34. En aangaande zijns tering, ene gedurige tering, ene bezending van levensmiddelen en andere behoeften werd hem van den koning van Babel gegeven; elk dagelijks bestemde deel op zijnen dag; hij ontving dagelijks zoveel als hij tot onderhoud zijner dienaren en zijner familieleden nodig had, zodat hij ene eigene hofhouding kon hebben. Dit geschiedde tot op den dag zijns doods, al de dagen zijns levens.
Vergelijk 2 Koningen 25:30 over de diepere betekenis dezer gebeurtenis, en de Goddelijke bedoeling daarmee. De verzen 31, 34 stemmen weer zakelijk overeen met 2 Koningen 25:27-30. Niemand moet wanhopen in `t ongeluk, want de rechterhand des Allerhoogsten kan alles veranderen (Psalm 77:11) en Christus heerst ook midden onder Zijne vijanden (Psalm 110:2 #Psalm 1 .), Wien zij de lof en eer en macht van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.
Wat worden ons vele onderwerpen tot onze overdenking aangeboden in het boek van den Profeet Jeremia! Hoe veel en langdurig lijden is hier aan de kerk en aan het volk des Heeren aangekondigd! Welke beloften van genade! Wat is deze Profeet beproefd en beproefd! Welk ene rij van zware beproevingen in het lot van het volk van Israël en Juda! Dat wij het allen ernstig overdenken en Jehova's genadige getrouwheid aan Zijn verbond als de enige oorzaak noemen van Israëls behoud. O welk een zegen is die rijke genade en goedertierenheid, aan de kerk in Jezus Christus gegeven vóór de grondlegging der wereld! Dat wij hierop al onze gedachten stellen. Laat ons hier opsporen de bron van alle genade! In Hem hebben wij het gehele voornemen der verlossing en van Hem komt alle vertroosting; God was in Christus de wereld verzoenende met Zich zelven (2 Corinthiërs 5:19), en Hij heeft het geheel gesteld op een onwankelbaren rotssteen. Mochten wij meer en meer leren op deze rots der eeuwen te steunen en met oprecht geloof uit te zien naar dat uur, wanneer de Heere Zijn Zion zal wederbrengen, en al de vijanden Zijner kerk met ene eeuwige verwoesting zal ten onder brengen.
SLOTWOORD OP HET BOEK JEREMIA.
Niet ten onrechte hebben de kerkvaders den Profeet Jeremia den meest beproefden van alle Profeten genoemd, maar, kunnen we er bijvoegen, door Gods genade is hij ook de Profeet, die door hoon noch spot, door dreiging noch mishandeling, door gevangenisstraf noch doodsgevaar zich heeft laten terughouden, om vorst en volk de oordelen en gerichten Gods aan te kondigen.
Zwak in zichzelven, zodat de Heere hem op bijzondere wijze moed moest instorten, openbaarde hij zich overigens als een rotsvasten geloofsheld, die het duidelijk bewees dat ook de Heere aan hem vervulde, wat Hij eeuwen daarna aan een anderen Gezant verzekerde: "Mijne genade is u genoeg, en Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. "
In zijn optreden als Profeet kan men duidelijk twee perioden onderscheiden.
De eerste loopt van 621 tot 606 v. C. van zijn 20ste tot zijn 40ste levensjaar.
Zij omvat den tijd van het 13de jaar van Josia tot het 4de jaar van Jojakim.
In die dagen had wel Juda's vrome koning een reformatie begonnen, en het scheen wel, dat, onder den invloed van Jeremia, Juda's volk van zijn bozen weg zou worden afgebracht, maar na den dood van den vorst bleek het den Profeet duidelijk genoeg, dat het volk rijp was voor het gericht.
De Heere toont hem den ook den ziedenden pot van het Noorden en hij weet nu, dat de Heere het gericht over Zijn volk door Chaldea's vorst zal volbrengen. En toen de verovering van Nineve, de slag bij Karchemis en de eerste verovering van Jeruzalem had plaats gehad, wist de Profeet met te vaster zekerheid, dat straks stad en land, vorst en volk zal overgegeven worden in de handen van Babel.
Van die dagen af, d. i. van het jaar 606 af (de tweede periode), is het het altijd wederkerend geroep tot zijn volk, dat er van een ontkomen aan het gericht geen sprake is; dat alleen hij, die buigt voor de roede en zich aan het gericht onderwerpt, zal leven, zal ontkomen aan den dood en aan het zwaard van de Chaldeën.
En waar hij de oordelen Gods aankondigt, en het volk onomwonden zegt, dat het gericht zal komen, daar doet hij dat schier altijd met een beroep op de dreiging der Wet.
Hij zegt het zijn volk zo duidelijk mogelijk, dat wat Mozes in de Wet heeft gesproken en wat daarom God, de Heere, in de Wet heeft gedreigd, zeker zal vervuld worden.
Juda's valse profeten mogen van "vrede, vrede" spreken, mogen aan het volk redding en verlossing voorspellen, hij, Jeremia, beroept zich op de Wet, hij haalt aan, hij laat nogmaals horen wat ook andere Profeten des Heeren hebben verkondigd.
Al ondergaat hij het grootste leed, al doet men hem zware kerkerstraf ondergaan, al moet hij den kuil in, hij heeft geen andere boodschap dan van straf en gericht voor het volk en voor zijn vorsten, die Gods wet verachten en verwerpen.
Zwaar moge het hem vallen, hij moge zelf gebukt gaan onder al het leed en den jammer dien hij aankondigt, God, de Heere maakt hem een ijzeren pilaar en een koperen muur, gelijk Hij hem beloofd heeft (1:6).
Dit is zo duidelijk merkbaar in al zijne redenen, die hij houdt, welke de H. Geest hem op de lippen legt.
Eerst dan verdwijnt het weemoedige, indien hij zich keren moet tot de vijanden, vooral tegen Babel.
Is zijn rede, als hij die tegen zijn volk uitspreekt, niet ten onrechte genoemd, die van een dichter der woestijnen en der smart, als hij zijn rede opheft tegen de verdrukkers van zijn volk, ja tegen de vijanden Gods, neemt deze de vlucht van een Jesaja, en evenaart hij dezen Adelaar onder de Profeten in sierlijkheid van wending en in openbaring van kracht, is zijn rede hoog verheven en indrukwekkend schoon.
Vandaar dan ook, dat op enkele uitzonderingen (Hoofdstuk 10:1-16 enz.) na, de echtheid van zijn voorzeggingen niet ernstig zijn aangevallen dan vooral die der laatste hoofdstukken (50 en 51).
Waarbij men echter vergeet en voorbij ziet, dat de Profeet is, dienstknecht van den waren God, die in Babel niet alleen of niet zozeer ziet een vijand van zijn volk, als wel een vijand van zijn God, en die het weet, dat de verwoesting van Babel, de verlossing van zijn volk met zich meebrengt.
De profetie van Babels val is tevens triomflied over de verlossing van zijn zwaar beproefd volk.
Wat het ontstaan van dit Boek betreft, het valt niet te betwijfelen, dat zijn eigen eerste optekenen in het jaar 606 v. C. de grond er van vormt, en meer dan hoogstwaarschijnlijk heeft zijn schrijver Baruch in Egypte, na den dood des Profeten, gezorgd voor het rangschikken van het geheel, terwijl deze zelf er dan het 52ste hoofdstuk heeft bijgevoegd.
Men heeft niet ten onrechte Jeremia een type genoemd van den Heere Jezus Christus.
Alleen staat hij toch, alleen treedt ook hij de pers der beproevingen.
Ook hij weent over de verblindheid van Jeruzalems vorsten en van Jeruzalems volk.
Ook hij gaat als het ware onder.
Maar gelijk Christus Jezus ook het leven uit den dood, de overwinning na den strijd heeft gepredikt, alzo ook Jeremia.
Ook Jeremia heeft ten slotte de rijkste vertroosting mogen verkrijgen.
Te midden van zijn diepste vernederingen, overstroomde, het is te recht gezegd, de Heere hem met den troost, dat hij `t toekomstig heil, de verlossing mocht aanschouwen en verkondigen (Hoofdstuk 30-33).
Ook van dezen Godsman geldt het bij uitnemendheid: Hij heeft geloofd, daarom heeft hij gesproken.