Numeri 24:1-9
De zegen zelf, die Bileam hier over Israël uitspreekt, is tamelijk gelijk aan de twee, welke wij in het vorige hoofdstuk gehad hebben, maar de inleiding er toe is verschillend.
I. De wijze van handelen is in verscheidene opzichten zeer verschillend.
1. Bileam laat de toverijen ter zijde, waarop hij tot nu toe gesteund had, daar hij bevond dat zij hem van generlei nut weren, het diende nergens toe om met de duivel te handelen voor een vloek, nu het toch duidelijk bleek dat God besloten was te zegenen, vers 1. Vroeg of laat zal God de mensen overtuigen van hun dwaasheid in het zoeken van valse ijdelheden, die tot niets nut zijn. Waartoe zou hij zich naar toverijen begeven? Hij wist dat God buiten het bereik er van was.
2. Hij trok zich nu niet, zoals tevoren, terug naar een eenzame plaats, maar richtte zijn aangezicht terstond naar de woestijn, waar Israël gelegerd was, en daar er niets aan te doen is dat zij gezegend moeten worden, zal hij niets anders bedenken, maar toegeven aan de drang.
3. Nu was de Geest Gods op hem, namelijk: de Geest van de profetie, zoals op Saul, om hem te beletten David gevangen te nemen, 1 Samuël 19:23. Hij sprak niet zijn eigen gevoelen, maar de taal van de Geest, die op hem kwam.
4. Zijn inleiding verschilde van die, welke hij tevoren gebruikt had, vers 3, 4, en is enigszins gelijk aan die van David, 2 Samuël 23:1-3, maar sterk riekend naar hoogmoed en verwaandheid (denken sommigen), al de lof van deze profetie voor zichzelf nemend, en zichzelf verheerlijkend als een, die in de raad des hemels zit. Hij roemt op twee dingen:
a. De gunst, die God hem bewees, door zich aan hem bekend te maken. Hij hoorde de woorden Gods, en zag de gezichten van de Almachtige. God zelf had hem ontmoet en tot hem gesproken, Hoofdstuk 23:16, en dit maakt hem opgeblazen. Paulus spreekt met ootmoed van zijn visioenen en de openbaringen, die hem gedaan zijn, 2 Corinthiërs 12:1, maar Bileam spreekt er van met hoogmoed.
b. Zijn eigen macht en kracht om deze openbaringen te ontvangen en te dragen. Wèl is hij, evenals andere profeten, in een vertrekking van zinnen geweest, maar daarbij waren zijn ogen open. Tweemaal maakt hij hier melding van, maar in het oorspronkelijke zijn de woorden niet gelijk. Sommigen denken, dat vers 3 gelezen kan worden: de man wiens ogen gesloten waren, maar die nu de ogen open heeft, vers 4. Hij erkent dwalend te zijn geweest, toen hij Israël poogde te vloeken, maar nu begint hij zijn dwaling in te zien, en toch blijft hij nog verblind door de dwaze en schadelijke lusten van geldgierigheid en eerzucht. Zij, die God en Zijn volk tegenstaan, zullen vroeg of laat moeten inzien dat zij ellendig misleid en bedrogen zijn. Van velen zijn wèl de ogen open, maar niet het hart, zij zijn verlicht, maar niet geheiligd, en de kennis, die de mensen opgeblazen maakt van hoogmoed, zal slechts dienen om hen bij te lichten naar de hel, waar velen met geopende ogen heengaan.
II. Maar de inhoud van de zegen is gelijk aan die van de vorigen. Verscheidene dingen bewondert hij in Israël. 1. Hun schoonheid, vers 5. Hoe schoon zijn uw tenten, o Jakob! Hoewel zij niet woonden in statige paleizen, maar in eenvoudige, ruwe tenten, die ongetwijfeld ook nog droevig verweerd waren, ziet Bileam toch schoonheid in deze tenten, vanwege hun bewonderenswaardige orde en rangschikking naar hun stammen, vers 2. Niets beveelt de Godsdienst meer aan in de goede mening van hen, die hem van verre beschouwen, dan de eenheid en eensgezindheid van zijn belijders, Psalm 133:2. Het lieflijke van dit volk, en de grote roem, die zij zullen verkrijgen onder hun naburen worden vergeleken bij de schoonheid en lieflijkheid van vruchtbare valleien en schone lusthoven, bloeiende bomen en geurige specerijen, vers 3. Diegenen, wier ogen open zijn zien de heiligen als de voortreffelijken van de aarde, en dienovereenkomstig verlustigen zij zich in hen. De rechtvaardige is ongetwijfeld voortreffelijker dan zijn naaste. Zij zijn bomen, die de Heere geplant heeft, daarin bestaat hun voortreffelijkheid. De scheuten van de gerechtigheid zijn de planting des Heeren. Zie Hosea 14:5-7.
2. Hun vruchtbaarheid en toeneming. Die kunnen bedoeld zijn in de beeldspraak van de valleien, hoven en bomen, zowel als in deze uitdrukkingen, in vers 7 :daar zal water uit zijn emmers vloeien, dat is: God zal hen bewateren met Zijn zegen, zoals met regen van de hemel, en dan zal zijn zaad in vele wateren zijn, vergelijk Hosea 2:23. Ik zal ze Mij op de aarde zaaien. En wateren worden in de Schrift genomen voor volk, en menigten, en natiën. Dit is vervuld geworden in de wonderbare toeneming van dat volk en hun groot aantal, zelfs in hun verstrooiing.
3. Hun eer en verhoging. Gelijk in de menigte van het volk van de koning heerlijkheid is, zo is in de grootheid van de koning de heerlijkheid van het volk, daarom voorzegt Bileam dat zijn koning boven Agag zal verheven worden. Agag is waarschijnlijk de machtigste monarch geweest in die streken, Bileam had van niemand gehoord, die groter of aanzienlijker was, hij verhief zich boven zijn naburen, maar Bileam voorzegt, dat Israëls opperbevelhebber, die, na Mozes, Jozua geweest is, groter en heerlijker zou zijn dan Agag zelf ooit geweest is, en groter roem zou hebben in de geschiedenis. Saul, hun eerste koning, overwon Agag hoewel van hem gezegd is dat hij welgemoed ging.
4. Hun macht en zegepraal, vers 8.
a. Hij ziet terug op hetgeen zij gedaan hebben, of liever, op hetgeen voor hen gedaan was. God heeft hen uit Egypte uitgevoerd. Daarvan had hij tevoren gesproken, Hoofdstuk 23:22. De wonderen, waarmee hun verlossing gepaard ging, hebben meer dan iets anders bijgedragen tot hun heerlijkheid en de verschrikking van hun tegenstanders, Jozua 2:10. Hij, die hen uitgevoerd heeft uit Egypte, zal niet in gebreke blijven om hen in Kanaän te brengen, want Gods werk is volmaakt.
b. Hij ziet op hun tegenwoordige kracht. Israël heeft als het ware de krachten van een eenhoorn, van welk schepsel gezegd wordt: zal de eenhoorn u willen dienen, zal hij vernachten aan uw kribbe? Zult gij de eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Job 39:12, 13. Neen, Israël is te machtig om door mijn vervloekingen beteugeld te worden of door uw heirscharen te worden verslagen.
5. Hun moed en veilige rust, vers 9. Hij heeft zich neergelegd gelijk een leeuw en als een oude leeuw. Nu doet hij dit in de vlakke velden van Moab, en vraagt daartoe geen verlof van de koning van Moab, en ook vreest hij hem niet. Weldra zal hij dit doen in Kanaän als hij zijn prooi verscheurd zal hebben, dan zal hij rusten, gerust tegen de vrees des kwaads en al zijn naburen tarten, want wie zal een slapende leeuw wakker maken? Men heeft opgemerkt dat leeuwen, (zoals de geleerde bisschop Patrick hier zegt) zich niet naar een schuilplaats terugtrekken om er te gaan slapen maar overal neerliggen, wetende dat niemand hen zou durven storen, en zó gerust waren de Israëlieten in Kanaän, inzonderheid in de tijd van David en Salomo, en aldus is de rechtvaardige moedig als een jonge leeuw, Spreuken 28:1, niet om anderen aan te vallen, maar om te rusten, omdat God hen zeker doet wonen, Psalm 4:8.
6. Hun invloed op hun naburen. Hun vrienden en bondgenoten waren gelukkig, gezegend: Zo wie u zegent, die zij gezegend. Zij, die hun enigerlei vriendelijkheid bewijzen, zullen er voorzeker deste beter om varen, maar hun vijanden, en zij die krijg tegen hen voeren, waren zeer zeker ongelukkig: vervloekt zij wie u vervloekt. Zij, die hun kwaad doen, doen dit op hun eigen risico, want wat hun gedaan wordt, hetzij goed of kwaad, wordt door God geacht als Hem te zijn aangedaan. Aldus bevestigt hij de zegen van Abraham, Genesis 12:3 en spreekt alsof hij Israël toen zegende en niet vloekte, omdat hij begeerde te delen in de zegen van Israëls vrienden, en de vloek vreesde van Israëls vijanden.