2 Kronieken 34:29-33
Wij hebben hier een nader bericht van de vorderingen, die Josia maakte in de hervorming van zijn rijk, na de wet te hebben horen lezen en de boodschap te hebben ontvangen, die God hem zond door de profetes. Gelukkig het vork, dat zo'n koning had, want hier vinden wij:
1. Dat zij goed onderwezen werden. Hij heeft niet gepoogd hen te dwingen om hun plicht te doen, voordat hij hen er in heeft laten onderwijzen. Hij riep al het volk tezamen groten en kleinen, jongen en ouden, rijken en armen, aanzienlijken en geringer.
"Die oren heeft om te horen, die hore" de woorden van "het boek des verbonds", want allen hebben belang bij deze woorden. Om de dienst te eren en des te meer de aandacht des volks op te wekken heeft de koning zelf, hoewel er priesters en Levieten tegenwoordig waren, het boek voor het volk gelezen, vers 30, en ongetwijfeld heeft hij het gelezen op een wijze, die aantoonde hoe hij er zelf door bewogen was, en het middel kon zijn om ook het hart van de hoorders te treffen.
2. Dat zij een vast voornemen des harten hadden om de Heere te dienen. De artikelen van overeenkomst tussen God en Israël gelezen zijnde, opdat zij goed zouden weten wat zij deden, toen zij dit verbond met God aangingen, hebben koning en volk die artikelen met grote plechtigheid, als het ware, ondertekend. De koning, in zijn plaats, verbond zich om Gods geboden met zijn gehele hart en met zijn gehele ziel te onderhouden, doende de woorden des verbonds, die in dat boek geschreven zijn, vers 31, en hij spoorde het volk aan om evenzo in te stemmen met dit verbond en plechtig te beloven dat zij getrouwelijk alles zouden volbrengen wat er van hen in gevorderd werd, dit deden zij, daar zij zich schaamden om het te weigeren. Hij deed allen, die tegenwoordig waren, staan, vers 32 dat is, hij deed hen beloven dat zij er bij blijven, er in volharden zouden, hij maakte allen te dienen te dienen de Heere, hun God, vers 33, van de dienst Gods hun werk te maken, hij deed alles wat hij kon om hen hiertoe te brengen, te dienen, te dienen, de herhaling duidt aan, dat dit het enige was, waarop hij zijn hart had gesteld, niets anders dan dat had hij op het oog in hetgeen hij deed, namelijk hen aan God en hun plicht te verbinden.
3. Dat er goed op hen gelet werd, zij waren eerlijk, omdat er goed het oog op hen werd gehouden. Al zijn dagen weken zij niet af van de Heere, de God hunner vaderen, na te volgen, hij hield hen met grote moeite er van terug om weer in afgoderij te vervallen. Al zijn dagen waren dagen van bedwang om hen op de goede weg te houden, maar dit geeft te kennen dat zij bleven hangen aan de afkering, een sterke neiging hadden tot afgoderij, voor velen van hen was er niets anders nodig dan dat hij uit de weg zou zijn, om hun hoogten en hun beelden weer op te richten.
En daarom bevinden wij dat in de dagen van de koning Josia, Jeremia 3:6, God het trouweloze Juda ten laste legt dat zij zich niet met hun hele hart tot Hem bekeerd heeft, maar valselijk, vers 10, ja, dat zij gehoereerd heeft, vers 8, en daarmee het afgekeerde Israël gerechtvaardigd heeft, vers 11 , en dat zij in het drie en twintigste jaar van deze regering, vier of vijf jaren later, "Hem tot toorn had verwekt door het werk harer handen", Jeremia 25:3-7.
En het is opmerkelijk dat van het begin van Josia's reformatie, zijn twaalfde of dertiende jaar, de ongerechtigheid van het huis van Juda gedateerd is, die het verderf over hen bracht, die de profeet moest dragen door op zijn rechterzijde te liggen, Ezechiël 4:6. Want van toen tot aan de verwoesting van Jeruzalem was het juist veertig jaren. Josia was oprecht in hetgeen hij deed, maar de massa des volks was er afkerig van en hunkerde nog naar de afgoden, zodat de reformatie, of schoon wel beraamd en goed uitgevoerd door de vorst, geen of weinig uitwerking had op het volk. Het was met tegenzin, dat zij van hun afgoden scheidden, in hun hart waren zij er nog mee vergezeld en verlangden zij nog naar hen. Dat heeft God gezien, en daarom is juist van die tijd af, toen men gedacht zou hebben dat de grondslagen gelegd waren voor een bestendige rust en veiligheid en vrede, het raadsbesluit uitgegaan voor hun verderf.
Door niets wordt het verderf van een volk zo verhaast, door niets wordt het er meer rijp voor, dan door het teleurstellen van hoopgevende pogingen tot reformatie en een geveinsd wederkeren tot God.
"Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten".