2 Koningen 23:31-37
Nadat Josia in zijn graf was gelegd heeft Jeruzalem geen enkele goede gelukkige dag meer gezien, de moeilijkheden en benauwdheden volgden elkaar op, totdat het binnen twee en twintig jaar geheel verwoest werd.
Van de regering van twee van zijn zonen wordt hier een kort bericht gegeven, de eerste zien wij hier als gevangene, de laatste als schatplichtige van de koning van Egypte, en beide reeds in het begin hunner regering in die toestand. De koning van Egypte had Josia gedood, en hoewel hij oorspronkelijk geen bedoelingen had tegen Juda, schijnt hij nu toch, geprikkeld door de tegenstand, die Josia hem had geboden geheel zijn krijgsmacht tegen zijn geslacht en zijn land gekeerd te hebben. Indien Josia's zonen in zijn voetstappen hadden gewandeld, het zou er hun om zijn Godsvrucht te beter om gegaan zijn, maar er van afwijkende, verging het hun te slechter om zijn roekeloosheid.
I. Jóahaz, een jongere zoon, werd het eerst koning gemaakt door het volk des lands, waarschijnlijk omdat men bemerkte dat hij van een meer werkzamer, krijgshaftigen aard was dan zijn oudere broeder en de koning van Egypte het hoofd zou kunnen bieden, om zijns vaders dood te kunnen wreken, dat het volk misschien meer verlangde als punt van eer, de omdat zij wensten zijns vaders reformatie voort te zetten, en daarnaar was dan ook de uitkomst.
1. Hij deed kwaad, vers 32. Hoewel hij een goede opvoeding had genoten en een goed voorbeeld had ontvangen en, naar wij kunnen onderstellen, menig goed gebed voor hem was opgezonden, deed hij toch wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en het is te vrezen dat hij dit reeds bij het leven zijns vaders is begonnen te doen want zijn regering was zo kort dat hij daarin niet veel van zijn slecht karakter heeft kunnen tonen.
Hij deed naar alles, wat zijn goddeloze vaderen gedaan hadden. Hij heeft geen tijd gehad om veel te doen, maar hij heelt zich zijn voorbeelden gekozen en toonde wie hij gezind was na te volgen, in wiens voetstappen hij wilde wandelen, en dit gedaan hebbende, wordt hij hier geacht gedaan te hebben naar al het kwaad, dat zij gedaan hebben, die hij zich voorstelde te zullen navolgen.
De keuze van de personen, die jongelieden zich ten voorbeeld stellen, is van groot en ernstig belang, een dwaling in die keus is noodlottig, Filipp. 3:17, 18.
2. Doende wat kwaad is, is het niet te verwonderen dat het hem slecht verging. Slechts drie maanden was hij koning, en toen werd hij reeds tot een gevangene gemaakt, en als gevangene heeft hij geleefd en is hij gestorven.
De koning van Egypte liet hem binden, vers 33 uit vrees dat hij hem nog moeilijkheden zou berokkenen, en voerde hem naar Egypte, waar hij spoedig daarna is gestorven, vers 34.
Deze Jóahaz is de jonge leeuw, waarvan Ezechiël spreekt in zijn weeklage over de vorsten Israëls die leerde roof te roven en mensen opat dat was het kwaad, dat hij deed in de ogen des HEEREN, maar de volken hoorden van hem hij werd gegrepen in hun groeve en zij brachten hem met haken naar Egypteland, Ezechiël 19:1-4. Zie Jeremia 22:10-12. II. Eljakim, een andere zoon van Josia, werd koning gemaakt door de koning van Egypte, er wordt niet gezegd: in de plaats van Jóahaz, deze regering was zo kort, dat zij nauwelijks van de moeite waard was om er nota van te nemen, maar in de plaats van Jósia. De kroon van Juda was totnutoe altijd overgegaan van vader op zoon, en nooit voor toen van broeder op broeder, eenmaal was er een dergelijke opvolging in het huis van Achab, maar voor nu nooit in het huis van David.
De koning van Egypte, zijn macht getoond hebbende door hem koning te maken, toonde haar nog verder door zijn naam te veranderen, hij noemde hem Jójakim, een naam, die betrekking heeft op Jehovah, want hij bedoelde niet hem afvallig te maken van de Godsdienst van zijn land, of hem die te doen vergeten, alle volken zullen wandelen, elk in de naam zijns gods, laat hem het ook doen. De koning van Babel heeft dit niet gedaan met hen, wier namen hij veranderd heeft, Daniël 1:7.
Van deze Jójakim wordt ons hier gezegd:
1. Dat de koning van Egypte hem arm maakte, een zeer grote schatting van hem eiste, honderd talenten zilvers en een talent gouds, vers 33, dat hij met grote moeite zijn onderdanen afperste, en het aan Farao gaf vers 35.
Vroeger hadden de Israëlieten de Egyptenaren beroofd, nu beroven de Egyptenaren Israël, zie hoe treurige verandering de zonde teweegbrengt.
2. Dat hetgeen hem arm maakte hem toch niet goed maakte.
In weerwil van de bestraffingen van de Voorzienigheid, waaronder hij was en waardoor hij van zonde overtuigd, verootmoedigd en tot bekering gebracht had moeten worden, deed hij dat kwaad was in de ogen des HEEREN, vers 37, en bereidde zich aldus nog grotere oordelen, want die zal God zenden indien de mindere oordelen het werk niet doen waartoe zij gezonden waren.