Romeinen 16:17-20
Nadat de apostel zich beijverd heeft om hen door zijn waarderende begroetingen met elkaar nauwer te verenigen, acht hij het niet ongeschikt daar een waarschuwing bij te voegen om zich in acht te nemen voor degenen, wier beginselen en praktijken verderflijk waren voor de Christelijke liefde. Hierbij moeten wij opmerken:
I. De waarschuwing zelf, welke op de meest bescheiden wijze, die men denken kan, gegeven wordt. En ik bid u, broeders! Hij wil niet bevelen als iemand, die heerschappij voert over het erfdeel des Heeren, maar hij bidt, hij verzoekt, om der liefde wille. Hoe ernstig en hoe teder zijn Paulus vermaningen. Hij leert hen:
1. Hun gevaar zien. Neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten. Onze Meester zelf heeft voorzegd dat er verdeeldheden en ergernissen zouden komen, maar Hij heeft naar aanleiding daarvan een wee! uitgesproken over degenen door wie zij komen, Mattheus 18:7. En tegen dezulken worden wij hier gewaarschuwd. Zij, die in de gemeente verdeeld-zaaiende en twist- veroorzakende beschouwingen binnenbrengen, die deze verkeerde beschouwingen met opzet handhaven en versterken, die verdelende en beledigende mededelingen binnenloodsen en verspreiden, welke als vals moeten verdacht worden, die uit hoogmoed, naijver, jacht naar nieuwigheden of iets dergelijks zorgeloos verdeeldheid zaaien onder de broederen, en door aanmatigende redeneringen, veroordelingen en kwaadsprekerij de liefde der Christenen jegens elkaar verkoelen, -zij zijn het, die tweedracht en ergernissen aanrichten, welke het tegenovergestelde zijn, para tên didachên (dat ligt in het woord opgesloten) van, welke zijn tegen, de leer die gij van ons geleerd hebt. Alles wat afwijkt van den vorm der gezonde leer, die wij in de Schriften ontvangen hebben, opent de deur voor tweedracht en ergernissen. Wanneer slechts eerst de waarheid verlaten is, zullen eendracht en vrede niet lang duren.
Neemt acht op, merkt, skopein, degenen die op zulke wijzen verdeeldheden aanrichten. Let op hen, op hun handelingen, op het doel dat zij beogen. Er is een doordringend, waakzaam oog nodig om de gevaren te onderscheiden, waarin zulke mensen ons brengen, want gewoonlijk zijn hun redenen zeer aannemelijk al is de strekking verderfelijk. Vestigt uw aandacht niet alleen op de verdeeldheden en ergernissen, maar gaat stroomopwaarts tot aan de bron en zet een merkteken op hen, die de verdeeldheden veroorzaken, die de ergernissen aanrichten, die aan beide zijden de begeerlijkheden prikkelen waaruit de twisten en vechterijen voortkomen. Een bekend gevaar is reeds half overwonnen.
2. Om die te vermijden. En wijkt af van dezelven. Vermijdt alle onnodige aanraking en gemeenschap met hen, opdat gij niet aangestoken en besmet wordt. Begeeft u niet in enige van die scheiding makende beschouwingen, neemt geen van de beginselen of praktijken aan, die zo verwoestend zijn voor de Christelijke liefde en goeddadigheid, en voor de waarheid die naar de godzaligheid is. Hun woord zal voorteten als de kanker. Sommigen menen dat hij hier bepaaldelijk waarschuwt tegen de leraren van het Judaisme, die onder den dekmantel van den Christelijken naam de Mozaïsche ceremoniën onderhielden en daar de noodzakelijkheid van verkondigden. Dezen waren in alle plaatsen ijverig bezig discipelen af te trekken en tegen hen waarschuwt de apostel in de meeste zijner brieven de gemeenten met allen ernst. II. De redenen, die deze waarschuwing versterken.
1. De verderfelijke handelwijzen van deze verleiders, vers 18. Hoe erger zij zijn, des te meer moeten wij tegen hen op onze hoede zijn. Hier volgt een beschrijving van hen in twee delen.
A. Welken meester zij dienen: niet onzen Heere Jezus Christus. Ofschoon zij zich Christenen noemen, dienen zij Christus niet, Zijne heerlijkheid is hun doel niet, wat zij ook mogen voorwenden, zij trachten niet Zijn belang te bevorderden of Zijn wil te doen. Hoevelen van degenen, die Christus Meester en Heere noemen, zijn er ver van af om Hem te dienen! Maar zij dienen hun eigen buik, hun vleselijke, zinnelijke, onbetamelijke begeerlijkheden. Er is een of andere lage lust, welke zij dienen: hoogmoed, naijver, gierigheid, weelderigheid, ontucht, deze zijn de dingen waar zij werkelijk naar streven. Hun god is hun buik, Filippenzen 3:19. Welk een lagen meester dienen zij -een meester geheel onwaardig om in enige vergelijking met Christus te komen-die hun eigen buik dienen, die van de godzaligheid een gewin maken, die de voldoening van hun zinnelijke begeerten tot doel en werk van hun leven nemen, waaraan alle andere voornemens en plannen ondergeschikt gemaakt worden.
B. De wijze waarop zij trachten hun doel te bereiken. Zij verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen. Hun woorden en toespraken hebben een schijn van heiligheid en ijver voor God (het is een gemakkelijke zaak om met den mond godvrezend te zijn!), zij maken ook een grote vertoning van vriendelijkheid en liefde op hen, aan wie zij hun bedorven leerstellingen inprenten, zij behandelen hen zeer hoffelijk, maar doen hun onderwijl het meest mogelijke kwaad. Evenzo betoverde de Slang Eva met schoonschijnende woorden en mooie toespraken. Merk op: Zij bederven hun hoofden door de harten te verleiden, verdraaien het oordeel door zich in de genegenheid der eenvoudigen listig in te dringen. Wij hebben daarom grote aanleiding om met allen ijver boven alles onze harten te bewaren, vooral wanneer er verleidende geesten rondwaren.
2. Het gevaar waarin wij verkeren, door onze eigen neigingen en geschiktheid om door hen ingepakt en verstrikt te worden. Want uwe gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen, gij zijt bij alle gemeenten als gewillig, handelbaar en meegaand bekend. En derhalve:
A. Omdat dit zo was, zouden die verleidende leraars des te meer gelegenheid hebben om hen te bespringen. De duivel en zijn dienaren hebben den meesten haat tegen bloeiende gemeenten en bloeiende zielen. Het schip, waarvan bekend is dat het de rijkste lading heeft, loopt het meest gevaar van zeerovers. De grote tegenstander en vijand is gierig naar zulk een prooi, hebt daarom acht op uzelven, 2 Johannes :8. De valse leraars horen dat gij gehoorzame mensen zijt, en daarom zullen zij zeer waarschijnlijk tot u komen, om te beproeven of gij ook hun gehoorzaam wilt zijn. Het is altijd de gewone handelwijze van verleiders geweest om vooral te werken op degenen, die door overtuigingen verzacht waren, en hun te vragen hoe het hun gaat, omdat zij verwachten dat dezen het meest voor den indruk van hun meningen vatbaar zijn. Een treurige ondervinding leert hoe menigeen, die was begonnen te vragen naar den weg naar Zion en het aangezicht daarheen gekeerd had, zich noodlottig gestoten heeft op deze rots, hetgeen bewijst dat de dienaren met dubbele zorg den plicht moeten vervullen van het voeden der lammeren van de kudde, het leggen van een deugdelijken grondslag en het vriendelijk leiden van de jongeren. B. Ofschoon zij zo gehoorzaam waren, liepen zij toch gevaar van deze verleiders. Paulus onderstelt dat met veel bescheidenheid en vriendelijkheid, niet als iemand die hen verdenkt, maar als iemand die in hen belangstelt.
Uwe gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen, ik stem dat toe en verblijd mij er in: Ik verblijd mij dan uwenthalve. Hij plaatst hen in een gunstig licht om zijne waarschuwing des te beter ingang te doen vinden. Een heilige jaloersheid van onze vrienden kan zeer goed samengaan met een heilige blijdschap over hen. Gij houdt uzelven voor zeer gelukkige mensen, en dat doe ik ook, maar daardoor moet gij u niet veilig achten. Ik wil dat gij wijs zijt in het goede, doch onnozel in het kwade. Gij zijt gewillige goedgezinde mensen, maar gij moet oppassen dat gij niet beïnvloed wordt door deze verleiders. Een buigzaam karakter is goed onder goede leiding, maar anders wordt het zeer licht verstrikt. En daarom geeft hij hier twee algemene voorschriften.
a. Zijt wijs in het goede, dat is, zijt bekwaam en verstandig in Gods waarheden en wegen. Zijt wijs in het beproeven der geesten, in het beproeven van alle dingen, en houdt dan alleen aan het goede vast. Wij hebben behoefte aan veel wijsheid in onze instemming met goede waarheden, goede plichten en goede mensen, anders zullen wij in een van die opzichten verlokt en verleid worden. Zijt daarom voorzichtig als de slangen, Mattheus 10:16, wijs om te onderscheiden hetgeen waarlijk goed is van hetgeen nagemaakt is, wijs om te onderscheiden de dingen die verschillen en om de gelegenheden waar te nemen. Aangezien wij van zoveel verleiders omringd zijn, hebben wij grotelijks behoefte aan de wijsheid der kloekzinnigen om zijn weg te verstaan, Spreuken 14:8.
b. Zijt onnozel in het kwade, weest wijs genoeg om niet verleid te worden en onnozel genoeg om geen verleiders te zijn. Er is een heilige onnozelheid, die niet instaat is enig slecht voornemen te bedenken, te bemantelen, of uit te voeren, akeraioes, onschuld, onschadelijkheid, ongeveinsd en niet uitdagend. Zijt kinderen in de boosheid, 1 Corinthiërs 14:20. De voorzichtigheid der slangen betaamt den Christenen, maar niet de listigheid van de Oude Slang. Wij moeten daarbij onschuldig als de duiven zijn. Die man is waarlijk wijs, die niet weet hoe hij iets tegen de waarheid zou moeten doen. Paulus was des te meer begerig dat de Romeinse gemeente haar oprechtheid zou bewaren, omdat die zo beroemd was, zij was een stad op een berg, en veler oog was op de Christenen aldaar geslagen, zodat een voorname dwaling een zeer slecht voorbeeld geven zou en zeer kwaden invloed op andere gemeenten zou hebben. Het is, helaas, in later dagen gebleken, dat de grote afval van de volgende eeuwen in deze hoofdstad haar oorsprong genomen heeft. De dwalingen van leiding- gevende gemeenten zijn leiding-gevende dwalingen. Toen de bisschop van Rome als een ster van den hemel viel, Openbaring 8:10, sleepte zijn staart een derde deel der sterren mede, Openbaring 12:4.
3. De belofte van God, dat wij ten slotte de overwinning zullen behalen, is ons tot verlevendiging en aanmoediging gegeven, en niet om onze waakzame zorgen en ijverige pogingen overbodig te maken. Het is een zeer heerlijke belofte: De God des vredes zal den Satan haast onder uwe voeten verpletteren, vers 20.
A. Den naam dien hij God geeft. De God des vredes, den schepper en gever van alles goeds. Wanneer wij God komen vragen om geestelijke overwinningen, moeten wij Hem beschouwen niet alleen als den Heere der heirscharen, wie alle macht is, maar ook als den God des vredes, den God des vredes met ons, die tot ons van vrede spreekt, die vrede in ons werkt, die vrede voor ons schept. Zulke overwinningen geeft God ons meer als de God des vredes dan als de God des krijgs, want in al onze oorlogen moeten wij den vrede ten doel hebben. God, als de God des vredes, zal tegenstaan en overwinnen al degenen, die tweedracht en ergernissen veroorzaken en daardoor den vrede der gemeenten verstoren en verbreken.
B. De zegening die hij van God verwacht, -een overwinning op Satan. Indien hij ook in hoofdzaak bedoelt de valse leerstellingen en verleidende geesten, waarvan hier voren gesproken is, en waarvan Satan de eerste grondlegger en maker was, toch ongetwijfeld omvat dit woord ook alle andere voornemens en aanslagen van Satan om zielen te besmetten, te verstoren en te verwoesten, al zijn pogingen om ons terug te houden van de reinheid des hemels, van den vrede des hemels hier en van het bezit des hemels hiernamaals. Satan, die verzoekt en verwart, handelt als een bedrieger en vernieler, maar de God des vredes zal hem onder onze voeten verpletteren. Hij heeft hen daarstraks gewaarschuwd en gezegd dat zij onnozel moesten zijn, nu konden zij, in aanmerking nemende hun eigen grote zwakheid en dwaasheid, gaan denken: Hoe zullen wij al die strikken, die ons gespannen worden, vermijden en ontsnappen? Zullen al deze tegenstanders onzer zielen niet ten laatste de overhand over ons verkrijgen? "Neen", zegt hij, "vreest niet, ofschoon gij die door uw eigen kracht en wijsheid niet kunt overwinnen, toch zal de God des vredes het voor u doen, en door Hem, die u liefgehad heeft, zult gij meer dan overwinnaars zijn."
a. De overwinning zal volkomen zijn. God zal den Satan onder uwe voeten verpletteren. Daar is een duidelijke heen wijzing naar de eerste belofte van den Messias, in het paradijs gegeven, Genesis 3:15, dat het zaad der vrouw den kop van de slang verpletteren zou. Die treedt nader in vervulling elke dag, waarop de heiligen instaat gesteld worden om de verzoekingen van Satan te weerstaan en te overwinnen, en zij zal volkomen vervuld worden, wanneer eens, ten spijt van alle machten der duisternis, allen die behoren tot de uitverkiezing der genade, zegevierend in de eeuwige heerlijkheid zullen opgenomen worden. Toen Jozua de koningen van Kanaän overwonnen had, riep hij de oudsten van Israël om hun voet op de halzen dezer koningen te zetten, Jozua 10:24. Zo zal eens Christus, onze Jozua, al zijn getrouwe dienaren en krijgsknechten instaat stellen op Satans nek den voet te zetten, hem te vertrappen en over al hun geestelijke vijanden te zegevieren. Christus heeft voor ons overwonnen, Hij heeft den sterk-gewapende ontwapend en zijn macht verbroken, en wij hebben niets anders te doen dan de overwinning voort te zetten en den buit te verdelen. Laat ons dus ons haasten tot den geestelijken krijg en om den goeden strijd des geloofs te voeren, wij hebben te doen met een reeds overwonnen vijand en de zegepraal zal binnen korten tijd volkomen zijn.
b. De overwinning zal spoedig volgen. Hij zal het haast doen, binnenkort doen. Nog een weinig tijds en Hij, die te komen staat, zal komen. Hij heeft het gezegd: Ziet, Ik kom haastelijk! Wanneer Satan de overhand schijnt te behalen en wij op het punt staan van alles voor verloren te houden, dan zal de God des vredes het werk in gerechtigheid doen, en dat haastelijk. Het moet krijgsknechten zeer aanmoedigen te weten dat de strijd spoedig in zulk een overwinning zal eindigen. Sommigen menen dat hier gedoeld wordt op het gelukkig einde van al hun twisten in ware liefde en eendracht, anderen op het eindigen van de vervolgingen door de bekering van de regerende machten tot het Christendom, toen de bloeddorstige vijanden van de kerk onderworpen en vertreden werden door Constantijn de Grote en de kerk onder zijne regering hun den voet op den nek zette. Maar het moet veel meer toegepast worden op de overwinning, die alle heiligen behalen zullen over Satan, wanneer zij ten hemel en voor eeuwig buiten zijn bereik komen, evenals op de tegenwoordige overwinningen, die zij thans als een onderpand daarvan door genade behalen mogen. Houdt het daarom nog een weinig tijds uit door geloof en lijdzaamheid. Wanneer wij eens door de Rode Zee getrokken zijn, zullen wij al onze geestelijke vijanden dood aan den oever zien liggen, en in zegepraal het lied van Mozes en het Lam zingen. Daarom voegt hij hier de zegenbede aan toe: De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden Amen! De goedgunstigheid van Christus jegens u en het goede werk van Christus in u. Deze zal het beste beveiligingsmiddel zijn tegen de strikken van ketters, scheurmakers en valse leraars. Weest daarom sterk in de genade, die daar is in Christus Jezus! Paulus, niet alleen als vriend, maar als dienaar en apostel, die genade voor genade ontvangen heeft, zegent op die wijze met gezag hen met dezen zegen en herhaalt die vers 24.