Jeremia 23:33-40
De onheiligheid van volk, priesters en profeten wordt hier in een bijzonder geval gewraakt, en wel in een geval, dat schijnbaar klein is in vergelijking met groter misdaden. Maar omdat onheiligheid in de alledaagse taal en de ontaarding van de spreekmanier van een volk een duidelijk bewijs is van de omvang van zijn goddeloosheid, moeten wij het niet vreemd vinden, dat hier zo breed en met zoveel nadruk over gehandeld wordt.
Merk op:
I. De zonde, die hun hier ten laste wordt gelegd, is, dat zij met Gods profeten de gek steken en heilige dingen voor scherts gebruiker. Zij vragen: Wat is des Heeren last? vers 33, 34. Zij zeggen: Des Heeren last, vers 38. Dit is het woord, hetwelk de Heere grotelijks vertoornt, dat zij, sprekende van het Woord des Heeren, het spottend en glimlachend des Heeren last noemen. Nu,
1. Dat is een woord, dat de profeten vaak gebruiken, en wel in volle ernst, om aan te tonen, hoe zwaar hun Gods Woord woog, hoe belangrijk het was en welke diepe invloed het op de hoorders moest maken. De woorden van de valse profeten hadden in zichzelf generlei kracht, maar wel die van God, deze waren als tarwe tegenover die als kaf. De onheilige spotters gebruikten die naam, woorden Gods, en maakten die tot een spot en aanfluiting, zij maakten er het volk vrolijk mee, opdat, wanneer de profeten die naam gebruikten, het volk er niets ernstigs in zien zou. Zie, het is alle eeuwen door Satans list geweest, de betekenis van de heilige dingen te verkleinen, door ze belachelijk te maken. Spot met Gods dienaren was hun boodschappen krachteloos maken.
2. Misschien werd dat woord wel opgevangen en door de spotters als een onbetamelijk woord aan de kaak gesteld, als ware het door de profeten verzonnen, maar nooit vroeger door een van de Bijbelschrijvers gebruikt. Eerst in deze laatste eeuw werd het "Woord des Heeren de last des Heeren genoemd, een uitdrukking, die tevoren niet voorgekomen was". Maar zo mensen de vrijheid nemen op ander terrein nieuwe uitdrukkingen te vormen, die zij juister of krachtiger vinden, waarom dan niet op dat van de godgeleerdheid? Maar vooral moeten wij opmerken, dat de Geest Gods niet gebonden is aan onze gewone manier van spreken.
3. Sommigen menen, dat de naam last voor het "Woord des Heeren een berisping of bedreiging inhoudt, aan het adres van de hoorders (toch weet ik niet, of deze mening altijd doorgaat), daarom beweren zij, dat het gebruik dier uitdrukking last des Heeren in een onwelwillende zin God steeds voorstelt als hard voor hen, hen plagende, hun vrees aanjagende, en zo maken zij Gods Woord een gedurige plaag voor hen". Zij maken het Woord Gods een last voor zichzelf en twisten dan met Gods dienaren, omdat die het een last voor hen maken. Zo verwijten spotters van later dagen, terwijl zij met hemel en zaligheid de gek staken, getrouwe predikers, dat zij hel en verdoemenis prediken. In het algemeen mogen wij opmerken, dat, hoe licht men er ook over denkt, de grote God er acht op geeft en het Hem grotelijks mishaagt, wanneer men heilige dingen belachelijk maakt en, schriftuurlijke waarheden in scherts gebruikende, de taal van Gods Woord tot een aanstoot stellen. In zulke geestigheid steekt geen wijsheid, dat zal ten laatste wel blijken. "Drijft de spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden," Jesaja 28:22. Zij, die aan die zonde schuldig stonden, behoorden tot de valse profeten, die wellicht kwamen om het woord van de ware profeten te stelen, of tot de priesters, die oorzaak tegen hen zochten om hen te kunnen beschuldigen, of tot het volk dat van de onheilige priesters en profeten geleerd had, met de dingen Gods te spelen. Het volk zou de profeet en zijn God niet beledigd hebben, zo niet deze belhamels hun de weg daartoe hadden gewezen.
II. Wanneer zij bestraft worden over deze manier van spreken, wordt hun ook de weg gewezen om zich betamelijker uit te drukken. Wij vinden geen aanwijzing, als zouden de profeten worden vermaand, dit woord niet langer te gebruiken, wij vinden het nog lang daarna, Zacheria 9:1, Maleachi 1:1, Nehemia 1:1, Habakuk 1:1. Bij Jeremia vinden wij het geen enkele maal, tevoren noch later, gebezigd. Het is inderdaad zo, dat het in vele gevallen raadzaam is, zulke misbruikte termen niet meer aan te wenden, het kan ook voorzichtig zijn, zulke uitdrukkingen, hoe onschuldig op zich zelf ook, te vermijden, als ze gevaar opleveren, verkeerd verstaan en cen struikelblok te worden. Maar hier wil God, dat de profeet deze regel volge, Hoofdstuk 15:19 :"Laat hen tot u wederkeren, maar gij zult tot hen niet wederkeren." Laat het gebruik van dit woord niet varen, maar laat hen het niet langer misbruiken. "Des Heeren last zult gij niet meer gedenken, niet meer op uw onheilige, lichtzinnige manier gebruiken, vers 36, want gij verkeert de woorden des levenden Gods, gij misbruikt ze, een goddeloos en gevaarlijk bedrijf, bedenkt, dat Hij is de levende God, de Heere van de heirscharen, onze God." Zie, wanneer wij God willen beschouwen, gelijk ons betaamt, in Zijn grootheid en goedheid, en onze betrekking tot en verplichting jegens Hem levendig beseffen, dan mogen wij hopen, dat wij Hem niet durven krenken door Zijn woorden te misbruiken. Het is een goddeloos ding, het Woord te misbruiken van "de levenden God, de Heere van de heirscharen, onze God". Hoe moeten zij zich dan wel uitdrukken? Hij zegt hun, vers 37, Aldus zult gij zeggen tot de profeet, wanneer gij hem ondervraagt: Wat heeft u de Heere geantwoord, en wat heeft de Heere gesproken? Zo moeten zij ook tot hun naasten spreken, vers 35. Let hierop: Wij moeten over de dingen Gods immer met eerbied en ernst spreken, gelijk tegenover Hem past. Het is een prijzenswaardig iets, Gods bedoeling te onderzoeken, te vragen wat onze broeders gehoord hebben, aan te horen wat onze profeten van Hem te zeggen hebben, maar dat moet geschieden met reine bedoeling en op de juiste wijze. Gods dienaren kunnen hier leren, wanneer zij het volk om wat het verkeerd doet of zegt, bestraffen, hun te leren, beter te spreken en te handelen.
III. Dewijl zij die spottaal niet wilden nalaten, ondanks des profeten vermaning, bedreigt God hen met algehele ondergang. Zij zouden blijven zeggen: De last des Heeren, hoewel Hij hun gelast had, dat niet langer te doen, vers 38. Hoe weinig achting hebben diegenen voor goddelijk gezag, die zich niet laten gezeggen, hun ijdeler praat op te gevent Maar zie, wat daarvan het gevolg zijn zal.
1. Zij zullen gerekend worden "Gods Woord te verkeren, die het verkeerd uitleggen of er een verkeerd gebruik van maken". Het zal ook openbaar worden, dat wie Gods boodschappers bespot, Hem zelf tot toorn verwekt. Ik zal bezoeking doen over die man en over zijn huis, hij zij priester of profeet, of een uit het volk, het zal aan hem gewroken worden, vers 34. Gods Woord te verkeren en de predikers van Gods Woord bespottelijk te maken, zijn zonden die verwoestende oordelen brengen over huisgezinnen en een vloek over een huis. Ene andere bedreiging vinden wij vers 36. Een ieder zal zijn eigen woord tot een last zijn, dit is: de schuld van deze zonde zal zo zwaar op hem drukken, dat ze hem in de kuil des verderfs doet verzinken. "God zal hun tong doen aanstoten tegen zichzelve Psalm 64:9. God zal hun hun spot zo walgelijk maken, dat zij geen lust meer gevoelen, om van de last des Heeren weer te spreken, die last zal hun te zwaar vallen". Zij zijn als de onzinnige, die uit louter vermaak brandhouten, pijlen en dood om zich heen werpt. 2. De woorden Gods, hoe ook misbruikt, zullen tenslotte vervuld worden. Vragen zij: "Wat is de last des Heeren? Laat de profeet hen vragen: Wat last bedoelt gij?" Het is deze: Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de Heere, vers 33. Dit is de last, die ik op hen leggen en binden zal, vers 39, 40. Zie, Ik zal u ook ganselijk vergeten en van mijn aangezicht laten varen. Ik zal u verlaten en er niet aan denken, tot u terug te keren. Zij, die door God worden verlaten en vergeten, zal wel diep ellendig, en als mensen met Gods oordelen de spot drijven, zal hen dat niet troosten. Jeruzalem had God zich tot een heilige stad verkoren en toen hun en hun vaderen gegeven, maar nu wordt ze verlaten en vergeten. God had het volk zich tot een volk verkoren, maar nu zal het uit Zijn tegenwoordigheid verdreven werden. Zij waren groot en geëerd geweest onder de volken, maar nu zou hun God "een eeuwige smaadheid en een eeuwige schande aandoen." Beide, hun zonde en hun straf, zullen hun eeuwige ongenade zijn. Het staat hier neergeschreven en zal er blijven staan tot `s werelds einde. Zie Gods Woord zal groot en heerlijk gemaakt worden, wanneer zij, die er mee spotten, vernederd en verachtelijk zullen worden. "Zij, die Mij versmaden, zullen licht geacht worden."