Jeremia 46:1-12
Het eerste vers is de titel van dat deel van dit boek, dat betrekking heeft op de naburige landen, en volgt hier. Het is: "Het woord des Heeren, dat tot Jeremia geschied is tegen de heidenen," want God is de Koning en Rechter van de volken, Hij kent hen, die Hem niet kennen, en Hem geen aandacht schenken, en zal hen ter verantwoording roepen. Beide Jesaja en Ezechiël profeteerden tegen deze volken, tot wie Jeremia hier nog iets bijzonders te zeggen heeft, en wel ten opzichte van dezelfde gebeurtenissen. In het Oude Testament hebben wij "het woord des Heeren" tegen de heidenen, in het Nieuwe Testament hebben wij "het woord des Heeren" voor de heidenen, dat zij, "die eertijds verre waren, nabij geworden zijn".
Hij begint met Egypte, omdat de Egyptenaars van ouds Israëls onderdrukkers waren en nog pas hun verleiders, toen zij vertrouwen in hen stelden. In deze verzen voorspelt hij de overwinning van Nebukadnezar op "het leger van Farao Necho, in het vierde jaar van Jojakim, welke overwinning zo volkomen was, dat de koning van Babel daardoor van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Phrath alles veroverde, wat van de koning van Egypte was," 2 Koningen 24:7, en die hem zijn tocht tegen de koning van Assyrië vier jaren tevoren, waarop hij Josia doodde, 2 Koningen 23:29, daar betaald zette. Dit is de gebeurtenis, die hier voorspeld wordt in verheven, triomfantelijke bewoordingen, omdat Egypte dus overwonnen was, waarvan Jeremia met bijzonder genoegen spreken moest, omdat de dood van Josia, die hij betreurd had, nu gewroken was op Farao Necho. Hier worden,
I. De Egyptenaars bestraft om de grote toebereidselen, die zij voor deze tocht maakten, waarop de profeet hen aanspoort hun uiterste best te doen, want dat zou het geval zijn. "Kom aan, rust het schild toe, laat de krijgswapenen gereed maken", vers 3. Egypte was beroemd om zijn paarden, spant ze aan en klimt op, gij ruiters, en stelt u met helmen, enz, vers 4. Zie welke toebereidselen de kinderen van de mensen maken, met overvloedige zorg en inspanning, en met grote kosten, om elkaar te doden, alsof zij toch al niet gauw genoeg stierven. Hij vergelijkt hun uittrekken on deze tocht met het stijgen van hun rivier de Nijl, vers 18. Egypte trekt op als een stroom, die zijn oevers veracht en al de naburige landen dreigt te overstromen. Het is een zeer geducht leger, dat de Egyptenaren bij deze gelegenheid in het veld brengen. De profeet roept ze op, vers 9 :Trekt op, gij paarden, raast, gij wagens. Hij roept ze op om al de troepen hunner bondgenoten bijeen te brengen, de Moren, die dezelfde afstamming hadden als de Egyptenaars, Genesis 10:6, en hun naburen en bondgenoten waren, de Puteërs en de Lydiërs, beide woonachtig in Afrika, ten westen van Egypte, en van wie de Egyptenaars hulptroepen ontvingen. Laten zij zich sterken met al de kunst en de macht, waarover zij beschikken, toch zal alles tevergeefs zijn, zij zullen desondanks schandelijk verslagen worden, want God zal tegen hen strijden, en tegen Hem is er geen wijsheid en geen raad, Spreuken 21:30, 31. Die ten oorlog gaan, hebben er niet alleen belang bij, het schild toe te rusten, en de paarden aan te spannen, maar berouw te hebben over hun zonden, en God te bidden met hen te zijn, en dat Hij hen van alle goddeloosheid moge afhouden.
II. Zij worden bestraft om de grote verwachtingen, die zij van deze tocht hadden, die geheel in strijd waren met de bedoeling, waarmee God hen bijeen bracht. Zij kenden hun eigen gedachten, en God kende ze ook, en zat in de hemel, en belachte ze, "maar zij weten de gedachten des Heeren niet, dat Hij ze vergaderd heeft als garven tot de dorsvloer," Micha 4:11, 12. Egypte zegt, vers 8 :Ik zal optrekken, ik zal de aarde bedekken, en niemand zal het mij beletten, ik zal de stad verderven, die mij in de weg staat. Als Farao van ouds: ik zal najagen, ik zal achterhalen. De Egyptenaars zeggen, dat het hun dag zal zijn, maar God zegt, dat het Zijn dag zal zijn: Deze dag is des Heeren van de heirscharen, vers 10, de dag, dat Hij verheerlijkt zal worden in de nederlaag van de Egyptenaars. Zij bedoelden het ene, en God bedoelde het andere, zij bedoeld en de vergroting van hun roem en hun heerschappij maar God bedoelde de grote vernedering en verzwakking van hun koninkrijk. Het is een dag van de wrake over Josia's dood, het is een dag van de offerande aan de goddelijke rechtvaardigheid, als slachtoffers waarvan menigten van de Egyptische zondaars zullen vallen. Als de mensen zichzelf groot denken te maken door onrechtvaardige ondernemingen door te zetten kunnen ze verwachten, dat God Zichzelf verheerlijken zal door ze teniet te doen en af te snijden.
III. Zij worden bestraft om hun lafheid en roemloze vlucht, als het tot een strijd komt vers 5, 6:n Waarom zie ik, ondanks al deze grote en uitgebreide toebereidselen en al die uitingen van dapperheid en vastberadenheid, als het Chaldeeuwse leger hen ontmoet, dat ze verlangd en achterwaarts gedreven zijn, volkomen ontmoedigd, en zonder enige geestkracht?"
1. Zij nemen een schandelijken terugtocht aan. "Zelfs hun helden, van wie men verwachten zou dat zij stand zullen houden, nemen de vlucht, vluchten als bij afspraak, zien zoveel mogelijk weg te komen, vluchten in verwarring en met de grootste overhaasting, zij hebben geen tijd en geen moed om om te zien, maar er is schrik van rondom, want dat vrezen zij". En toch,
2. Kunnen zij niet ontsnappen. Zij hebben de schande van hun vlucht, en toch niet de voldoening zichzelf door de vlucht te redden, zij hadden evengoed kunnen standhouden en op de plaats sterven, want zelfs "de snelle ontvliede niet." De lichtheid hunner voeten zal hun in de steek laten, als zij op de proef wordt gesteld, evenzeer als de stoutheid hunner harten, de helden zullen niet ontkomen, ja, "zij zijn verslagen en verbroken, Zij zijn gestruikeld. op hun vlucht, en gevallen tegen het noorden, want zij waren in zo'n verwarring, toen zij het hazenpad kozen, dat, in plaats van de richting van hun land in te slaan zoals men in zo'n geval gewoonlijk doet zij rechtdoor liepen. De loop is niet van de snellen, noch de strijd van de helden." Dappere mannen zijn niet altijd overwinnaars.
IV. Zij worden bestraft om hun volkomen machteloosheid, deze slag, die noodlottig zou zijn voor hun volk, ooit weer te boven te komen vers 11, 12. "De jonkvrouwe, dochter van Egypte, die in grote praal leefde, is door deze nederlaag, diep gewond. Dat zij opga naar Gilead om balsem en geneesheren, laat zij gebruik maken van alle medicijnen die haar wijzen kunnen voorschrijven tot heling van deze kwetsuur, en tot herstel van het verlies, door deze nederlaag geleden, het is alles tevergeefs, er is geen heling voor u, zij zullen nooit meer in staat zijn zo'n machtig leger in het veld te brengen. De volken, onder wie uw roem en kracht weergalmden, hebben uw schande gehoord, hoe schandelijk gij verslagen werdt en hoe gij er door verzwakt zijt." Het nieuws behoeft niet verspreid te worden door de triomfen van de overwinnaars, de kreten van schrik en angst van de overwonnenen zullen het verkondigen, "het land is vol van uw gekrijt". Want, daar zij naar verschillende kanten vluchten, "hebben zij zich gestoten held tegen held door hun grote ontsteltenis, zodat zij beide tezamen een gemakkelijke prooi van de vervolgers zijn geworden." Duizend zulke vreselijke gevallen vervulden het land met de kreet van de stervenden. "De sterke beroeme zich daarom niet in zijn sterkheid, want de tijd kan komen, dat zij hem niet helpen zal."