Jeremia 5:10-19
In deze verzen, evenals in de vorige, vinden wij:
I. De zonden van dit volk, die de aanleiding waren tot de hun gezonden boodschap. God verloochent hen en veroordeelt hen tot verwoesting, vers 10 :
Maar is er geen oorzaak? Ja, want:
1. Zij hebben de wet van God verlaten, vers 11. Het huis Israëls en het huis van Juda, ofschoon dikwijls onderling onenig, zijn beide geheel trouwelooslijk jegens God geweest. Zij verlieten de verering van Hem, en verbraken daardoor hun verbond met Hem, zij stonden tegen Hem, en waren huichelaars.
2. Zij hebben de oordelen Gods ontkend en noemden Zijn bedreigingen door de mond van Zijn profeten leugen, vers 12, 13. Hun was meermalen gezegd dat het kwaad hun zeker overkomen zou, zij moesten vreeslijke oordelen verwachten, zwaard en honger, maar zij waren gerust en zeiden: Wij zullen vrede hebben, ofschoon wij zo voortgaan. Want
a. Zij hadden geen vreze Gods. Zij belogen Hem en beoordeelden alles wat Hij hun, ook door natuurlijk licht deed weten, met: Hij is het niet, dat is, God is niet zoals men ons wil doen geloven. Hij ziet het niet, slaat er geen acht op, zal er niet naar onderzoeken, en daarom zal ons geen kwaad overkomen. Menigten zijn verloren gegaan omdat hen geleerd werd te geloven dat God het met hen zo nauw niet neemt als Zijn Woord zegt, ja door die kunstgreep heeft Satan ons allen ongelukkig gemaakt: Gij zult niet sterven! Zo ook hier: wij zullen noch zwaard, noch honger zien. Valse hoop van ongestraft te zullen blijven is de bedrieglijke grond van alle goddeloosheid.
b. Zij vreesden niet voor hetgeen God gezegd had. De profeten waarschuwden hen getrouw, maar zij wezen dat spottend af: Zij zouden zo niet spreken, als het hun beroep niet was, wat zij zeggen zijn woorden, en woorden zijn slechts wind. Wat zij vertellen is niet het Woord des Heeren, maar alleen de uiting van hun eigen naargeestige opvatting of van hun slechte gezindheid jegens ons volk, omdat zij niet in de smaak vallen. Onbekeerlijke zondaren zijn niet geneigd enig woord van God aan te nemen, dat tegen hen gericht is en dat strekken moet om hen te scheiden van hun zonden of hen daarover te verontrusten. Zij dreigen de profeten: Zij zullen tot wind worden, zij zullen ongemerkt voorbijgaan, en dan zal het met hen gedaan zijn, hetgeen waarmee zij ons bedreigen zal, op henzelf neerkomen. Trachten zij ons te verschrikken met honger? Laat hen, gelijk Michaju, gespijsd worden met brood van de bedruktheid, 1 Koningen 22:27. Spreken zij ons van het zwaard? Laat hen door het zwaard omkomen! Hoofdstuk 2:30. Zo bespotten en beschimpten zij Gods boodschappers en vervulden daardoor de maat hunner ongerechtigheid.
II. De straf van dit volk voor hun zonden.
1. De bedreigingen, waarom zij lachten, zullen uitgevoerd worden, vers 14. Omdat gijlieden dit woord spreekt, dit woord van verachting voor de profeten en hetgeen zij zeggen, daarom zal God deze eer op hen en op hun woorden leggen, dat er geen tittel of jota van zal ter aarde vallen, 1 Samuël 3:19. Hier keert God zich tot de profeet Jeremia, die dus beschimpt was en zich allicht daaronder min of meer onrustig gevoelde: Zie, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken. God erkent die woorden als de Zijne, ofschoon de mensen dat ontkenden, en zal die zoveel kracht geven als vuur heeft, dat al wat brandbaar is verteert. Uw woord zal vuur worden en dit volk hout. Zondaren maken door hun zonden zichzelf tot brandstof voor de wraak van God, die van de hemel geopenbaard zal worden tegen alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen. Het Woord van God zal zeker te sterk zijn voor degenen, die er tegen twisten. Die er niet voor buigen willen, zullen er door breken.
2. De vijand, van wie zij dachten dat geen gevaar te duchten was, zal over hen komen. God gaf hem zijn opdracht, vers 10 : Beklimt haar muren en verderft haar, beklimt die en treedt die onder de voet. Muren van steen zullen voor zo'n opdracht van Godswege, als muren van klei worden. En zijt gij eenmaal meester van de wallen, verderft dan naar hartelust. Gij moogt al haar spitsen, of versterkingen, wegnemen en maken dat de versterkte steden komen open te liggen, want haar versterkingen zijn niet des Heeren, Hij erkent ze niet en zal ze dus niet beschermen of versterken. Zij waren niet opgericht in Zijn vreze of in afhankelijkheid van Hem, het volk vertrouwde er meer op dan op God, en daarom zijn zij de Zijne niet. Indien een stad vol zonden is, zal God haar muren niet beschermen en dan zijn zij als papieren wallen. Wat kan ons verdedigen, indien Hij die onze verdediging en de verdediger van al onze verdedigingen is, ons verlaten heeft? Numeri 14:9. Wat niet van God is, kan niet staande blijven, niet eens lang staande blijven, en ons geen nut doen. Welk vreeslijk werk deze vijanden zouden verrichten wordt beschreven in vers 15 :Zie, Ik zat over ulieden een volk van verre brengen, o huis Israëls! Alle volken staan onder Gods bevel, Hij doet met hen wat Hem behaagt en gebruikt hen zoals Hij wil. En soms behaagt het Hem om van de volken van de aarde, de heidense volken, een gesel te maken, voor het huis Israëls, wanneer dat een huichelachtig volk geworden is. Dit volk van de Chaldeën wordt hier gezegd een volk van verre te zijn, het wordt van verre over hen gebracht, en daarom zal het groter buit maken en langer blijven, opdat de soldaten voor al hun moeite beloond worden. Het is een volk, waarmee gij geen handel gedreven hebt, omdat de afstand te groot was, en daarom kunt gij niet verwachten enige gunst bij hen te vinden. God kan onheilen over ons brengen uit ver verwijderde landen en door geheel vreemde oorzaken. Het is een sterk volk, dat niet tegen te staan is, een zeer oud volk, dat zich veel laat voorstaan om zijn oudheid en daarom zeer hooghartig en heerszuchtig is. Het is een volk, welks spraak gij niet zult kennen, zij spraken Syrisch, waarmee de Joden toen nog niet vertrouwd waren, zo als blijkt uit 2 Koningen 18:26. Het verschil van taal zou het zoveel moeilijker maken om met hen over vrede te onderhandelen. Vergelijk hiermede de bedreiging in Deuteronomium 28:49, welke hierop schijnt betrekking te hebben, want de wet en de profeten stemmen volmaakt met elkaar overeen. Zij zijn wel gewapend, Zijn pijlkoker is een geopend graf, hun pijlen zullen in zo grote menigte vliegen, zo zeker op het doel afgaan, zo diep wonden, dat zij niets dan dood en verderf brengen. Zij zijn allemaal helden, weerbare, machtige mannen vers 16. En wanneer zij zich eenmaal van het land meester gemaakt hebben, zullen zij alles verslinden wat voor hun aangezicht is, en alles als het hunne beschouwen, waar zij de hand slechts op leggen kunnen, vers 17.
3. Zij zullen het land afstropen, zij zullen hun krijgslieden niet alleen voeden, maar brooddronken maken met de kostelijke voortbrengselen van hun vruchtbaar land. Zij zullen niet opstapelen, (dan kon er misschien nog iets gered worden) maar zij zullen opeten uw oogst in het veld en uw brood in het huis, dat uw zonen en uw dochteren zouden eten. Hetgeen wij bezitten, hebben wij voor onze gezinnen en het is een genot onze zonen en dochteren te zien eten van hetgeen wij met moeite en zorg gewonnen hebben. Maar het is een grievende teleurstelling te zien dat het door vreemden en vijanden verslonden wordt, te zien dat zij in hun kampen voorraad brengen uit onze schuren, terwijl zij die ons zo dierbaar zijn van gebrek omkomen. Dit is overeenkomstig de vloek van de wet, Deuteronomium 28:33 Zij zullen eten uw kudden en klein vee, waaruit gij genomen hebt als offers voor hun afgoden, zij zullen geen enkele vrucht aan uw wijnstok en vijgeboom overlaten.
4. Zij zullen uw vaste steden arm maken, ( en welke verdediging houdt het uit tegen armoede, wanneer die iemand als een gewapend man overvalt?) deze steden op dewelke gij vertrouwt als op een bescherming voor uw land. Het is rechtvaardig in God ons te verarmen juist in hetgeen waarop wij ons vertrouwen gesteld hadden. Zij zullen u verarmen met het zwaard, alle inbreng van levensmiddelen verhinderen, alle handel onderscheppende, en dat zal zelfs de versterkte steden verarmen.
III. Hier wordt een aanduiding van Gods teder medelijden met hen gegeven. De vijand wordt gezonden om alles te verstoren en ledig te maken, toch zullen sommigen levend overblijven, de vijand zal grote buit roven, toch moet hij iets overlaten, waarvan de overlevenden in het leven blijven kunnen, want God heeft ook van dit grote onheil een desniettegenstaande gesproken, vers 18. Nochtans zal Ik ook in die dagen geen voleinding met u maken, en indien God dat niet doen zal, kan de vijand het niet doen. God heeft barmhartigheid voor Zijn volk en daarom zal Hij deze vreeslijke oordelen beperken, en spreken: Tot hiertoe en niet verder.
IV. De rechtvaardiging van God ten aanzien van deze handelingen met hen. Gelijk Hij zal betonen genadig voor hen te zijn door geen voleinding met hen te maken, zo zal Hij zich ook rechtvaardig betonen door het kwaad zo nabij te doen komen, en Hij wil dat zij erkennen zullen dat hun geen onrecht gedaan is, vers 19.
Merk op:
1. Hoe aanmatigend dit volk naar de reden vraagt: Zij zullen zeggen: Waarom heeft ons de Heere onze God al deze dingen gedaan? Welke aanleiding hebben wij Hem daartoe gegeven en waarom twist Hij met ons? Alsof tegenover zo'n zondig volk geen redenen in overvloed op te noemen waren! Niet-verootmoedigde harten zijn altijd gereed om God de schuld te geven van hun tegenheden, en voor te wenden er de oorzaak niet van te weten, al staat de overtreding ook op hun voorhoofden geschreven.
2. De reden wordt onmiddellijk opgenoemd. De profeet ontvangt opdracht welk antwoord hij hun moest geven, want God zal gerechtvaardigd zijn als Hij oordeelt, al oordeelt Hij ook in nog zo grote verschrikking. De profeet moet hun zeggen dat God zo tegen hen optreedt om hetgeen zij tegen Hem gedaan hebben, en dat zij, indien zij willen, hun zonde in hun straf lezen kunnen. Weten zij niet zeer goed dat zij God verlaten hebben, en mogen zij het daarom vreemd vinden dat God hen verlaat? Hebben zij vergeten hoe dikwijls zij vreemde goden gediend hebben in hun eigen land, dat goede land, met welks overvloed van vruchten zij God hadden moeten dienen in blijdschap des harten? En is het daarom niet rechtvaardig dat God hen vreemden laat dienen in een vreemd land, waar zij niets hun eigendom kunnen noemen, gelijk Hij gedreigd had, Deuteronomium 28:47-48. Zij die zo op vreemden gesteld waren, kunnen nu tot de vreemden gaan.