Jeremia 35:12-19
De beproeving van de standvastigheid van de Rechabieten was slechts bedoeld als een teken, hier hebben wij de toepassing er van.
I. De waarneming van huns vaders gebod door de Rechabieten wordt gebruikt tot verzwaring van de ongehoorzaamheid van de Joden aan God. Ze moeten zien en beschaamd zijn. De profeet vraagt hun in Gods naam: Zult gijlieden tenslotte geen tucht aannemen, vers 13 Zal dan niets helpen? Zal niets indruk op u maken? Zal niets in staat zijn uw zonde en plicht aan u te ontdekken? Gij ziet hoe gehoorzaam de Rechabieten zijn aan het gebod van hun vader, vers 14, maar gij hebt naar Mij niet gehoord, vers 15, hoewel er meer reden was om te verwachten, dat het volk van God Hem gehoorzamen zou, dan dat de zonen van Jonadab hem zouden gehoorzamen, de verzwaring is niet gering, want,
1. De Rechabieten waren gehoorzaam aan één, die slechts een mens was, als zij zelf die slechts de wijsheid en de macht had van een mens, en hun vader was, naar het vlees alleen, maar de Joden waren ongehoorzaam aan een oneindig en eeuwig God, die een volstrekt gezag over hen had, als de Vader van de geesten.
2. Jonadab was al lang gestorven, en kende hen niet, en kon geen kennis nemen van hun ongehoorzaamheid aan zijn bevelen noch hen er voor straffen, maar God leeft eeuwig, om te zien hoe Zijn wetten worden opgevolgd, en is gereed om alle ongehoorzaamheid te vergelden.
3. De Rechabieten werden nooit herinnerd aan hun verplichtingen jegens hun vader, maar God zond dikwijls Zijn profeten tot Zijn volk, om hen aan hun plicht jegens Hem te herinneren en toch wilden zij die niet doen. Daar wordt nu bij stilgestaan als een grote verzwaring van hun ongehoorzaamheid: Ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende door het geschreven woord en door de inspraak en vermaningen van uw eigen geweten, vers 14 ja, Ik heb tot u gezonden alle Mijn knechten de profeten, mensen als gij, wier verschrikkingen u niet bevreesd zullen maken, vroeg op zijnde en zendende, vers 15, en toch alles tevergeefs.
4. Jonadab heeft nooit voor zijn zaad gedaan wat God voor Zijn volk deed. Hij liet hun een schuld na, maar geen goederen, om de kosten te bestrijden, maar God had Zijn volk een goed land gegeven, en hun beloofd, dat als zij Hem gehoorzaam waren, zij er zouden wonen, zodat zij door beide, dankbaarheid en eigen belang, gebonden waren, gehoorzaam te zijn, en toch wilden zij hun oor niet neigen, noch naar Hem horen.
5. God dwong Zijn volk niet tot zo'n hard leven, en tot zoveel zelfkastijding, als waartoe Jonadab zijn zaad verplichtte, en toch werden Jonadabs geboden gehoorzaamd en die van God niet.
II. Met oordelen wordt gedreigd, als dikwijls tevoren tegen Juda en Jeruzalem, om hun aldus verzwaarde ongehoorzaamheid. De Rechabieten zullen opstaan in het oordeel tegen hen en zullen hen veroordelen, want zij bevestigden het gebod huns vaders met nauwgezetheid, en gingen voort en volhardden in hun gehoorzaamheid er aan, vers 16, maar dit volk, dit oproerig en tegenstrevend volk, hoort niet naar Mij, en daarom, vers 17, omdat zij de geboden van het woord niet gehoorzaamd hebben, zal God de bedreigingen er van ten uitvoer brengen: Ik zal, door het leger van de Chaldeën, al het kwaad over hen brengen, dat Ik tegen hen gesproken heb, beide in de wet en in de profeten, want Ik heb tot hen gesproken en Ik heb tot hen geroepen met zachte stem gesproken tot degenen, die dicht bij waren en luid geroepen tot hen, die op een afstand waren, Ik heb alle middelen en wegen beproefd om hen te overtuigen en terecht te brengen, gesproken door Mijn woord, geroepen door Mijn leidingen, en met dezelfde strekking, en toch zonder enig resultaat, zij hebben niet gehoord en niet geantwoord.
III. Barmhartigheid wordt hier beloofd aan het geslacht van de Rechabieten om hun standvastig en eenstemmig vasthouden aan de wetten van hun huis. Hoewel het alleen was ter beschaming van Israël, dat hun standvastigheid op de proef werd gesteld, toch werd zij bevonden te zijn tot lof en ere en heerlijkheid, daar zij onwankelbaar was, en God neemt er aanleiding uit, om hun te zeggen, dat Hij gunst voor hen bewaarde, vers 18, 19, en dat zij er de troost van zouden hebben. Beloofd wordt,
1. Dat het geslacht even lang bestaan zal als een van de geslachten van Israël, waar zij vreemdelingen en bijwoners onder waren. "Er zal niet van worden afgesneden een man," die erve, wat zij bezitten, hoewel zij geen erfenis na te laten hadden. Soms hebben zij het talrijkst kroost, die de minste goederen hebben, maar Hij, die monden zendt, zal zeker ook brood zenden.
2. Dat het geslacht bij de godsdienst blijven zal: "Hem zal niet worden afgesneden een man, die voor Mijn aangezicht sta," om Mij te dienen. Hoewel zij geen priesters noch Levieten zijn, noch enige plaats hebben in de tempeldienst, toch staan zij voor God, in een onafgebroken reeks van regelmatige godsdienstoefeningen, om Hem te dienen.
a. De grootste zegen, die in een familie erfelijk kan zijn, is, dat God er gediend wordt van geslacht tot geslacht.
b. Matigheid, zelf verloochening, en van de wereld afgestorven te zijn, hebben gunstige invloed op vrome oefeningen, en helpen mee om de waarneming ervan aan de nakomelingschap over te doen. Hoe meer wij dood zijn voor zinnelijke genietingen, te beter zijn wij gestemd voor de dienst van God, maar niets is meer noodlottig voor de overerving van godsdienst in een geslacht dan trots en weelde.