Jeremia 27:12-22
Wat tot alle volken gezegd wordt, wordt hier met bijzondere tederheid toegepast op het Joodse volk, dat Jeremia innig genegen was. Het geval stond op het ogenblik zo: Juda en Jeruzalem hadden dikwijls gestreden met de koning van Babel, en waren steeds verslagen, velen van hun aanzienlijken en vele van hun kostbare goederen waren reeds naar Babel gevoerd, en in `t bijzonder van "de vaten van het huis des Heeren." Nu was de vraag, hoe deze worsteling zou aflopen. Er waren er onder hen te Jeruzalem, die beweerden profeten te zijn, welke hen aanspoorden vol te houden, en in korte tijd zouden zij de koning van Babel te sterk zijn, en alles terugkrijgen, wat zij verloren hadden. Nu wordt Jeremia gezonden om hen aan te sporen toe te geven en de minste te zijn, want in plaats van terug te krijgen, wat zij verloren hadden, zouden zij anders allen verliezen, wat er nog over was, en hen daartoe te dringen is de bedoeling van deze verzen.
I. Jeremia spreekt de koning van Juda nederig aan, om hem te overreden zich aan de koning van Babel over te geven. Zijn daad zou die van het volk zijn en hun houding bepalen en daarom spreekt hij tot hem als tot hen allen vers 12 :Brengt uw haken onder het juk des konings van Babel, zo zult gij leven. Is het wijs van hen onder het zware ijzeren juk te gaan van een wreed tiran. om het leven van hun lichaam te redden? En is het niet veel wijzer van ons, te buigen onder het zachte, lichte juk van onze rechtmatige Heere en Meester Jezus Christus, om het leven van onze zielen te redden? Buig uw geest tot berouw en geloof, en gij zijt op de weg om uw geest op te heffen tot de hemel en zijn heerlijkheid. En wij kunnen zielen, die anders verloren gaan met veel meer overtuigende kracht en mededogen vermanen dan Jeremia hier een volk vermaant, dat verloren gaat: "Waarom zoudt gij sterven door het zwaard, door de honger een ellendigen dood, die gij u onvermijdelijk op de hals haalt, onder voorwendsel een ellendig leven te vermijden?" Wat God in `t algemeen gesproken had van al degenen, die zich niet wilden onderwerpen aan de koning van Babel, wilde Hij, dat zij op zichzelf zouden toepassen en er voor vrezen. Het ware te wensen, dat zondaars op dezelfde wijze bevreesd waren voor de ondergang, waarmee bedreigd worden allen, die niet willen, dat Christus koning over hen zij, en aldus bij zich zelf redeneerden: "Waarom zouden wij de tweede dood sterven, die duizend maal erger is dan die door het zwaard en de honger, als wij ons kunnen onderwerpen en leven?"
II. Op dezelfde wijze spreekt hij de priesters aan en het volk, vers 16, om hen te overreden de koning van Babel te dienen, opdat zij mochten leven, en de verwoesting van de stad voorkomen, vers 17 :Waarom zou deze stad tot een woestheid worden, wat zij zeker worden zal, als gij volhoudt? De priesters waren Jeremia's vijanden geweest, en hadden zijn ziel gezocht om hem te doden, toch bewijst hij hun vriend te zijn, en zoekt hun ziel, om hen te bewaren en te beveiligen, wet een voorbeeld is voor ons om kwaad met goed te vergelden. "Als bloedgierige lieden de vrome haten, zoeken toch de oprechten zijn ziel, en haar welzijn". Spreuken 29:10. Zij waren een heel eind heen, zij waren op de rand van hun ondergang, waartoe zij niet gekomen zouden zijn, als zij Jeremia's raad hadden willen opvolgen, toch zet hij zijn vriendelijke vermaningen aan hen voort, om de laatste inzet te redden en dat met wijsheid te doen, en nu, ten laatste, op deze hun dag te verstaan "de dingen, die tot hun vrede dienen, terwijl zij nog maar een dag hadden, om er acht op te geven."
III. In beide deze aanspraken waarschuwt hij om geen geloof te hechten aan de valse profeten, die hen in slaap wiegden in hun zekerheid, omdat zij zagen, dat zij liefhadden te sluimeren: Hoort dan niet naar de woorden van de profeten, vers 14, uwer profeten, vers 16. Zij zijn Gods profeten niet, Hij heeft ze niet gezonden, zij dienen Hem niet, en zoeken Hem niet te behagen, zij zijn uwe, want zij zeggen wat gij wilt, dat zij zullen zeggen, en bedoelen niets dan u te behagen. Twee dingen deden hun profeten hem geloven door hun vleierij:
1. Dat de macht, die de koning van Babel over hen gekregen had, binnenkort gebroken zou worden. Zij zeiden, vers 14 : Gij zult de koning van Babel niet dienen, gij behoeft u met vrijwillig te onderwerpen, want gij zult er niet toe gedwongen worden. Dat voorspelden zij in de naam des Heeren, vers 15, alsof God hen met deze boodschap tot het volk gezonden had, uit vriendelijkheid, om zichzelf niet te onderschatten door een roemloze overgave. Maar het was een leugen. Zij zeiden, dat God hen gezonden had, maar dat was vals, Hij loochent het "Ik heb ze niet gezonden, spreekt de Heere." Zij zeiden, dat zij nooit tot onderwerping aan de koning van Babel gebracht zouden worden, maar dat was ook vals, de afloop bewees het. Zij zeiden, dat stand te houden tot het laatste het middel zou zijn om zichzelf en hun stad te beveiligen, maar dat was vals, want het zou zeker daarmee eindigen, dat zij uitgedreven werden en omkwamen. Zodat alles gelogen was, van a tot z, en de profeten, die het volk met deze leugens bedrogen, bedrogen tenslotte zichzelf, de blinde leiders en de blinde volgelingen vieren tezamen in de gracht: "Opdat gij omkomt, gij en de profeten, die u profeteren, die zo weinig uw veiligheid kunnen waarborgen, dat zij niet eens in staat zijn, zichzelf te beveiligen". Die zondaars aanmoedigen om voort te gaan op hun zondige wegen, zullen in het eind met hen omkomen.
2. Zij profeteerden, dat de vaten van de tempel, die de koning van Babel reeds weggevoerd had, binnenkort teruggebracht zouden worden, vers 16, met deze hoop streelden zij de priesters, wetende, hoe aangenaam dat zou zijn voor hen, die het goud van de tempel meer liefhadden dan de tempel, die het goud heiligde. Deze vaten waren weggenomen, toen Jechonia gevankelijk naar Babel was gevoerd, vers 20. Wij vinden de geschiedenis, en zij is treurig, in 2 Koningen 24:13, 15, 2 Kronieken 36:10. Alle gouden vaten, die in het huis de Heeren waren, met alle schatten, werden buit gemaakt, en naar Babel gebracht. Dit was smartelijk voor hen, meer dan iets anders, want de tempel was hun trots en hun vertrouwen, en de beroving daarvan was een te duidelijke aanwijzing van wat de ware profeet hun zei, dat God hen verlaten had. Daarom konden de valse profeten hen op geen andere wijze geruststellen dan door hun te zeggen, dat de koning van Babel gedwongen zou worden ze binnen korten tijd terug te brengen. Hier,
a. Verzoekt Jeremia hun er liever aan te denken om de vaten te bewaren, die op hun gebed gebleven waren, dan om terug te brengen, die door hun profetieën weggevoerd waren, vers 18. Zo zij profeten zijn, zoals zij beweren, en zo des Heeren woord bij hen is-als zij enige gemeenschap hebben met de hemel en enige invloed in die plaats, dat zij die dan gebruiken om de voortgang van het oordeel te doen ophouden, dat zij dan in de bres springen, en met hun wierookvat gaan staan tussen de doden en tussen de levenden, tussen hetgeen weggevoerd is en hetgeen overgebleven is, opdat de plaag ophoude, "laaf ze nu bij de Heere van de heirscharen er voor bidden, opdat de vaten, die overgelaten zijn, de andere niet volgen."
b. Laat ze bidden, in plaats van te profeteren. Profeten moeten bidders zijn, door veel in `t gebed te zijn moeten zij laten blijken, dat zij gemeenschap houden met de hemel. Wij kunnen niet geloven, dat zij, als profeten, ooit iets vandaar te horen krijgen, als zij niet vaak hun gebed daarheen opzenden. Door te bidden voor de veiligheid en de voorspoed van het heiligdom, moeten zij laten blijken, dat zij, zoals profeten betaamt, van het algemeen belang doordrongen zijn, en uit het resultaat van hun gebeden zal blijken dat God hen begunstigt. c. In plaats van zich warm te maken om terug te krijgen wat zij verloren hadden, moeten zij zich inspannen om te beveiligen, wat overgelaten was, en het als een grote gunst te beschouwen, als zij daarin slagen. Als Gods oordelen komen, moeten wij niet naar grote dingen zoeken, maar dankbaar zijn voor weinig.
d. Hij verzekert hun, dat zij zelfs daarin niet zullen slagen, maar dat de koperen vaten de gouden zullen volgen, vers 19, 22. Nebukadnezar had eens zo'n grote buit gevonden, dat hij zeker terug zou komen, en alles nemen, wat hij vinden kon, niet alleen in "het huis des Heeren, maar ook in des konings huis". Zij zullen allen in triomf naar Babel gevoerd worden, en "aldaar zullen zij zijn". Maar hij besluit met de genadige belofte, dat de tijd zal komen, dat alles teruggebracht zal worden. "Tot de dag toe dat Ik ze bezoeken zal, zoals bepaald is, dan zal Ik ze opvoeren, en zal ze weerbrengen tot deze plaats, hun eigen plaats". Zij waren stellig onder bescherming van een bijzondere Voorzienigheid, anders zouden ze versmolten zijn en voor iets anders gebruikt, maar er zou een tweede tempel zijn, waarvoor ze bewaard werden. Wij lezen bijzonderheden van hun terugkeer in Ezra 1:8. Al valt de terugkeer van de voorspoed van de kerk niet binnen onze tijd, daarom moeten wij er niet aan wanhopen, want hij zal komen op Gods tijd. Hoewel zij, die zeiden: De vaten van des Heeren huis zullen nu haast uit Babel weergebracht worden, valsheid profeteerden, vers 16, toch profeteerde hij de waarheid, die zei: zij zullen ten laatste wedergebracht worden. Wij zijn geneigd onze klok bij die van God voor te zetten, en dan te morren omdat zij niet gelijk lopen, maar de Heere is een God des oordeels, en het voegt ons op Hem te wachten.