij doopte, Mattheus 3:8, 9. "Brengt dan vruchten voort van de bekering waardig, en meent niet bij u zelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader." De profeet deelt hen hier mede,
1. Wat Gods eigen woorden waren, waarop zij kunnen vertrouwen. Kort gezegd, zij konden er op rekenen, dat, als zij zich wilden bekeren en hun leven beteren, en op de weg van de plicht tot God terugkeren, Hij hun vrede zou geven en die bevestigen, hun grieven tegemoetkomen, en op de weg van de genade tot hen terugkeren, vers 3. Maakt uw wegen en handelingen goed. Dit veronderstelt, dat er veel verkeerds was in hun wegen en handelingen, vele zonden, vele overtredingen. Maar het is een groot voorbeeld van Gods gunst jegens hen, dat Hij hun toelaat zich te bekeren en hun toont, waar en hoe zij zich moeten bekeren, en belooft hen, na hun betering, aan te nemen. Ik zal u rustig en vreedzaam doen wonen in deze plaats, en de bedreiging van uw uitdrijving zal opgehouden worden. Verbetering is de eeuwige weg, en een zekere weg om het verderf te voorkomen. Hij verklaart zich nader, vers 5-7, en zegt hun in `t bizonder:
A. Welke betering hij van hen verwachtte. Zij moeten zich door en door verbeteren, zij moeten goed maken, hun wegen en handelingen, zij moeten zich verbeteren met beslistheid, en het moet een algehele, blijvende, volhardende verbetering zijn-niet gedeeltelijk, maar ten volle-niet gehuicheld, maar oprecht-niet weifelend, maar standvastig. Zij moeten de boom goed maken, en aldus de vrucht goed maken, ze moeten hart en hoofd goed maken, en aldus hun wegen en handelingen goed maken. In `t bijzonder.
a. Ze moeten eerlijk en recht zijn in al hun handel. Die met macht bekleed zijn, moeten waarlijk recht doen tussen de man en zijn naaste, zonder partijdigheid, en naar de billijkheid van het gevoel meebrengt. Ze mogen noch in vonnis, noch in overeenkomst de vreemdeling onderdekken, de wees of de weduwe, noch de verdrukkers aanmoedigen of beschermen, noch weigeren recht te doen hun, die het zoeken. Zij mogen geen onschuldig bloed vergieten, en er deze plaats en het land, waarin ze wonen, mee verontreinigen.
b. Zij moeten zich stiptelijk houden aan de dienst van de enige ware God. Noch andere goden achterna wandelen, verlang er niet naar, en luister niet naar hen, die ze in gemeenschap willen brengen met de afgodendienaars, want het is, en zal zijn, tot uw eigen kwaad. Wees niet alleen zo recht tegenover God, maar zo wijs voor u zelf, uw verering niet weg te werpen voor hen, die niet in staat zijn u te helpen, en daardoor Hem te tergen, die in staat is, u te vernietigen. En dit is alles, wat God van u verlangt.
B. Hij zegt hun, welke voorrechten zij, na deze verbetering, van Hem mogen verwachten, vers 7. Wend u met allen spoed tot dit verbeteringswerk, voltooi het en blijf er bij, en Ik zal u doen wonen in deze plaats, deze tempel, het zal uw schuilplaats en toevluchtsoord blijven, de plaats van uw troostrijke samenkomst met God en elkaar, en gij zult wonen in het land, dat ik uw vaderen gegeven heb, van eeuw tot eeuw, en nooit zult gij uit Gods huis of het uw verdreven worden. Hun wordt beloofd, dat zij in stilte hun nationale en godsdienstige voorrechten zullen genieten, dat zij er zich gerust in zullen verheugen: Ik zal u hier doen wonen, en die God een woonplaats geeft, wonen vreedzaam. Zij zullen ze genieten krachtens het verbond, krachtens het recht aan hun vaderen gegeven, niet uit gunst, maar uit de belofte. Zij zullen in `t genot ervan blijven, zonder uitdrijving of kwelling, zij zullen niet verstoord worden, veel minder beroofd, van eeuw tot eeuw, niets dan hun zonde kon hen buiten werpen. Een blijvende erfenis in het hemelse Kanaän wordt hiermee verzekerd aan alle die godzaliglijk en eerlijk leven. En de Latijnse lezing noemt nog een voorrecht, vers 3, 7. Habitabo vobiscum-Ik zal met u wonen in deze plaats, en wij zouden Kanaän zelf nog een onaangename woonplaats vinden, als God daar niet bij ons woonde.
2. Dat zijn de leugenachtige woorden van hun eigen hart, waarop zij niet moesten vertrouwen. Hij waarschuwt hen tegen dit zelfbedrog, vers 4 :Vertrouwt niet op leugenachtige woorden. U is gezegd op welke wijze en onder welke voorwaarden gij gerust, veilig en gelukkig kunt zijn, vlei u nu niet met de gedachte, dat gij dat ook kunt zijn op andere voorwaarden, of op enige andere wijze. Toch beschuldigt hij hen van dit zelfbedrog, voortkomende uit ijdelheid, vers 8 :Zie het is duidelijk, dat gij op leugenachtige woorden vertrouwt, ondanks hetgeen tot u gezegd is: gij vertrouwt op woorden, die geen nut doen, gij vertrouwt op een redenering, die u geen dienst zal doen. Die de woorden van de waarheid licht achten, nemen hun toevlucht tot valse woorden, die geen nut kunnen doen. Die leugenachtige woorden nu waren, De tempel van de Heer, de tempel van de Heer, de tempel van de Heer zijn deze. Deze gebouwen, de hoven, het heilige en het heilige van de heiligen zijn de tempel van de Heer gebouwd op Zijn bevel tot Zijn verheerlijking hier woont Hij, hier wordt Hij aangebeden, hier komen wij jaarlijks drie maal tezamen om Hem als onze koning, in Zijn paleis hulde te brengen. Dat was, naar hun mening voldoende, om te maken, dat Gods gunst hun bij bleef en Gods oordelen niet over hen kwamen. Als de profeten hun zeiden, hoe zondig zij waren, en hoe ellendig waarschijnlijk tevens, beriepen zij zich steeds op de tempel: Hoe kunnen zij het een of het ander zijn, zo lang wij die heilige, gelukkige plaats onder ons hebben? De profeet herhaalt het, omdat zij het bij elke gelegenheid herhaalden. Het was de spreekwijze van die tijd, het was in hun mond bij iedere gelegenheid. Als zij een opwekkende prediking hoorden, als zij iets nieuws hoorden, dat hun een schok gaf, susten zij zich weer in slaap met: Het kan niet anders dan goed met ons zijn, want wij hebben de tempel des Heeren in ons midden.
Merk op, de voorrechten van een schijn van godzaligheid zijn dikwijls de trots en het vertrouwen van hen, die vreemdelingen en vijanden van de kracht van de godzaligheid zijn. Het is een gewoon verschijnsel, dat zij, die het verst van God af zijn, zich het meest er op beroemen, dat zij dicht bij de kerk zijn. "Zij zijn hovaardig om des heiligen bergs wille," Zeph. 3:11, alsof Gods genade zo vast aan hen verbonden was, dat zij Zijn rechtvaardigheid konden uittergen. Om hen nu te overtuigen, wat een nietige redenering dit was, en hoe weinig bun die baten zou:
A. Toont hij hun de grove ongerijmdheid van de zaak op zich zelf. Als zij maar iets wisten van de tempel des Heeren, of van de Heer van de tempel, moesten zij wel denken, dat die redenering, als verontschuldiging van hun zonde tegen God, of om Gods oordeel tegen hen op te houden, de meest bespottelijke onzin was.
a. God is een heilig God, maar deze redenering maakte Hem tot de patroon van de zonde, van de ergste zonde, die zelfs door het licht van de natuur veroordeeld wordt, vers 9, 10. Wat, zegt hij, zult gij stelen doodslaan en overspel bedrijven, en schuldig zijn aan de laagste ontuchtigheden, en waartegen getuigd door het gemeenschappelijk belang, zowel als het gezond verstand, van het mensdom? Zult gij valselijk zweren, een misdaad waarvan alle volken (die met het geloof aan God eerbied hadden voor de eed) steeds een afschuw gehad hebben? Zult gij Baäl roken, een mesthoop-godheid, die poseert als mededinger van de grote Jahweh, en, niet tevreden daarmee, zult gij andere goden nawandelen, die gij niet kent, en door al deze misdaden God stoutelijk beledigen, beide als de Heere van de heirscharen en als de God van Israël? Wilt gij een God, van Wiens macht en goedheid, gij zo'n lange ervaring hebt, verwisselen voor goden van wier bekwaamheid en gewilligheid om te helpen, gij niets weet? En, wanneer gij aldus het ergst mogelijke tegen God gedaan hebt, zult gij dan uw gelaat zozeer verstijven, om voor Hem te komen staan in dit Huis, dat naar Zijn naam genoemd is en waarin Zijn naam aangeroepen wordt-voor Hem te staan als dienaars, die Zijn bevelen afwachten, als smekelingen, die Zijn gunst verwachten? Zult gij openlijk rebelleren tegen Hem, en toch u scharen onder Zijn onderdanen, en wel onder de beste? Daartoe denkt gij, lijkt het wel, dat Hij of uw goddeloze praktijken niet ontdekt, of dat ze Hem niet mishagen, en dit te denken is hetzelfde als Hem de grootst mogelijke oneer aan te doen. Het is alsof gij wilt zeggen, Wij zijn verlost om al deze gruwelen te doen. Als zij al niet de moed hadden dit te zeggen, totidem verbis- met zoveel woorden, toch verkondigden hun handelingen het luide. Zij moesten wel erkennen, dat God, ja hun eigen God, hen menigmaal verlost had, en hen tot dadelijke hulp was geweest, terwijl zij anders hadden moeten omkomen. Door hen te verlossen toonde Hij, hen terug te willen voeren, en hen door goedheid tot berouw te brengen, maar zij besloten niettemin in hun gruwelen te volharden. Zo gauw ze verlost waren (als van ouds in de dagen van de Richteren) "deden zij weer, wat kwaad was in de ogen des Heeren," wat inderdaad wilde zeggen, in lijnrechte tegenspraak met de ware strekking en bedoeling van wat God aan hen gedaan had, dat God hen verlost had om hen in staat te stellen tegen Hem te rebelleren, door te ruimer aan hun afgoden te offeren.
Merk op: Zij, die voortgaan te zondigen omdat de genade overvloedig is geweest, of, opdat de genade te meerder worde, maken inderdaad Christus tot een dienaar van de zonde. Sommigen vatten dit aldus op: gij stelt u voor God met uw brandoffers en zondoffers en zegt dan: Wij zijn verlost, wij zijn bevrijd van onze schuld, ze zal ons nu geen schade meer doen, dit alles dient slechts om de wereld te verblinden en de mond van de consciëntie te stoppen opdat gij te gemakkelijker voor u zelf en te aannemelijker voor anderen, al deze gruwelen kunt doen.
b. Zijn tempel was een heilige plaats, maar uw pleitgrond maakt ervan een bescherming voor de onheiligste mensen: Is dit huis, dat naar Mijn naam genoemd is en als blijvend teken staat in Gods koninkrijk, in het midden van de mensen geplaatst tegenover het koninkrijk van zonde en satan, is dat in uw ogen een spelonk van de moordenaren? Meent gij, dat het slechts gebouwd is als verzamelen schuilplaats en toevluchtsoord voor de laagste van de misdadigers? Neen, al waren de hoornen des altaars heilig voor de man, die een ander onvoorziens doodde, dat waren zij niet voor een moordenaar met voorbedachten rade, noch voor iemand, die zich om een andere misdaad daar trachtte te redden, Exodus 21:14, 1 Koningen 2:29. Zij, die menen met een Christennaam onchristelijke praktijken te verontschuldigen, en te stouter en schaamtelozer zondigen, omdat er een zondoffer bestaat, maken inderdaad Gods Huis een moordenaarskuil, gelijk de priesters in Christus' dagen, Mattheus 21:13. Maar zouden zij God daarmee niet misleiden? Neen, Ik heb het ook gezien, spreekt de Heere. Ik heb de werkelijke ongerechtigheid gezien achter de sluier van gehuichelde vroomheid. Zie, al kunnen mensen elkaar met een schijnvroomheid bedriegen, God kunnen ze niet bedriegen.
B. Hij toont hun de onvoldoendheid van deze pleitrede, reeds lang tevoren in het geval van Silo weerlegd.
a. Zeker was Silo verwoest, hoewel Gods heiligdom er was, toen het door zijn boosheid dat heiligdom ontheiligd had vers 12. Gaat nu henen naar mijn plaats, die te Silo was. Waarschijnlijk was de verwoesting van die eens bloeiende stad nog te zien, men kon er ten minste haar geschiedenis nog lezen, en die kon bij het zien van de ruïnes iemand aangrijpen. Daar had Hij "Zijn naam in het hart doen wonen," daar werd de tabernakel opgezet, toen Israël eerst bezit nam van het land Kanaän, (Jozua 18:1, en daarheen gingen de stammen op, maar degenen, die de dienst des tabernakels bijwoonden, verdreven zichzelf en anderen, en daaruit ontstond de boosheid van zijn volk Israël. De bron was vergiftigd en wierp boze stromen uit, en wat kwam daarvan? "Gaat en ziet, wat Ik daaraan gedaan heb! Werd Silo door de tegenwoordigheid des tabernakels beschermd? Neen, God verliet hem," Psalm 78:60, zond Zijn ark in gevangenschap, sneed het huis van Eli af, dat daar de dienst waarnam. Het is zeer waarschijnlijk, dat de stad geheel verwoest is, want wij horen er nimmer meer van dan als een gedenkstuk van goddelijke wraak tegen heilige plaatsen, wanneer zij goddeloze lieden huisvesten. Let hierop, dat Gods oordelen tegen degenen, die inderdaad tegen Hem zijn opgestaan, ofschoon zij beleden nabij Hem te leven, een waarschuwing zijn, niet te vertrouwen op leugenachtige woorden. Het is goed, het verleden tot spiegel te nemen en zich te laten gezeggen. "Gedenk de vrouw van Lot," gedenk Silo en de zeven gemeenten van Azië, en vergeet niet, dat ark en kandelaar roerende goederen zijn, Openbaring 2:5, Mattheus 21:43.
b. Zeker zal Silo's lot ook dat van Jeruzalem worden, als een spoedig en oprecht berouw het niet voorkomt.
Ten eerste was Jeruzalem even diep gezonken als eenmaal Silo, Gods onfeilbaar getuigenis bewijst dat, vers 13 :Gij doet al deze werken, gij kunt het niet loochenen. Zij volhardden evenwel hardnekkig in hun zonde, gelijk blijkt uit de getuigenis van Gods zendelingen, die tot hen gesproken hebben van terugkeer en boeten, vroeg op zijnde en sprekende, als wie zorg dragen, in volle ernst zijn en geen tijd verliezen willen met hun vermaan, die de geschiktste tijd kiezen om tot hen te spreken, namelijk de morgen, terwijl hun herders dan ten minste nuchter zijn en vrij en helder kunnen denken, maar alles was tevergeefs geweest. God had gesproken, maar zij hadden niet gehoord, er geen acht op geslagen zich er niet om bekommerd. Hij had hen geroepen, maar zij hadden niet geantwoord, zij hadden naar Zijn roepstem niet willen luisteren. Zie, wat God tot ons spreekt, verergert zeer wat wij tegen Hem doen.
Ten tweede. Jeruzalem zal weldra even ellendig worden als Silo ooit is geweest. Zo zal Ik aan dit huis doen gelijk als Ik aan Silo gedaan heb, het verwoesten en verderven, vers 14. Zij, die treden in de voetstappen van de goddeloosheid van wie voor hen waren, moesten verwachten in hetzelfde verderf te vallen, want al die dingen zijn tot een voorbeeld geschied. De tempel te Jeruzalem hoe sterk ook gebouwd, zal, zo goddeloosheid daarin gevonden wordt, evenmin bestaan en even gemakkelijk vermeesterd worden als de tabernakel te Silo, wanneer de dag van de wrake Gods gekomen is. Dit huis, zegt God, is naar Mijn naam genoemd, en daarom kunt gij menen dat Ik het beschermen zal. Gij vertrouwt op het huis en verwacht, dat het huis u beschermen zal, dit land en deze stad zijn de plaats, die Ik uw vaderen en u heb beschoren, en nu meent gij daarin zeker te wonen, zodat niets er u uit kan verdrijven, maar de mannen van Silo vleiden zich met dezelfde ijdele hoop. Een ander voorbeeld voert God aan, vers 15 de ondergang van het koninkrijk van de tien stammen, die het zaad Abrahams waren en het verbond van de besnijdenis hadden en het land bewoonden, dat God hun en hun vaderen gegeven had, en nochtans heeft hun afgoderij hen daaruit verdreven. En denkt gij nu, dat gij voor hetzelfde oordeel zult bewaard worden? Dat zult gij ongetwijfeld ondervinden, want God verandert niet en blijft Zichzelf gelijk in Zijn richterlijke oordelen. Een regel in de rechtspraak is: ut parfum par sit ratio, dit is, in gelijke gevallen wordt hetzelfde oordeel gesproken. "Gij hebt u zelf verdorven, gelijk uw broederen, het zaad Ephraims, en zijt hun in goddeloosheid gelijk geworden, en daarom zal Ik ulieden van Mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als Ik hun gedaan heb." De verklaring hier van het oordeel gegeven, maakt het inderdaad verschrikkelijk: uit hun land geworpen te worden betekende van voor Gods aangezicht verworpen te worden, zodat Hij nimmermeer naar hen zou omzien. Waarheen wij geworpen worden maakt weinig uit, wanneer wij in de liefde Gods blijven, maar als wij uit Zijn gunst vallen, zijn wij ellendig, al blijven wij ook in ons eigen land wonen. De bedreiging, dat God hun huis zal maken als Silo, zullen wij meer ontmoeten en zien, hoe het volk Jeremia daarvan de schuld geeft, Hoofdstuk 26:6.