Jeremia 39:11-18
Hierin beluisteren we een toon van genade, terwijl in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk van oordeel sprake is, over beide moeten we God lof toebrengen. We kunnen hier opmerken:
I. Een genadige voorzienigheid met betrekking tot Jeremia. Toen Jeruzalem in puin was gelegd en aller "mensen hart vervuld was van vreze, toen kon hij zijn hoofd getroost opheffen, omdat hij wist, dat zijn verlossing nabij was," evenals Christus' navolgers toen de tweede verwoesting van Jeruzalem op handen was, Lukas 21:28. Nebukadnezar had bijzondere bevelen gegeven om voor hem te zorgen en dat hij in alle opzichten goed behandeld moest worden vers 11, 12. Nebuzaradan en al de vorsten van de koning van Babel gehoorzaamden aan deze bevelen, ontsloegen hem uit de gevangenis en deden alles voor hem om hem op zijn gemak te zetten, vers 13, 14. Nu kunnen we dit aanmerken
1. Als een zeer edelmoedige daad van Nebukadnezar, die, hoewel hij een trots potentaat was, toch aandacht schonk aan deze arme profeet. Ongetwijfeld had hij van hem gehoord door de overlopers, die van hem vertelden, dat hij had voorzegd, dat de koning van Babel de overwinning zou behalen op Juda en op andere landen, dat hij zijn vorst en volk gedrongen had, zich aan die koning over te geven en dat hij daarom zeer veel geleden had, en dit alles in aanmerking genomen hebbende gaf hij hem deze buitengewone blijken van zijn gunst (hoewel hij misschien ook wel vernomen had, dat hij de ondergang van Babel ten laatste ook had voorspeld).
Merk op, dat iemand met veel karakter altijd aandacht schenkt aan de bewezen diensten en het geleden leed zelfs van de minste. Het was zeer edel van de koning dat hij deze order zelfs gaf voordat de stad was ingenomen, en ook de trawanten zijn te prijzen, daar zij zelfs in de hitte van de strijd dit bevel niet ongehoorzaam waren. Het staat ter navolging vermeld.
2. Als een verwijt aan Zedekia en de vorsten van Israël. Zij zetten hem in de gevangenis, en de koning van Babel en zijn oversten haalden hem er uit. Gods volk en Gods dienaren hebben dikwijls onder vreemden en ongelovigen beter en vriendelijker behandeling aangetroffen dan onder dezulken, die zichzelf onderdanen van `t Godsrijk noemen. Paulus vond meer gunst en rechtvaardigheid bij koning Agrippa dan bij Ananias, de hogepriester.
3. Als de vervulling van Gods belofte aan Jeremia als beloning voor zijn diensten. Ik zal, in tijd des kwaads en in tijd van de benauwdheid, bij de vijand voor u tussenkomen, Hoofdstuk 15:11. Jeremia had het vertrouwen, in hem als profeet gesteld, niet beschaamd en nu betoont God zich ook getrouw jegens hem en houdt Zijn belofte. Nu wordt hij getroost overeenkomstig de maat van zijn lijden in de tijd, die vooraf ging en ziet duizenden rondom hem vallen terwijl hij zelf veilig staat. De valse profeten vielen door die oordelen, waarvan ze gezegd hadden, dat ze nooit zouden komen, hoofdst. 14:5, hetwelk hun ellende vreselijker deed zijn. De ware profeet ontkwam aan de oordelen, die hij voorzegd had, en dat deed hem zijn ontkoming te heerlijker zijn. Waar de verdrukkers mee gestraft werden, werd de verdrukte door verlost, en de inwoners van Jeruzalem onderschatten zijn bevrijding niet, al werd die door de koning van Babel bewerkstelligd, maar zij zagen er te meer Gods hand in. Een meer volledige beschrijving van deze zaak treffen we in het volgende hoofdstuk aan.
II. Een aangename boodschap aan Ebed-Melech om hem een stellige verzekering te geven, dat hij beloond zou worden voor zijn vriendelijkheid aan Jeremia betoond. Deze boodschap moest Jeremia zelf hem brengen, die, nadat hij hem bedankt had, het aan God overliet zijn belofte te betalen. Hij had hulp verleend aan "een profeet in de naam eens profeten, en dus ontving hij eens profeten beloning." Deze boodschap was hem overgebracht onmiddellijk nadat hij Jeremia die vriendschapsdienst had bewezen, maar `t staat hier vermeld na de inneming van de stad, om aan te duiden, dat waar God goed voor Jeremia was op die tijd, Hij `t ook voor Ebed-Melech was, om zijnentwil, en `t was een teken van speciale gunst aan beide en zij moeten `t als zodanig opvatten, dat zij niet werden betrokken in een van de algemene rampen. Jeremia wordt bevolen hem te zeggen,
1. Dat God zeker over Jeruzalem de ondergang zou brengen, waarmee lang en dikwijls gedreigd was en omdat hij vriendelijk voor Jeremia geweest was, zou hij duidelijk zien, dat deze een ware profeet was, vers 16.
2. Dat God lette op zijn vrees voor de komende oordelen. Hoewel hij dapper was in de dienst van God, was hij toch bevreesd voor Gods roede. De vijanden waren mannen, voor welker aangezicht hij vreesde. God weet hoe hij aan de angsten en smarten van Zijn volk Zijn vertroostingen het best kan aanpassen, want "Hij kent hun zielen in benauwdheid."
3. Dat hij bewaard en niet in de algemene rampen gewikkeld zal worden: "Ik zal u te die dage redden, Ik zal u zeker bevrijden." Hij was een instrument geweest om Gods profeet uit de kerker te bevrijden en nu belooft God hem te redden, want Hij is een beloner van hen, die direkt of indirekt hem dienen en wil daarin bij niemand achterstaan: Gij hebt Jeremia's leven gered, dat u dierbaar was en daarom "zult gij uw ziel (dat is, uw leven) tot een buit hebben."
4. De reden, waarom hem deze onderscheidende gunst, die God voor hem weggelegd had, te beurt viel, is deze: "omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de Heere." Wanneer God de diensten van de mensen beloont, let Hij wel degelijk op het motief hunner handelingen en beloont overeenkomstig deze drijfveren. Daar is geen reden voor gehoorzaamheid aangenamer aan God of nuttiger voor ons, dan een gelovig vertrouwen in God. Ebed-Melech vertrouwde, dat God hem wilde aannemen, hem bijstaan, en toen was hij niet langer bevreesd voor het aangezicht van de mensen. En zij, die op God hun betrouwen stellen, zoals deze goede man deed, in de weg van plicht, zullen ondervinden, dat hun hoop hen niet beschaamd zal maken in tijden van het grootste gevaar.