Jeremia 50:1-8
I. Hier wordt een woord tegen Babel gesproken door Hem, Wiens woorden alle overeenstemmen met Zijn werken, en van Wiens woorden geen enkel ter aarde vallen zal. De koning van Babel was zeer vriendelijk geweest jegens Jeremia, en toch moet hij de ondergang van dat koninkrijk voorspellen, want Gods profeten moeten niet beheerst worden door gunst of genegenheid. Wie onze vrienden ook zijn, als ze desondanks Gods vijanden zijn, mogen wij niet van vrede tot hen spreken.
1. De verwoesting van Babel wordt hier besproken als iets, dat gedaan is, vers 2. Laat het bekend worden aan de volken als een nieuwsbericht, als een waar bericht en een groot nieuws, een nieuws, waarbij zij allen belang hebben, laat hen de vlag uithangen zoals de gewoonte is op de dag van de overwinning, om er kennis van te geven, laat iedereen er kennis van nemen: "Babel is ingenomen." Laat God er de eer, en Zijn volk de troost ervan hebben, en daarom verbergt het niet. Zorgt, dat het bekend wordt opdat "de Heere bekend mag worden door de gerichten die Hij oefent, Psalm 9:16.
2. Zij wordt besproken als iets, dat niet ten halve gedaan is. Want,
a. Zelfs de afgoden van Babel, die het volk met de meest mogelijke zorg beschermde, en van wie het bescherming verwachtte, zullen vernietigd worden. Bel en Merodach waren hun voornaamste goden, "zij zullen beschaamd en hun beelden verpletterd worden."
b. Het land zal verwoest worden van het noorden, van Medië, dat ten noorden van Babel lag, en van Assyrië, waardoor Cyrus zijn aanval op Babel richtte vandaar zal het volk komen, dat "haar land zal zetten in verwoesting." Hun land was ten noorden van de landen, die zij verwoestten, die daarom bedreigd werden met kwaad van het noorden. "Omne malum ab aquiline-Alle kwaad komt uit het noorden, " maar God zal nog noordelijker volken vinden, die over hen zullen komen. De pracht en praal van het oude Rome werden neergehaald door noordelijke volken, de Gothen en Vandalen.
II. Hier wordt een woord gesproken voor het volk van God, en om hen te troosten, beide "de kinderen Israëls, en die van Juda", want velen waren er onder de tien stammen, die zich voegden bij die van de twee stammen op hun terugkeer uit Babel.
1. Hier wordt beloofd, dat zij zullen terugkeren, eerst tot God, en dan naar hun eigen land, en de belofte van hun bekering en verbetering is het, die de weg baant voor alle andere beloften, vers 4,5
a. "Zij zullen de Heere achterna klagen," zoals het hele huis van Israël deed in Samuëls tijd, 1 Samuël 7:2, zij zullen wenende heengaan. Deze tranen vloeien niet van wereldse smart, zoals toen zij in gevangenschap gingen, maar uit godzalige smart, het zijn tranen van berouw over de zonde, tranen van vreugde over de goedheid van God, bij het aanbreken van de dag van hun verlossing, wat, voor zover blijkt er meer toe bijbrengt, dat zij treuren over hun zonde dan al de rampen van hun gevangenschap, wat in staat is hen tot berouw te voeren, terwijl het andere hen niet tot berouw vermocht te drijven Het is een goed teken, wanneer God op de weg van de genade tot een volk komt, dat zij onder Zijn hand tederlijk geroerd beginnen te worden. b. Zij zullen de Heere zoeken zij zullen niet onder hun smarten bezwijken maar zich opmaken om troost te zoeken, waar die te vinden is: Zij zullen wenende henengaan, en de Heere hun God zoeken. Die de Heere zoeken, moeten Hem zoeken met angst, zoals Christus' ouders Hem zochten, Lukas 2:48. En zij, die angst hebben, moeten de Heere zoeken, en dan zal hun angst weldra veranderen in blijdschap, want Hij zal gevonden worden van degenen, die Hem aldus zoeken. "Zij zullen de Heere als hun God zoeken", en zullen nu niets meer te maken hebben met afgoden. Wanneer zij horen dat de afgoden van Babel "beschaamd en verpletterd" zijn, zal het tijd zijn voor hen om hun eigen God te zoeken, en zich te bekeren tot Hem, Die eeuwig leeft. Daarom worden de mensen in hun valse goden bedrogen, opdat zij zich op de waren God alleen zullen verlaten.
c. Zij zullen er aan denken naar hun eigen land terug te keren, zij zullen er aan denken, niet alleen als een genade, maar ook als een plicht, omdat daar alleen de heilige berg Zion is, waarop eens het huis van de Heere hun God stond, vers 5 :Zij zullen naar Zion vragen, op de weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn. Zion was de stad van hun plechtige feesten, zij dachten er dikwijls aan in de diepte hunner gevangenschap, Psalm 137:1, maar nu de ondergang van Babel hun enige hoop geeft op bevrijding, spreken zij nergens meer over, dan over hun terugkeer naar Zion. Tevoren was hun hart er op gezet, en nu zijn hun aangezichten derwaarts gericht. Zij verlangen er te zijn, zij gaan op weg naar Zion en besluiten zich niet op te houden, voordat zij er zijn. De reis is lang en zij kennen de weg niet, maar zij zullen de weg vragen, want zij zullen zich voorthaasten totdat zij te Zion komen, en, daar zij besloten zijn niet terug te keren, zijn zij bezorgd om de weg niet te missen. Dit is een voorstelling van de terugkeer van arme zielen tot God. De hemel is het Zion, dat hun doel is, daar hebben zij hun hart op gezet, derwaarts zijn hun aangezichten, en daarom vragen zij de weg daarheen. Zij vragen de weg naar de hemel niet om hun aangezicht naar de wereld te richten, en ook richten zij hun aangezichten niet naar de hemel, om op goed geluk te wandelen zonder de weg te vragen. Maar alle ware bekeerden hebben beide, een oprecht verlangen om hun doel te bereiken, en een voortdurende bezorgdheid om op de weg te blijven, en het is een gezegend gezicht, mensen aldus de weg naar de hemel te zien vragen met hun aangezicht derwaarts.
d. Zij zullen hun verbond vernieuwen om in `t vervolg dichter bij God te wandelen: "Komt en laten wij ons de Heere toevoegen met een eeuwig verbond". Zij hadden hun verbond met God verbroken, zij hadden zich inderdaad van Hem gescheiden, maar nu besluiten zij zich Hem weer toe te voegen, door zich opnieuw te verbinden de Zijnen te zijn. Wanneer zij, die zich afgekeerd hebben, zich bekeren, moeten zij de eerste werken doen, en het verbond, dat zij eerst gemaakt hadden, vernieuwen, en het moet een eeuwig verbond zijn, dat niet meer verbroken mag worden, en om dat te bereiken mag het nimmer vergeten worden, want een behoorlijke herinnering eraan zal het middel zijn tot een behoorlijke waarneming ervan.
2. Hun tegenwoordig lot wordt beklaagd als een, dat zeer droevig is, en, omdat het dat lang geweest is: Mijn volk (want Hij erkent ze weer nu zij zich tot Hem bekeren) waren verloren schapen, vers 6, zij gingen van berg tot heuvel, zij zijn opgejaagd van plaats tot plaats, en konden geen weide vinden, zij vergaten hun legering in hun eigen land, en kunnen de weg daarheen niet vinden. En wat hun ellende verzwaarde, was,
a. Dat "hun herders ze verleid hadden," hun eigen vorsten en priesters, zij deden hen van hun plicht afwijken, en zo tergden zij God, die hen uit hun land deed uitwijken. Een volk is er slecht aan toe, als zijn leiders het doen dwalen, als zij, die hen moesten leiden en verbeteren, hen verleiden en bederven, en als zij, die hun belangen moesten beveiligen en bevorderen, die verraden. Dat zij op hun omzwerving ten prooi waren aan de roofdieren, die meenden dat zij recht op hen hadden, enz. als op onbeheerd goed, of als op een verdwaald dier, vers 7, het ging hun als dwalende schapen, allen, die hen vonden, aten hen op, beschouwden hen als hun prooi, en wanneer zij hun het grootste oprecht aandeden, lachten zij hen uit, en zeiden, dat hun eigen profeten hun vele malen gezegd hadden, dat zij het verdienden, dat was lang geen rechtvaardiging van hen, die hun onrecht deden, maar toch plaagden zij hen met deze verontschuldiging: "Wij zullen geen schuld hebben, daarom, dat zij gezondigd hebben tegen de Heere, " maar zij konden niet beweren, dat zij tegen hen gezondigd hadden. En zie hoe zij dachten aan de Heere, tegen Wien zij gezondigd hadden, met als aan de enige ware en levende God, maar alleen als aan "de woning van de gerechtigheid en de verwachting van hun vaderen, " zij hadden de tempel en de overlevering van hun voorouders veracht, en daarom verdienden zij deze harde dingen te lijden. En toch was het inderdaad een verzwaring van hun zonde, en rechtvaardigde het God, al rechtvaardigde het hun tegenstanders niet in wat zij hun aandeden, dat zij "de woning van de gerechtigheid verlaten hadden en Hem, die de verwachting van hun vaderen was".
3. Zij worden opgeroepen zich te haasten om weg te komen, zodra de deur van de vrijheid voor hen geopend werd, vers 8. "Vliedt weg, niet alleen van de grenzen, maar uit het midden van Babel, al zijt gij nog zo welgezeten, denk er niet aan er u te vestigen, maar haast u naar Zion, en weest als de bokken voor de kudde heen, wedijvert wie de eerste zal zijn wie zal voorgaan in het goede werk", een bok maakt een goede gang, Spreuken 30:31, omdat hij voorgaat. Het is een genadegave voor te gaan in een goed werk en anderen een goed voorbeeld te stellen.