Hooglied 7:1-9
De titel, die Christus hier geeft aan de kerk is nieuw, gij prinsendochter, overeenkomende met Psalm 45, waar zij deze koningsdochter wordt genoemd. Zij is dit ten opzichte van haar nieuwe geboorte, van boven geboren, geboren uit God, en Zijn werk, dragende het beeld van de koning van de kortingen en bestuurd wordende door Zijn Geest. Zij is het door huwelijk. Christus heeft door met haar te ondertrouwen, hoewel Hij haar gering en onwaardig had gevonden, tot een prinsendochter gemaakt, zij heeft een prinselijk gemoed, er is iets in haar dat waarlijk groot en edelmoedig is. Zij is dochter en erfgenaam van de vorst van de koningen van de aarde, indien wij kinderen zijn dan zijn wij ook erfgenamen.
Nu hebben wij hier:
1. Een uitvoerige beschrijving van de schoonheid van de bruid, die, naar sommigen denken gegeven wordt door de maagden, haar gezellinnen, en dat zij het waren, die haar riepen om weer te keren. Maar die beschrijving schijnt veeleer door Christus zelf gegeven te zijn, en dat zij bedoeld is om uitdrukking te geven aan Zijn liefde voor haar en Zijn verlustiging in haar, zoals tevoren Hoofdstuk 4:1 en verv. en Hoofdstuk 6:5-6. De vergelijkingen zijn verschillend van wat zij tevoren geweest zijn, om aan te tonen dat de schoonheid van de heiligheid een zodanige is, dat niets in de natuur haar kan bereiken, gij kunt er nog meer van zeggen, en er toch nog ver bij achter blijven. De lof van de bruid in Hoofdstuk 4, volgde terstond op de ondertrouw, Hoofdstuk 3-11, deze op haar terugkeer van een bijweg, Hoofdstuk 6:13, maar deze overtreft die, om de standvastigheid te tonen van Christus liefde voor Zijn volk, Hij heeft hen lief tot het einde, van toen af dat Hij hen kostelijk heeft gemaakt in Zijn ogen, zijn zij verheerlijkt geweest. De bruid had de schoonheid van haar liefste beschreven in tien bijzonderheden, Hoofdstuk 5:11 en verv, en nu beschrijft Hij haar in even vele, want Hij wil bij haar niet achterblijven in betuigingen van achting en tederheid. Hen, die Christus eren, zal Hij gewis eren en verheerlijken. Gelijk de profeet, het bederf beschrijvende van het ontaarde Israël, rekent van de voetzool af tot het hoofd toe, Jesaja 1:6, zo worden hier de schoonheden van de kerk gerekend van voet tot hoofd, opdat, gelijk de apostel zegt, als hij evenals hier de kerk vergelijkt bij het natuurlijke lichaam, 1 Corinthiers 12:23, overvloedige eer aangedaan zal worden aan die delen van het lichaam, die ons de minst geëerde dunken, en die daarom gebrek aan dezelve hebben, vers 24.
1. Hier worden haar voeten geprezen, de voeten van Christus dienstknechten zijn schoon in de ogen van de kerk, Jesaja 52:7, en haar voeten worden hier gezegd schoon te zijn in de ogen van Christus. Hoe schoon zijn uw voeten in de schoenen! Als de gelovigen, vrijgemaakt zijnde van de gevangenschap van de zonde, Handelingen 12:8, staan in de vrijheid waarmee zij vrijgemaakt zijn, de tekenen bewaren van hun bevrijding, hun voeten geschoeid hebben met de bereidheid van het evangelie des vredes en standvastig wandelen naar de regel van het evangelie, dan zijn hun voeten schoon in de schoenen, zij hebben een vaste tred, wel gewapend zijnde tegen de moeilijkheden, die zij op hun weg ontmoeten. Als wij niet blijven bij goede neigingen, maar die vergezeld doen gaan van oprechte, ernstige pogingen en besluiten, dan zijn onze voeten verfraaid met schoenen zie Ezechiël 16:10.
2. De samenvoegingen van de heupen worden hier gezegd te zijn als juwelen zijnde het werk van de handen van een kunstenaar. Dit wordt verklaard door Efeziers 4:16, en Colossenzen 2:19 waar het mystieke lichaam van Christus gezegd wordt samengevoegd te zijn door samenvoegsels en samenbindingen, gelijk de heupen en knieën (welke beide de samenvoegsels zijn van de dijen) het natuurlijke lichaam dienen in zijn kracht en beweging. De kerk is dan schoon in Christus' ogen, als deze samenvoegsels vast en sterk worden gehouden door heilige liefde en eenheid en de gemeenschap van de heiligen. Als de gelovigen naar goede beginselen handelen in de godsdienst, standvastig en regelmatig zijn in geheel hun wandel, zich gemakkelijk wenden tot iedere plicht op zijn plaats en tijd, dan zijn de samenvoegsels als juwelen.
3. De navel wordt hier vergeleken bij een ronde beker, die geen aangename drank ontbreekt, die men erin zou willen vinden, zoals Davids beker, die overvloeide, Psalm 23:5, goed gevormd, en niet als het ongelukkige kind welks navel niet was afgesneden, Ezechiël 16:4. De vreze des Heeren wordt gezegd medicijn te zijn voor de navel, zie Spreuken 3:8. Als aan de ziel die vreze niet ontbreekt, dan ontbreekt de navel geen drank.
4. De buik wordt vergeleken bij een hoop tarwe in de voorraadkamer, die soms, misschien om een fraaie vertoning te maken, met bloemen werd versierd. De tarwe is nuttig, de lelies zijn schoon, er is in de kerk alles, wat voor de leden van dat lichaam tot nut of tot sieraad kan dienen. Het gehele lichaam wordt gevoed door de buik, het duldt geestelijken voorspoed aan voor een gelovige, en de gezonde gesteldheid van de ziel, alles is daar in goeden toestand.
5. De borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree, vers 3. Door de borsten van de vertroostingen van de kerk worden gevoed zij, die uit haar buik geboren zijn, Jesaja 46:3, en door de navel voedsel ontvingen in de baarmoeder. Deze vergelijking hadden wij tevoren, Hoofdstuk 4:5.
6. De hals, die tevoren vergeleken werd bij Davids toren, Hoofdstuk 4:4, wordt hier vergeleken bij een elpenbenen toren, zo wit, zo kostbaar, zodanig is het geloof van de heiligen door hetwelk zij samengevoegd zijn met Christus, hun hoofd. De naam des Heeren is voor de heiligen een sterke, onneembare toren.
7. De ogen worden vergeleken bij de vijvers te Hesbon, of de kunstmatige vijvers bij d e poort, hetzij van Jeruzalem of van Hesbon die Bath-rabbim, de dochter van een menigte, genoemd wordt, omdat het een levendige, drukke straat was. Het verstand, de bedoelingen van een gelovige zijn rein en helder als deze vijvers. De ogen, wenende om de zonde, zijn als fonteinen, Jeremia 9:1, en Christus acht ze schoon.
8. De neus als de toren van Libanon, het voorhoofd, of het aangezicht, gesteld als een keisteen, Jesaja 50:7, onverschrokken, zoals die toren onneembaar was. Zo geeft het de heilige kloekmoedigheid te kennen van de kerk of, naar de mening van anderen, een geestelijke schranderheid om dingen te onderscheiden, die van elkaar verschillen, zoals dieren in de reuk een verwonderlijk onderscheidingsvermogen hebben. Deze toren ziet tegen Damascus, de hoofdstad van Syrië, de stoutmoedigheid aanduidende van de kerk in haar vijanden onder de ogen te zien en hen niet te vrezen.
9. Het hoofd als Karmel, een zeer hoge berg in de nabijheid van de zee, vers 5. Het hoofd van een gelovige is verhoogd boven zijn vijanden, Psalm 27:6, boven de stormen van de lagere luchtstreken, zoals de top van de Karmel dit was, hemelwaarts gericht. Hoe meer wij ons verheffen boven deze wereld, en hoe naderbij wij komen tot de hemel, en hoe meer gerust en kalm wij daardoor worden, hoe lieflijker wij zijn in de ogen van de Heer Jezus. 10. Van het haar van het hoofd wordt gezegd als purper te zijn, dit duidt de algemene beminnelijkheid aan van een gelovige in de ogen van Christus, tot zelfs het haar, of, zoals sommigen het opvatten, de spelden, waarmee het haar geschikt wordt. Sommigen verstaan onder het hoofd en het haar de bestuurders van de kerk, die, indien zij zorgzaam zijn in het vervullen van hun plicht, veel bijdragen tot haar schoonheid. Het hoofd als scharlaken zo lezen het sommigen en het haar als purper, de twee kleuren, die door aanzienlijke lieden gedragen worden.
II. Het behagen, dat Christus heeft in Zijn kerk, die aldus verfraaid en versierd is, zij is in waarheid schoon, indien zij het is in Zijn ogen, gelijk Hij haar de schoonheid bijzet, zo is het Zijn liefde, die deze schoonheid van wezenlijke waarde maakt, want Hij is er een onwraakbaar beoordelaar van.
1. Hij verlustigde er zich in op Zijn kerk te zien en met haar te spreken, zich verblijdende in dit bewoonbare deel van Zijn aarde, de koning is als gebonden op de galerijen, en kan ze niet verlaten. Dit wordt verklaard door Psalm 132:13 14. De Heer heeft Zion verkoren, zeggende, dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, en Psalm 147:11 :De Heer heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen. En indien Christus zo'n welgevallen heeft in de galerijen van gemeenschap met Zijn volk, veel meer reden hebben zij om er zich in te verlustigen en te achten, dat één dag daar beter is dan duizend elders.
2. Hij was zelfs getroffen van bewondering van de schoonheid van Zijn kerk, vers 6. Hoe schoon zijt gij, en hoe lieflijk zijt gij, o liefde. Hoe schoon zijt gij gemaakt zo luidt het oorspronkelijke. "Gij zijt niet aldus geboren maar zo gemaakt door de schoonheid, die Ik u heb gegeven". Heiligheid is een onuitsprekelijke schoonheid, de Heer Jezus heeft er een zeer groot welbehagen in, het uitwendige voorkomen ervan is schoon, de innerlijke gezindheid is lieflijk en hoogst aangenaam, en het welbehagen, dat Hij erin heeft, is onuitsprekelijk, o Mijn dierbaarste voor verlustiging zo lezen het sommigen.
3. Hij besloot gemeenschap te onderhouden met Zijn kerk.
A. Haar aan te grijpen als de takken van een palmboom. Hij vergeleek haar lengte, haar gestalte bij een palmboom, vers 7, zo recht, zo sterk, is haar voorkomen, als men haar in haar volle evenredigheid aanziet. Men heeft opgemerkt dat de palmboom het best groeit als hij belast is, en hoe meer de kerk verdrukt werd hoe meer zij zich vermenigvuldigde, en de takken van de palmboom zijn de emblema's van overwinning. "Christus zegt: Ik zal op de palmboom klimmen, om mij in de schaduw ervan te verlustigen, vers 8, en Ik zal zijn takken grijpen, en er de schoonheid van beschouwen." Wat Christus gezegd heeft zal Hij doen ten gunste van Zijn volk, wij kunnen er zeker van zijn dat Hij het doen zal, want Zijn vriendelijke voornemens en bedoelingen zullen nooit ter aarde vallen, en als Hij de takken grijpt van zijn kerk, haar takken vroeg aangrijpt, als zij nog jong en teer zijn, dan zal Hij ze nooit loslaten.
B. Om zich te verkwikken met zijn vruchten. Hij vergelijkt haar borsten (haar vrome neigingen tot Hem) bij druiventrossen, een zeer aangename vrucht, vers 7, en Hij herhaalt het, vers 8. Zij zullen wezen, zij zullen Mij wezen als druiventrossen van de wijnstok, die het hart verblijden. "Nu Ik op de palmboom klim, nu zullen uw genadegaven opgewekt worden en in beoefening komen." Christus' tegenwoordigheid onder Zijn volk ontsteekt het heilige, hemelse vuur in hun ziel en dan zullen hun borsten zijn als trossen van de wijnstok, een hartsterking voor henzelf en aangenaam aan Hem. En sedert God in de beginne in de neusgaten van de mens de adem des levens geblazen heeft, en hem nog de adem van het nieuwe leven inblaast, is de reuk van hun neus als appelen, of als sinaasappelen, die aangenaam en opwekkend is. De Heer rook de lieflijke reuk van Noachs offer, Genesis 8:21. En eindelijk, haar gehemelte is als goede wijn, vers 9, haar geestelijke smaak, of de woorden, die zij spreekt tot God en de mensen, die niet komen van de tanden, uitwendig, maar van het gehemelte, zijn welbehaaglijk aan God, het gebed des oprechten is Zijn verlustiging. En als zij, die de Heer vrezen met elkaar spreken, zoals hun betaamt, dan merkt de Heer er op, en hoort, hoort met welbehagen, Maleachi 3:16. Het is als de wijn, die
a. Zeer smakelijk is, die recht tot mijn beminde gaat, recht opgaat, Spreuken 23. 31. De genietingen van de zinnen schijnen recht toe aan de vleselijke lust, maar zij zijn dikwijls verkeerd, en, vergeleken met het genot van gemeenschapsoefening met God, zijn zij ruw en wrang. Voor een godvruchtige ziel is niets zo lieflijk en zo zoet als de wijn van Gods vertroostingen.
b. Het is een krachtige hartversterking. Christus' tegenwoordigheid door Zijn Geest bij Zijn volk zal opwekkend en verkwikkend voor hen zijn, zoals die krachtige wijn, die de lippen doet spreken, zelfs van hen, die slapen, die op het punt waren van in onmacht weg te zinken Onbekeerde zondaren zijn in slaap, heiligen zijn ook dikwijls slaperig en lusteloos en half in slaap, maar het woord en de Geest van Christus zullen leven en kracht brengen in de ziel, en uit de overvloed des harten, dat aldus vervuld is, zal de mond spreken. Toen de apostelen vervuld waren met de Geest, spraken zij in vreemde talen de grote werken Gods, Handelingen 2:10-12. En zij die in tegenstelling met dronken te zijn van wijn waarin overdaad is, vervuld zijn met de Geest, spreken onder elkaar in psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, Efeziers 5:18, 19. Als Christus aldus de lieflijkheid prijst van de liefde van Zijn bruid, opgewekt door de openbaring van de Zijne, dan schijnt zij als in een tussenzin dat woord te zeggen: tot mijn beminde. "Is er iets in mij, dat aangenaam, of van waarde is? Gelijk het van Hem is, zo is het ook voor mijn beminde." Hij verlustigt zich dan in onze goede neigingen en diensten, als zij allen voor Hem zijn, toegewijd zijn aan Zijn eer en heerlijkheid.