Jeremia 5:25-31
Hier:
I. Toont de profeet hun hoeveel onheil hun zonden hun berokkend hebben. Hun ongerechtigheden wenden die dingen af, vers 25 de vroege en de spade regen, welke zij op gezette tijden gewoon waren te ontvangen, vers 24, maar die kortgeleden opgehouden had, Hoofdstuk 3:3, waardoor de vastgestelde weken van de oogst hen soms teleurgesteld hadden. Uw zonden weren dat goede van u, dat God gereed stond u te geven. De zonde verstopt de loop van Gods gunsten voor ons en berooft ons van de zegeningen, die wij gewoon waren te ontvangen. Zij maakt de hemel gelijk koper en de aarde gelijk ijzer.
II. Hij toont hun hoe groot, misdadig en tergend hun zonden waren. Toen zij de verering van de ware God verlaten hadden, was alle zedelijkheid en eerlijkheid onder hen verloren gegaan. Er worden onder Mijn volk goddelozen gevonden, ( vers 26) sommigen van de slechtste soort, en dat is te erger omdat zij onder Gods volk gevonden worden.
1. Zij waren bedrieglijk en kwaadaardig. Zo zijn de eigenlijke goddelozen, zij verheugen zich in onrecht doen. Zij werden gevonden, dat is: betrapt, midden in het bedrijven van hun goddeloosheid. Gelijk jagers of vogelvangers strikken spannen voor hun wild, zo liggen zij op de loer om mensen te vangen, zij maken er hun tijdverdrijf van en doen het even gaarne als zij op de jacht van dieren gaan. Zij bedachten middelen om de godvrezenden kwaad te doen, die zij haatten om hun goedheid, voornamelijk hun, die hen getrouw vermaand hadden, Jesaja 29:21, of die hun verkeerde plannen in de weg stonden, of die hen, naar zij meenden beledigd hadden, of hun enige onvriendelijkheid bewezen, of naar welker bezittingen zij gierden, zoals Jezebel Naboth verstrikte om zijn wijngaard te verkrijgen.
2. Zij waren vals en verraderlijk, vers 27, Gelijk een kooi vol is van gevogelte, om voor hun tafel gemest te worden, zo zijn hun huizen vol bedrog, en daarom zijn zij groot en rijk geworden door allerlei bedrieglijke praktijken. Al hun zaken worden met bedrog uitgevoerd, die met hen in aanraking komt, die zullen zij zo mogelijk afzetten, en dat is zo moeilijk niet voor hen die van hun woorden en daden geen gewetenszaak maken. Hierin gaan zij zelfs de daden van de bozen te boven, vers 28. Zij die bedrieglijk handelen, maar alles onder de schijn van wet en recht, doen misschien meer kwaad dan die goddelozen, vers 26, die alles dwingen door openbaar geweld, zij zijn erger dan de ergste heidenen. Nochtans zijn zij voorspoedig in hun boze wegen en daarom worden hun harten er in verhard. Zij zijn begerig naar de wereld, want zij zien dat die hun voorspoed aanbrengt, en zij deinzen voor geen boos stuk terug om dat te bereiken, want zij ondervinden dat hun boosheid, wel verre van hen te hinderen hen bevordert in hun aanzien en rijkdom. Zij zijn vet en glad, worden groot in de wereld. Zij hebben al wat zij verlangen om de lusten des vleses te bevredigen, waarnaar zij voortdurend haken, en zo worden zij vet door eten en drinken en alle zinnelijke genoegens volop te genieten. Zij zijn glad, zij glimmen, zij zien er vrolijk en opgewekt uit, en ieder bewondert hen. En zij komen alle onheilen voorbij, zo lezen sommigen de volgende woorden, zij ontsnappen aan de ongelukken die men denken zou dat hun kwaaddoen over hen brengen moest. "Zij zijn niet in moeite als andere mensen," veel minder in elk geval dan men van goddelozen denken zou, Psalm 73:6 enz. Wanneer zij groot geworden zijn en de macht in handen gekregen hebben, doen zij het goede niet dat zij behoren te doen, de rechtszaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak van de wees en het recht van de nooddruftige. Vaderlozen zijn dikwijls behoeftig en hebben altijd bijstand en raad nodig, en er wordt voordeel getrokken van hun onbeholpenheid door hun oprecht te doen. Wie meer dan de machtigen en rijken behoren hen te helpen? Waartoe hebben de mensen hun rijkdom dan om er goed mee te doen? Maar deze willen geen kennis nemen van zulke droevige omstandigheden, daartoe hebben zij geen rechtsgevoel genoeg en geen medelijden met de ongelukkigen. En indien zij zich met de zaak bemoeiden, was het niet om recht te doen, maar om hen te bevoordelen, die onrecht deden. En toch zijn zij voorspoedig. Zeker zijn de dingen van deze wereld niet de beste, want meestal hebben de slechtste mensen er het meeste van, en wij moeten niet denken, dat God hun daden begunstigt omdat zij voorspoedig zijn. Neen, ofschoon er niet onmiddellijk over hun ongerechtige daden vonnis geveld wordt, zal het toch komen.
3. Er was een algemeen bederf onder alle rangen en standen van de mensen, vers 30, 31. Een verschrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land. De ontaarding van een volk dat zo bevoorrecht en verlicht was, moet met afschuw en verbazing aangezien worden. Hoe konden zij ooit zoveel verplichtingen verbreken! Het was een verschrikkelijk ding dat verafschuwd moest worden en waarvan de gevolgen gevreesd moesten worden. Laat ons, ten einde ons van de zonden af te schrikken, zien wat het was. In het kort dit:
A. De leiders misleidden het volk. De profeten profeteerden valselijk, zij gaven voor een boodschap van de hemel te brengen, terwijl zij werktuigen van de hel waren. De godsdienst wordt nooit gevaarlijker aangevallen dan onder schijn en voorgeven van goddelijke openbaring. Maar waarom stonden de priesters, die daartoe de macht in handen hadden, die valse profeten niet tegen? Helaas, inplaats van dat te doen maakten zij hen tot werktuigen van hun naijver en tirannie. De priesters heersen door hun handen. Zij ondersteunden zichzelf in hun grootheid en rijkdom, hun luiheid en weelderigheid, hun aanmatiging en onderdrukking, door de hulp van die valse profeten en hun aanzien bij het volk. Zij hadden dus samengespannen tegen al wat goed was en sterkten elkanders handen in het kwade.
B. Het volk werd gaarne zo misleid. Zij zijn Mijn volk, zegt God, zij behoorden voor Mij op te komen en te getuigen tegen de goddeloosheid hunner priesters en profeten, maar zij hebben het gaarne alzo. Indien de priesters en profeten hen maar in hun zonden laten begaan, dan zullen zij deze in hun wandaden niet hinderen. Zij wensen met losse teugel gereden te worden, en hebben veel genoegen in regenten die hun lusten niet tegenstaan en in onderwijzers die hen niet bestraffen.
III. Hij toont aan hoe noodlottig de gevolgen van deze handelwijzen zijn zullen. Zij behoren er wel op te letten:
1. Welke afrekening voor deze goddeloosheid zal gehouden worden, vers 29. Zou Ik over deze dingen geen bezoeking doen? evenals vers 9. Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm! Dan roemt de barmhartigheid tegen het oordeel. Maar hier spreekt het oordeel tegen de barmhartigheid: Zou Ik geen bezoeking doen? Wij zijn er zeker van dat de oneindige wijsheid het evenwicht tussen die beide weet te houden. De wijze van uitdrukking is zeer aandoenlijk en toont aan:
a. De zekerheid en noodzakelijkheid van Gods oordelen. Zou Mijne ziel zich niet wreken? Ja, zonder twijfel, de wraak zal komen, zij moet komen indien de zondaren geen berouw tonen.
b. De gerechtigheid en onkreukbaarheid van Gods oordelen, Hij beroept Zich op des zondaars eigen geweten. Behoren zij, die aan zulke zware misdaden schuldig zijn, niet gestraft te worden? Zal Hij Zich niet wreken aan zo'n volk, zo'n goddeloos en tergend volk? 2. Wat het rechtstreekse gevolg van hun goddeloosheid zal zijn. Wat zult gij ten einde van die maken? Dat is:
a. In welk een afgrond van ongerechtigheid zult gij eindelijk komen? Wat zult gij doen? Wat zult gij al niet doen dat laag en goddeloos is! Wat moet daarvan groeien? Gij zult zeker van erger tot erger gaan, totdat gij de maat van uw ongerechtigheid vervuld hebt.
b. In welk een afgrond van verwoesting zult gij eindelijk komen? Wanneer de dingen zover gekomen zijn, dat van u niets anders kan verwacht worden dan een zondvloed van zonden, dan kan er van God niets anders verwacht worden dan een zondvloed van wraak, en wat zult gij doen als die komt? Zij die op slechte wegen wandelen, mogen wel bedenken dat die leiden tot telkens groter zonden en tot uiterste verwoesting. Er zal een einde komen, een einde aan een goddeloos leven, dan zal al het gebeurde teruggeroepen worden, en zonder twijfel zal het bitterheid in het einde zijn.