Bijbelstudie
Boeken
Jeremia 38
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
1
ALS Sefátja, de zoon van Mattan, en Gedálja, de zoon van Pashur, en Juchal, de zoon van Selémja, en Pashur, de zoon van Malchía, de woorden
1
hoorden die Jeremía tot
2
al het volk sprak, zeggende:
2
Zo zegt de HEERE:
a
Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door den honger of door de pestilentie sterven; maar wie tot de Chaldeeën uitgaat, die zal
3
leven, want hij zal zijn
4
ziel tot een
5
buit hebben en zal leven;
3
Zo zegt de HEERE: Deze stad zal
6
zekerlijk gegeven worden in de hand van het heir des konings van Babel; datzelve zal haar innemen;
4
Zo zeiden de vorsten tot den koning: Laat toch dezen man gedood worden; want aldus maakt hij de handen der krijgslieden die in deze stad zijn overgebleven, en de handen des gansen volks
7
slap, zulke woorden tot hen sprekende; want deze man zoekt
8
dezes volks
9
vrede niet, maar het
10
kwaad.
5
En de koning Zedekía zeide: Zie, hij is in uw hand; want de
11
koning zou geen ding tegen u vermogen.
6
Toen namen zij Jeremía en wierpen hem in den
12
kuil van Malchía, den zoon
13
van Hammélech, die in het voorhof der bewaring was, en zij lieten Jeremía af met zelen; in den kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremía zonk in het
14
slijk.
7
Als nu Ebed-Melech, de
15
Moorman, een
16
der kamerlingen, die toen in des konings huis was, hoorde dat zij Jeremía in den kuil gedaan hadden (de koning nu zat in de
17
poort van Benjamin),
8
Zo ging Ebed-Melech uit het huis des konings uit, en hij sprak tot den koning, zeggende:
9
Mijn heer koning, deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles wat zij gedaan hebben aan den profeet Jeremía, dien zij in den kuil geworpen hebben; daar hij toch
18
in zijn plaats zou gestorven zijn vanwege den honger, dewijl geen brood meer in de stad is.
10
Toen gebood de koning den Moorman Ebed-Melech, zeggende: Neem vanhier dertig mannen
19
onder uw hand en
20
haal den profeet Jeremía op uit den kuil, eer dat hij sterft.
11
Alzo nam Ebed-Melech de mannen onder zijn hand en ging in des konings huis tot onder de schatkamer, en nam vandaar
21
enige oude
22
verscheurde en oude
23
versleten lompen; en hij liet ze met zelen af tot Jeremía in den kuil.
12
En Ebed-Melech, de Moorman, zeide tot Jeremía: Leg nu deze oude verscheurde en versleten lompen onder de
24
oksels uwer
25
armen, van
26
onder aan de zelen. En Jeremía deed alzo.
13
En zij trokken Jeremía bij de zelen, en haalden hem op uit den kuil; en Jeremía bleef in het
27
voorhof der bewaring.
14
Toen zond de koning Zedekía heen, en
28
liet den profeet Jeremía tot zich halen in den
29
derden ingang, die aan des HEEREN huis was; en de koning zeide tot Jeremía: Ik zal u
30
een ding vragen, verheel geen ding voor mij.
15
En Jeremía zeide tot Zedekía: Als ik
het
u verklaren zal, zult gij mij niet
31
zekerlijk doden? En als ik u raad zal geven, gij zult
toch
naar mij niet horen.
16
Toen zwoer de koning Zedekía aan Jeremía in het verborgen, zeggende:
Zo waarachtig als
de HEERE leeft, Die ons deze
b
32
ziel gemaakt heeft, indien ik u zal doden, of indien ik u zal overgeven in de hand dezer mannen, die uw
33
ziel zoeken!
34
17
Jeremía dan zeide tot Zedekía: Zo zegt de HEERE, de God der
35
heirscharen, de God Israëls: Indien gij
36
gewilliglijk tot de vorsten des konings van Babel zult uitgaan, zo zal uw
37
ziel leven en deze stad zal niet verbrand worden met vuur; en gij zult leven, gij en uw
38
huis.
18
Maar indien gij tot de vorsten des konings van Babel niet zult uitgaan, zo zal deze stad gegeven worden in de hand der Chaldeeën, en zij zullen ze met vuur verbranden; ook zult gij van hunlieder hand niet ontkomen.
19
En de koning Zedekía zeide tot Jeremía: Ik ben bevreesd voor de Joden die tot de Chaldeeën
39
gevallen zijn, dat
40
zij mij misschien in
41
derzelver hand overgeven en zij den spot met mij drijven.
20
En Jeremía zeide: Zij zullen
u
niet overgeven; zijt toch gehoorzaam der stem des HEEREN, naar dewelke ik tot u spreek; zo
42
zal het u welgaan en uw
43
ziel zal leven.
21
Maar indien gij weigert uit te gaan,
zo
is dit het woord dat de HEERE mij heeft doen
44
zien:
22
Ziedaar, al de vrouwen die in het huis des konings van Juda zijn
45
overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de vorsten des konings van Babel; en
46
dezelve zullen zeggen: Uw
47
vredegenoten hebben u
48
aangehitst en hebben u
49
overmocht; uw voeten zijn in den
50
modder gezonken, zij zijn
51
achterwaarts gekeerd.
23
52
Zij zullen dan al uw vrouwen en al uw
53
zonen tot de Chaldeeën uitvoeren; ook zult gij zelf van hun hand niet ontkomen; maar gij zult door de hand des konings van Babel gegrepen worden, en gij zult deze stad met vuur
54
verbranden.
24
Toen zeide Zedekía tot Jeremía: Dat niemand wete van deze woorden, zo zult gij niet sterven.
25
En als de vorsten zullen horen dat ik met u gesproken heb, en tot u komen en tot u zeggen: Verklaar ons nu, wat hebt gij tot den koning gesproken? Verheel het niet voor ons, zo zullen wij u niet doden; en wat heeft de koning tot u gesproken?
26
Zo zult gij tot hen zeggen: Ik
55
wierp mijn smeking voor des konings aangezicht neder, dat hij mij niet zou weder laten brengen in Jónathans
56
huis om aldaar te sterven.
27
Als dan al de vorsten tot Jeremía kwamen en hem vraagden, verklaarde hij hun
57
naar al deze woorden, die de koning geboden had; en zij
58
lieten van hem af, omdat de zaak niet was
59
gehoord.
28
En Jeremía bleef in het voorhof der bewaring, tot op den dag dat Jeruzalem werd ingenomen; en hij
60
was er
nog
, als Jeruzalem was ingenomen.