2 Koningen 23:25-30
Na het lezen van deze verzen moeten wij zeggen: "HEERE, Uwe gerechtigheid is als de bergen Gods," duidelijk zichtbaar, onomstootbaar en onbetwistbaar, maar "Uwe oordelen zij een grote afgrond,' Psalm 36:7 Wat zullen wij hiertoe zeggen?
I. Hier wordt erkend dat Josia een van de beste koningen was, die ooit op Davids troon hebben gezeten, vers 25. Gelijk Hizkia ongeëvenaard was door geloof en bebouwen op God in benauwdheid, Hoofdstuk 18:5, zo was Josia ongeëvenaard in oprechtheid en ijver om het werk van de reformatie door te voeren. Hierin was niemand hem gelijk:
1. Dat hij zich tot den HEERE had bekeerd, zich tot Hem had gewend, van wie ijn vaderen waren afgevallen. Het is de ware Godsdienst om zich te wenden tot God, als die wij verkoren hebben en beminnen. Hij deed wat hij kon om ook zijn koninkrijk tot de Heere te wenden.
2. Dat hij dit deed met zijn gehele hart en zijn gehele ziel, zijn neigingen en bedoelingen waren recht in hetgeen hij deed. Diegenen maken niets van hun Godsdienst, die er geen werk des harten van maken.
3. Dat hij het deed met zijn gehele kracht, met kracht en kloekmoedigheid en vastberadenheid, want anders zou hij ook niet door de moeilijkheden zijn heengekomen, waarmee hij te worstelen had. Wat grote dingen kunnen wij tot stand brengen in de dienst van God, zo wij er slechts kloek en krachtig in zijn!
4. Dat hij dit deed naar al de wet van Mozes in nauwkeurige waarneming van die wet. Zijn ijver heeft hem tot geen onregelmatigheid vervoerd, in alles wat hij deed wandelde hij naar de regel van de wet.
II. In weerwil hiervan werd hij afgesneden door een gewelddadiger dood, in het midden van zijn dagen, en weinige jaren daarna ging zijn koninkrijk te gronde. Na zo'n reformatie zou men beide voor de koning en het koninkrijk niets dan voorspoed, eer en roem verwacht hebben, maar wij vinden integendeel beide onder een wolk.
1. Zelfs dit hervormde koninkrijk blijft ten verderve getekend. Nochtans, vers 26, keerde zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af. Het is zeker waar wat God gesproken heeft door de profeet Jeremia, Hoofdstuk 18 vers 7 en 8 : "In een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik zal uitrukken, en afbreken, en verdoen, maar indien datzelve volk, over welk Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw zal hebben over het kwaad, dat Ik hetzelve gedacht te doen".
En daarom moeten wij tot de gevolgtrekking komen dat Josia's volk zich wel onderwierp aan zijn macht, maar Josia's beginselen niet van harte was toegedaan. Zij waren omgekeerd door macht, maar zij hebben zich niet vrijwillig bekeerd van hun bozen weg, maar behielden nog hun liefde voor hun afgoden, en daarom heeft Hij, die het hart van de mensen kent, het vonnis niet willen herroepen, dat Juda weggedaan werd, en ook Jeruzalem verworpen zal worden, vers 27. Maar zelfs deze verwoesting was bedoeld tot hun krachtige, afdoende reformatie, zodat wij moeten zeggen, niet alleen dat de misdadigers hun mate van ongerechtigheid gevuld hadden en rijp waren voor het verderf, maar ook dat de ziekte tot haar hoogtepunt was gekomen, en nu genezing kon intreden, en dit zal al de vrucht wezen, namelijk de wegneming van de zonde.
2. Als een bewijs hiervan wordt zelfs de hervormende koning afgesneden in het midden van zijn zegenrijken arbeid, in barmhartigheid over hem, opdat hij het kwaad niet zien zou, dat over zijn koninkrijk ging komen, maar in toorn over zijn volk, want zijn dood baande de weg voor hun verderf.
De koning van Egypte schijnt in oorlog geweest te zijn met de koning van Assyrië (zo wordt de koning van Babel nu genoemd), Josia's rijk lag tussen die beide, daarom achtte hij het in zijn belang om de koning van Egypte tegen te staan, en de toenemende, dreigende grootheid van zijn macht te fnuiken, want, hoewel hij toen betuigde geen kwade bedoelingen te hebben tegen Josia, zou toch, indien het hem gelukte om de rivier van Egypte met de Eufraat te verenigen, het land van Juda weldra door die beide overstroomd worden, daarom toog Josia hem tegemoet, en werd gedood in de eersten slag, die tussen hen geleverd werd, vers 29, 30. Hier:
a. Kunnen wij Josia's gedrag niet rechtvaardigen. Hij had geen duidelijke roeping om zich in die krijg te mengen, wij bevinden ook niet dat hij God gevraagd heeft door de urim of door de profeten omtrent deze zaak. Wat had hij te doen om als vriend en bondgenoot van de koning van Assyrië op te treden en te handelen? Moest hij de goddeloze helpen, en die de HEERE haten liefhebben?
Als de koningen van Egypte en Assyrië met elkaar twisten, dan had hij reden om te geloven dat God er voor hem en zijn volk goed uit zou doen voortkomen, en dat hun twisten een middel zou wezen om elkaar te verzwakken.
Sommigen verstaan de belofte, die hem gedaan was, dat hij met vrede in zijn graf verzameld zal worden, in een zin waarin zij niet vervuld werd, omdat hij door zijn misstap in deze zaak er het voorrecht van verbeurd had. God heeft beloofd ons te bewaren in al onze wegen, maar als wij buiten onze weg gaan, dan werpen wij onszelf buiten Zijn bescherming.
Naar mijn opvatting van de belofte geloof ik dat zij wèl vervuld is, want hij stierf in vrede met God en zijn geweten, en heeft de verwoesting van Juda en van Jeruzalem door de Chaldeën niet gezien, toch begrijp ik dat deze beschikking van Gods voorzienigheid een bestraffing voor hem was wegens zijn roekeloosheid.
b. Wij moeten Gods rechtvaardigheid waarderen in het wegnemen van zulk een juweel van een ondankbaar volk, dat het niet wist te waarderen. Zij hebben zijn dood zeer betreurd, en grote rouw over hem bedreven, 2 Kronieken 35:25, hiertoe gedrongen door Jeremia, die er hun de betekenis van verklaarde, en hun zei welk een dreigend voorteken het was. Maar zij hebben van de zegeningen, die zij genoten door zijn leven, geen goed gebruik gemaakt, en nu leerde God hun de waarde er van, door ze te moeten derven.