Jeremia 30:18-24
Wij hebben hier nog meer wenken van de gunst, die God voor hen bewaarde, totdat de dagen hunner onheilen voorbij zouden zijn. Beloofd wordt:
I. Dat stad en tempel herbouwd zouden worden, vers 18. Jakobs tenten en zijn woningen voelden de gevolgen van de gevangenis. want zij lagen in puinhopen, toen de inwoners gevankelijk werden weggevoerd, maar, als zij teruggekeerd zijn, zullen de woningen hersteld worden, en uit hun puinhopen herrijzen, en daarin zal God Zich over zijn woningen ontfermen die gedenktekenen van Zijn rechtvaardigheid geweest waren. Dan zal de stad Jeruzalem herbouwd worden op haar hoop, haar eigen heuvel, al is hij nu niet meer dan een puinhoop. De ligging was onverbeterlijk, en daarom zal zij herbouwd worden op dezelfde plek gronds. Hij, die van de stad een steenhoop maken kan, kan, als `t Hem behaagt, van een steenhoop weer een stad maken. Het paleis (de tempel, Gods paleis) zal liggen naar zijn wijze, het zal gebouwd worden naar het oude plan, en de dienst van God zal daar bij voortduring in stand gehouden worden en waargenomen als vroeger.
II. Dat de heilige feesten weer gevierd zouden worden, vers 19 :Van de stad en van de tempel en van alle woningen Jacobs zal dankzegging uitgaan, en een stem van de speellieden. Met woorden van blijdschap zullen zij naar de tempeldienst opgaan, en er van terugkeren. De stem van de dankzegging is dezelfde als de stem van de speellieden, want wat ons een reden tot blijdschap is, behoort er ook een te zijn tot gezang. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmen zinge. Wat ons blijde maakt, behoort ons dankbaar te maken. Dient de Heere met blijdschap.
III. Dat het volk vermeerderd, en talrijk en aanzienlijk zou worden. "Zij zullen niet verminderd en zij zullen niet gering worden," maar talrijk en luisterrijk, en zij zullen een positie innemen onder de volken, want "Ik zal ze vermeerderen en zal ze verheerlijken." Het is een eer voor de kerk, als er velen aan toegevoegd worden, die zalig worden. Dit zou hun enige invloed geven onder hun naburen. Laat een volk nog zo verminderd en veracht zijn, God kan het vermeerderen en verheerlijken. Zij zullen hersteld worden tot hun vroegere eer: "Zijn zonen zullen zijn als eertijds (zie ook Zacheria 8:5), zij zullen de goederen en de eer hunner ouders erven als tevoren, en zijn gemeente zal, in burgerlijke en heilige zaken beide, bevestigd worden voor Mijn aangezicht." Er zal een voortdurende opeenvolging van getrouwe overheden in de vergadering van de oudsten zijn, om die te vestigen, en van getrouwe aanbidders in de vergadering van de heiligen. Terwijl het ene geslacht gaat, zal een nieuw opgewekt worden, en zo zal de gemeente voor God bevestigd worden.
IV. Dat zij gezegend zullen zijn met een goede regering, vers 21. Zijn edelen en rechters zullen uit hen zijn, van hun eigen volk, en zij zullen niet langer geregeerd worden door vreemdelingen en vijanden, zijn heerser zal uit het midden van hen voortkomen, zal een zijn, die met hen gedeeld heeft in de beproevingen van hun gevangen staat, en dit heeft betrekking op Christus onze Heere David onze koning, vers 9, Hij is uit ons, in alles de broederen gelijk geworden. En Ik zal hem doen naderen, dit kan verstaan worden
1. Van het volk, Jakob en Israël: Ik zal hem doen naderen tot Mij in de tempeldienst, als tevoren, om met Mij in het verbond te treden als Mijn volk, vers 22, om in gemeenschap tot Mij te genaken, want wie is hij, die met zijn hart borg worde, die er een verbond mee gemaakt en een verdrag mee gesloten heeft, om tot Mij te genaken? Hoe weinigen zijn er, die dat doen! Niemand kan dat doen dan door de bijzondere genade van God, die hem tot Zich doet naderen. Telkens, wanneer wij God met een plechtige heiligheid naderen, moeten wij met ons hart borg worden om het te doen het hart moet voorbereid worden tot zijn plicht, het moet er mee bezig en er bij gehouden worden. Het hart is het voornaamste, waar God naar ziet, en dat Hij verlangt, maar het is bedrieglijk en zal ter zijde afwijken, als men geen grote zorg en moeite besteedt om het te verbinden, om dit offer met touwen te binden.
2. Het kan ook verstaan worden van de heerser, want het is een enkel persoon, waarvan gesproken wordt. Hun heerser zal plichtmatig tot zijn ambt geroepen worden, zal tot God naderen om Hem bij alle gelegenheden te raadplegen. God zal hem tot Zich doen naderen, want wie zou het anders op zich nemen om te zorgen voor zo'n zwak volk, en dit verderf te laten komen onder zijn bestaan? Maar als God werk te doen heeft, al is daarin veel reden tot ontmoediging, dan verwekt Hij werktuigen om het te doen. Maar de zin is dieper, het ziet op Christus, op Hem als Middelaar.
a. Het eigenlijke werk en ambt van Christus, als Middelaar, is om tot God te naderen en te genaken, niet voor Zichzelf alleen, maar voor ons, en in onze naam en plaats, als de Hogepriester van onze belijdenis. Er staat, dat de priesters tot God naderen, Leviticus 10:3, 21:17. Mozes naderde, Exodus 20:21.
b. God de Vader deed Jezus Christus, als Middelaar, aldus tot Hem naderen en genaken Hij gebood en beval Hem het te doen, Hij heiligde en bevestigde Hem, zalfde Hem met dit doel, nam Hem aan en betuigde Zijn welbehagen in Hem.
c. Jezus Christus, die de Vader tot zich deed naderen als Middelaar, is met Zijn hart borg geworden om het te doen, dat is: "Hij verbond en verplichtte Zich er toe, ondernam het voor Zijn hart (zoals sommigen lezen), voor Zijn ziel, dat deze, in de volheid van de tijden, tot een schuldoffer gesteld zou worden". Zijn vrijwillig ondernemen, in onderwerping aan de wil Zijns Vaders en uit medelijden met de gevallen mens, verplichtte, en daarna was Zijn eer er mee gemoeid om woord te houden. Het houdt ook in, dat Hij van harte besloten was, vrijwillig en blijmoedig, en de moeilijkheden, die op Zijn weg lagen, niet telde, Jesaja 63:3-5.
d. Jezus Christus was in dit alles waarlijk wonderlijk. Wel mogen wij, met bewondering vragen: Wie is Hij, die met Zijn hart borg wordt voor zulk een onderneming?
V. Dat zij opnieuw in het verbond met God zullen opgenomen worden, maar het verbond, met hun vaderen gemaakt, vers 22 :Gij zult Mij tot een volk zijn, en het is Gods goede werk in ons, dat ons Hem "tot een volk maakt, een volk voor Zijn naam," Handelingen 15:14. "Ik zal u tot een God zijn." Het is Zijn welbehagen in ons, dat de samenvatting is van dat deel van het verbond.
Vl. Dat met hun vijanden zal afgerekend, en dat ze ten onder gebracht zullen worden vers 20 :Ik zal bezoeking doen over al zijn onderdrukkers, zodat het aan een ieder blijken zal, hoe gevaarlijk het is "Gods gezalfden," Psalm 105:15, aan te tasten. De laatste twee verzen horen hier bij. "Een onweder des Heeren is uitgegaan, het zal blijven op het hoofd van de goddelozen." Deze twee verzen hebben wij ook gehad in Hoofdstuk 23:19, 20, daar waren zij een aankondiging van Gods toorn tegen de goddeloze huichelaars in Israël, hier tegen de goddeloze onderdrukkers van Israël. De uitdrukkingen, die nauwkeurig overeenstemmen, zijn van dezelfde betekenis als Jesaja 51:22, 23, "Ik neem de beker van de zwijmeling van uw hand, maar zal hem dien, die u bedroefd hebben, in de hand zetten." Gods grimmigheid tegen de goddelozen wordt hier voorgesteld als:
1. Zeer verschrikkelijk, als een onweder, dat overvalt en onweerstaanbaar is.
2. Zeer smartelijk. "Het zal blijven op het hoofd van de goddelozen, zij zullen evenzeer gepijnigd als verschrikt worden."
3. Het zal hen vervolgen. Onweders zijn gewoonlijk kort van duur, maar dit zal een aanhoudend onweder zijn.
4. Het zal volbrengen, waartoe het gezonden is: "De hittigheid van des Heeren toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan zal hebben. Het doel van Zijn toorn, zowel als dat van Zijn liefde, zal bereikt worden, Hij zal de gedachten Zijns harten volbrengen."
5. Die dit nu niet ter harte willen nemen zullen dan de gedachte er aan niet kunnen bannen: "in het laatste van de dagen zult gij daarop letten, als het te laat is om het te voorkomen."