Numeri 30:1-2
Deze wet werd overgegeven aan de hoofden van de stammen, opdat zij hen, die onder hun zorg en hoede waren, zouden onderrichten en hun de wet zouden verklaren, hun nodige waarschuwingen zouden geven, en, zo het geval zich voordeed, hen ter verantwoording zouden roepen wegens het niet nakomen van hun geloften. De hoofden van de stammen hadden misschien bij een voorval van dien aard Mozes geraadpleegd, en begeerd om door hem de wil van God te kennen, en hier wordt hun die nu meegedeeld. Dit is de zaak, die de Heere geboden heeft betreffende geloften, en het gebod is nog van kracht.
1. Het geval, dat hier verondersteld wordt, is dat iemand de Heere een gelofte doet, en er Zijn eer en heerlijkheid mee op het oog heeft. Er wordt verondersteld dat hetgeen in de gelofte beloofd wordt, iets wettigs is, want niemand kan door zijn eigen gelofte verplicht zijn datgene te doen wat door een Goddelijk voorschrift verboden is te doen. Maar er wordt verondersteld dat het iets is, waartoe hij voordat hij de gelofte gedaan was, niet in die trap of mate reeds verplicht was. Iemand zou de gelofte kunnen doen, om op zekere tijden deze of die offeranden te offeren, een zekere som gelds aan de armen te geven, zich van deze of die spijzen en dranken, welke door de wet geoorloofd zijn, te onthouden, te vasten en zijn ziel te verootmoedigen, (gespecificeerd in vers 13) op andere dagen, buiten en behalve de verzoendag. Vele dergelijke geloften zouden gedaan kunnen worden, hetzij in een buitengewone warmte van heilige ijver, of in verootmoediging wegens een begane zonde, of ter verkrijging van een begeerde zegen, of uit dankbaarheid voor ontvangen zegeningen. Het is zeer nuttig dergelijke geloften te doen, mits zij in oprechtheid gedaan worden en met de nodige voorzichtigheid. Geloften (zeggen de Joodse wetgeleerden) zijn de heg van de afscheiding, dat is: een heining om de Godsdienst. Hij, die een gelofte doet, wordt hier gezegd zijn ziel met een verbintenis te verbinden. Het is een gelofte aan God, die een geest is, en aan Hem moet de ziel met al haar krachten verbonden zijn. Een belofte aan de mens is een verbintenis op zijn goed, zijn bezitting, maar een belofte aan God is een verbintenis op zijn ziel. Onze sacramentele geloften, die ons tot niets meer verplichten dan tot hetgeen tevoren reeds onze plicht was, en die noch door vader, noch door echtgenoot teniet kunnen gedaan worden, zijn verbintenissen op de ziel, en door deze moeten wij ons verbonden gevoelen tegen alle zonde, en verbonden om geheel de wil van God te doen. Onze gelegenheidsgeloften betreffende hetgeen tevoren "in onze macht was", Handelingen 5:4, zijn, als zij gedaan zijn, ook" verbintenissen van de ziel."
2. Het gebod luidt dat deze geloften nauwgezet gehouden moeten worden. Zijn woord zal hij niet ontheiligen, al zou hij ook later van gedachte of zin veranderen, maar alles, dat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen. Het doen van geloften is een inzetting Gods, als wij geloften doen in geveinsdheid, dan ontheiligen wij die inzetting. Duidelijk en beslist wordt gezegd: "Het is beter, dat gij niet belooft, dan dat gij belooft" "en niet betaalt", Prediker 5:5. "Dwaalt niet, God laat zich niet" "bespotten". Zijn beloften aan ons zijn "ja en amen", laat de onze aan Hem niet zijn "ja en neen."