Jeremia 49:34-39
Deze profetie is gedateerd in het begin van Zedekia's regering, waarschijnlijk zijn de voorafgaande profetieën tegen de heidenen om dezelfde tijd uitgesproken. De Elamieten waren de Perzen, afstammende van Elam, de zoon van Sem, Genesis 10:22. Sommigen menen echter, dat het slechts een deel van Perzië was het dichtst bij het land van de Joden gelegen, dat Elymais heette, grenzende aan Media Elam, dat, naar zij beweren, het Israël Gods had geplaagd "de pijlkoker genomen had in een tocht tegen Israël", Jesaja 22:6, en daarom met de rest wordt gerekend. Hier wordt in het algemeen voorspeld, dat God kwaad over hen brengen zal, de hitte Zijns toorns, en dat is erg genoeg, als alle kwaad in zich bevattende, vers 37. In het bijzonder
1. Zal hun legermacht machteloos gemaakt worden, onbekwaam om nog enige dienst te verrichten. De Elamieten waren beroemde boogschutters, maar: Zie, Ik zal verbreken Elams boog, vers 35, zal hun boogschutters verdoen, en dan is het voornaamste van hunlieder geweld dit is, macht, weg, God beschikt het zo, dat datgene, waarop wij het meest ons vertrouwen stellen, ons het eerst ontvalt, opdat wat het voornaamste was, blijkt de geringste hulp te bieden.
2. Het volk zal verstrooid worden. Er zullen van alle delen van de wereld vijanden tegen hen komen, en die zullen sommigen van hen in gevangenschap wegvoeren naar hun eigen land. Anderen zullen vlieden, deze hierheen, geen daarheen, ieder op eigen gelegenheid, zodat daar geen volk zal zijn, waarheen Elams verdrevenen niet zullen komen, vers 36. De vier winden zullen over hen komen, onweer zal nu uit deze, dan uit gene hoek opkomen, om ze overal heen te verstrooien. Wij weten niet, met welke wind of uit welke hoek de ellende kan komen. Maar wanneer God ons met Zijn gunst omringt, dan zijn wij veilig en kunnen wij gerust zijn, vanwaar de storm ook nadert. Vrees zal hen in andere landen drijven, zij zullen versaagd gemaakt worden voor het aangezicht van hun vijanden, maar, als ware dat niet genoeg, Ik zal het zwaard achter hen zenden vers 37. Zie, God kan Zijn oordelen hun achterna zenden, die menen door de vlucht te zullen ontsnappen en buiten het bereik van de vijand te komen. Het kwaad vervolgt de zondaars.
3. Hun vorsten zullen verdelgd, en de regering geheel veranderd worden, vers 38. Ik zal mijn troon in Elam zetten. Nebukadnezars troon zal daar staan, of die van Cyrus, die zijn veroveringen met Elymais begonnen is. Het kan ook betekenen de troon, waarop God zit ten oordeel, Hij zal hen doen weten, dat Hij regeert, dat "de rechters van de aarde, de koningen en vorsten" aan Hem verantwoordelijk zijn, en dat, hoe hoog zij ook staan, Hij boven hen verheven is. De koning van Elam was van oudsher beroemd, Genesis 14:1. Kedorlaomer was koning van Elam, een machtig vorst in zijn tijd, de volken rondom dienden hem, zijn opvolgers, kunnen wij veronderstellen, waren evenzeer van betekenis, maar de koning van Elam hangt evengoed van God af als ieder ander man. "Als God Zijn troon in Elam zet, zal Hij de koning en de vorsten van daar verdelgen en in hun plaats stellen wie Hij verkiest."
4. Toch zal de verwoesting van Elam niet eeuwig zijn, vers 29. In het laatste van de dagen zal de Heere Elams gevangenis wenden. Toen Cyrus Babel had overwonnen en het rijk in de hand van de Perzen gebracht, zijn de Elamieten ongetwijfeld in triomf uit alle landen, waarheen zij verstrooid waren, teruggekeerd en hebben zich opnieuw in hun vaderland gevestigd. Maar deze belofte zou ten volle vervuld worden in de dagen van de Messias, als wanneer wij de Elamieten met name genoemd vinden onder degenen, wie de Heilige Geest werd geschonken, "toen men hen in hun eigen taal de grote werken Gods hoorde spreken," Handelingen 2:9-11. Dat is de begeerlijkste terugkeer uit de ballingschap. "Wanneer de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn."