Jeremia 41:11-18
Het zou goed geweest zijn indien Johanan, toen hij Gedalja kennis gaf van Ismaëls verraderlijke bedoelingen, ofschoon hij geen verlof kon bekomen om Ismaël te doden en op deze wijze die bedoelingen te verijdelen, bij Gedalja gebleven ware. Hij en zijn hoofdlieden en zijn strijdmacht konden een lijfwacht voor Gedalja en een afschrik voor Ismaël geweest zijn. Maar, naar het schijnt, waren zij op de een of andere tocht uit, wellicht geen goede, en dus afwezig, toen zij hem hadden kunnen dienen. Zij, die zo gaarne rondzwerven, zijn dikwijls niet tegenwoordig, wanneer men ze het meest nodig heeft. Eindelijk evenwel hoorden zij al het kwaad, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, gedaan had, vers 11, en besluiten hem op zijn beurt te verrassen, waarvan deze verzen een verhaal geven.
1. Wij wensen hartelijk, dat het Johanan mocht gelukt zijn, op de moordenaars wraak te nemen, maar hij kon niet meer dan de gevangenen bevrijden. Het is jammer, dat zij, die zoveel bloed hadden gestort, niet eveneens gedood zijn, en het is vreemd, dat de wraak hen liet leven. Johanan zocht zijn leger zo sterk mogelijk te maken en toog heen om met Ismaël te strijden, vers 12, toen hij de tijding van de gruweldaad had ontvangen (want, al wist de moordenaar het voor een tijd te verbergen, het kwam toch uit), en welke weg hij genomen had, vervolgde hij hem en haalde hem in "aan het grote water, dat bij Gibeon" is, waarvan wij lezen 2 Samuël 2:13. Toen hij met zo'n macht verscheen, ontzonk Ismaël de moed, zijn schuldige consciëntie klaagde hem aan, en hij durfde een vijand, die hem stond, niet aantasten. De wreedsten zijn dikwijls de lafsten. De arme gevangenen werden verblijd! toen zij Johanan en al de oversten van de legers, die met hem waren, zagen, vers 13, want zij beschouwden ze als verlossers en vonden terstond gelegenheid om zich te keren en over te gaan tot Johanan, vers 14. Ismaël had geen moed, hen tegen te houden, toen hij Johanan zag. Zie, degenen die geholpen willen worden, moeten zich zelf helpen. Deze gevangenen bleven niet wachten totdat hun overwinnaars geslagen waren, maar namen de eerste de beste gelegenheid waarom te ontvluchten, zodra zij hun vrienden zagen verschijnen en de moedeloosheid van hun vijand bemerkten. Ismaël liet zijn prooi in de steek om zijn leven te redden, en ontkwam met acht mannen, vers 15. Het schijnt, dat twee van zijn tien mannen, die zijn bandieten of sluipmoordenaars waren (van wie, vers l, gesproken wordt) of hen verlieten of in de strijd gesneuveld zijn. Hij redde zich zo goed hij kon en vluchtte naar de Ammonieten, als een volslagen afvallige die alle gemeenschap met de republiek Israël had afgebroken, of schoon hij van koninklijk zaad was. Wij horen niet meer van hen.
2. Wij zouden even hartelijk wensen, dat Johanan, na de gevangenen bevrijd te hebben, ze in vrede bij zich gehouden en geregeerd had zoals Gedalja gedaan had. Maar in plaats daarvan voert hij ze naar het land van Egypte, gelijk Ismaël ze naar de Ammonieten gevoerd had. Wel werd hij op eerlijker wijze de Ismaël hun aanvoerder, maar hij maakte er geen beter gebruik van. Gedalja, een zachtmoedige en vreedzame natuur, was een grote zegen voor hen geweest. Maar Johanan, een driftige en rusteloze geest, werd hun landvoogd tot hun schade, hij voltooide hun ellende, toen zij meenden juist uit hun ellende verlost te zijn. "Zo wandelde God met hen in tegenheden."
a. Het beluit van Johanan en zijn hoofdlieden was zeer overhaast, niets kon hem weerhouden van naar Egypte te gaan, vers 17, en daartoe kampeerden zij voor een tijd te Geruth-Chimham (of woning van Chimham), dat bij Bethlehem is. Waarschijnlijk was dat een stuk land, dat David aan Chimham, de zoon van Barsillai gaf, dat wel in het jubeljaar tot Davids geslacht terugkeerde, maar de naam van Chimham bleef dragen. Hier sloeg Johanan zijn hoofdkwartier op en richtte zijn aangezicht naar Egypte, hetzij uit persoonlijke voorliefde voor dat land, hetzij hij van de Egyptenaren hulp in moeilijkheid wachtte. Enige van de mannen, krijgslieden, waren, naar het schijnt, ontkomen. Dezen gingen met hem, en "de vrouwen en kinderkens en kamerlingen, die hij van Gibeon had weergebracht," die dus van de ene hand in de andere overgingen.
b. De reden van dit besluit was zeer ijdel. Zij beweerden, te vrezen voor de Chaldeën, dat die zouden komen en hun ik weet niet wat doen, omdat Ismaël Gedalja geslagen had, vers 18. Ik kan niet geloven, dat zij werkelijk uit die hoek enig gevaar vreesden, want, ofschoon de Chaldeën reden genoeg hadden om de moord van de landvoogd betaald te zetten, toch waren zij niet onredelijk noch onrechtvaardig om die misdaad aan hen te wreken, die zo vijandig tegenover de moordenaars stonden. Zij maken van die uitvlucht alleen gebruik om die zondige neiging hunner ongelovige voorvaderen te bedekken die eens zo sterk was geweest, om "weer te keren naar Egypte." Zij, die zich met voorgewende vrees verontschuldigen, zullen terecht bij wezenlijke vrees troost derven