Hebreeën 13:18-25
Hier:
I. Beveelt de apostel zich zelven en zijn medegevangenen aan in de voorbeden van de gelovige Hebreeën, vers 18. Bidt voor ons, voor mij en voor Timotheus (die in vers 23 genoemd wordt) en voor allen, die met ons arbeiden in de bediening des Evangelies.
1. Dat is een deel van den plicht der gemeente jegens haar dienaren. Dienaren hebben behoefte aan de gebeden der gemeente, en hoe ernstiger de gemeente voor haar dienaren bidt, des te meer zegen mag zij verwachten en genieten van hun bediening. Zij moeten bidden dat God onderwijze degenen, die haar moeten onderwijzen, dat Hij hen ijverig, en werkzaam, en wijs en wel-slagend moge maken, dat Hij hen bijsta in al hun werk, hen drage in al hun laster, en hen sterke onder alle verzoekingen.
2. Er zijn goede redenen, waarom de gemeente voor hare dienaren bidden moet. Hij vermeldt er twee.
A. Wij vertrouwen dat wij een goed geweten hebben, vers 18. Velen van de Joden hadden slechte gedachten over Paulus omdat hij, zijnde een Hebreeër uit de Hebreeën, het juk van de levitische wet afgeworpen had en Christus predikte. Hier betuigt hij bescheiden zijn oprechtheid, Wij vertrouwen dat wij een goed geweten hebben, als die in alles willen eerlijk wandelen. Wij vertrouwen. Hij had kunnen zeggen: wij weten, maar hij gaf er de voorkeur aan op nederigen toon te spreken, en ons daardoor allen te leren dat wij niet te zeker van ons zelven moeten zijn, maar met godvrezenden naijver over ons eigen hart moeten waken. Wij vertrouwen dat wij een goed geweten hebben, een verlicht, een goed-onderricht geweten, een zuiver en rein geweten, een teder en getrouw geweten, een geweten dat voor ons en niet tegen ons getuigt, een goed geweten in alle dingen, in de geboden van de eerste en evenzo van de tweede tafel, jegens God en jegens de mensen, en boven alles in de zaken van onze bediening, wij willen in alles eerlijk en oprecht handelen.
a. Een goed geweten heeft eerbied voor al Gods geboden en voor alle plichten.
b. Zij, die een goed geweten hebben, hebben toch behoefte aan de gebeden van anderen.
c. Dienaren met tedere gewetens zijn openbare zegeningen, en verdienen de gebeden der gemeenten.
B. Een andere reden, waarom hij hun gebeden begeert, is dat hij hoopt daardoor te eerder aan hen wedergegeven te zullen worden, vers 19. Daaruit zien wij: dat hij vroeger bij hen geweest was, dat hij nu afwezig was, dat hij grote begeerte en het ernstige voornemen had om tot hen weer te keren, dat het beste middel om zijn terugkeer te vergemakkelijken en dien tot een barmhartigheid voor hem zowel als voor hen te maken, was daar een onderwerp van hun gebed van te maken. Wanneer dienaren tot hun gemeente terugkeren als een verhoring des gebeds, dan komen zij eerst met des te groter voldoening voor zich zelven en des te meer voordeel voor de gemeente. Wij moeten onze zegeningen door gebed verkrijgen. II. Hij zendt voor hen zijne gebeden tot God op, want hij was gewillig om voor hen te doen hetgeen hij begeerde, dat zij voor hem doen zouden. De God nu des vredes enz. vers 20. In deze uitnemende bede merken wij het volgende op.
1. Den naam, dien hij God geeft. De God des vredes, die een middel gevonden heeft voor vrede en verzoening tussen Hem en zondaren, en die den vrede op aarde, en vooral in Zijne gemeenten, liefheeft.
2. Het grote werk Hem toegeschreven. Hij heeft onzen Heere Jezus Christus uit de doden weder gebracht. Jezus stond op door Zijn eigen macht, maar evenzeer was de Vader daarin betrokken, die daardoor getuigenis gaf dat Zijne gerechtigheid voldaan en de wet vervuld was. Hij verrees voor onze rechtvaardigmaking, en dezelfde goddelijke macht, waardoor Hij verrees, is instaat alles voor ons te doen wat wij nodig hebben.
3. De namen aan onzen Christus gegeven: onzen Heere Jezus, onzen Heer, onzen Zaligmaker, en den groten Herder der schapen, beloofd in Jesaja 40:11, en die zich zelven verklaarden dat te zijn, Johannes 10:14, 15. Dienaren zijn onder-herders: Christus is de grote Herder. Dat toont Zijn belangstelling voor Zijn volk. Zij zijn de kudde Zijner weide, en Zijn zorg en werk zijn voor hen. Hij voedt hen, en leidt hen, en waakt over hen.
4. De weg en wijze, waardoor God is verzoend en Christus van de doden is verrezen.
Door het bloed des eeuwigen testaments. Het bloed van Christus voldeed aan de goddelijke gerechtigheid, en zo verwierf Christus vrijlating uit de gevangenis van het graf, want Hij had onze schuld betaald, overeenkomstig een eeuwig verbond, ene overeenkomst tussen den Vader en den Zoon, en dat bloed is de bevestiging en het zegel van een eeuwig verbond tussen God en zijn volk.
5. De barmhartigheid, om welke gebeden wordt. Die volmake u in alle goed werk enz., vers 21. Merk op:
A. De volmaking der heiligen in alle goed werk is het voornaamste, dat voor en door hen begeerd wordt, dat zij hier mogen verkrijgen volmaaktheid in oprechtheid, een helder verstand, een rein hart, levendige aandoeningen, een geregelden en vasten wil, en genoegzame sterkte voor alle goed werk, waartoe zij hier geroepen worden, en ten laatste een volmaking in trap om hen geschikt te maken voor het genieten van de gelukzaligheid des hemels.
B. Den weg, waarin God Zijn volk volmaakt maakt. Die is door altijd in hen te werken hetgeen aangenaam is in Zijne ogen, en dat door Jezus Christus, dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Merk hier op:
a. Er wordt niets goeds in ons gewrocht, of het is het werk Gods, Hij werkt in ons alvorens wij instaat zijn enig goed werk te verrichten.
b. Alle goede werk, dat God in ons werkt, werkt Hij door Jezus Christus, om zijnentwil en door Zijn Geest. c. Eeuwige heerlijkheid zijn wij daarom aan Hem verschuldigd, die de oorzaak is van alle goede beginselen, die in ons gewrocht, en van alle goede werken, die door ons gedaan worden. Hierop zegge ieder: Amen!
C. Hij verhaalt den Hebreeën van Timotheus' invrijheidstelling en zijn hoop hen binnen kort te zullen zien, vers 23. Het schijnt dat Timotheus gevangen is geweest, zonder twijfel ter wille van het Evangelie, maar nu vrijgelaten was. De gevangenzetting van getrouwe dienaren is een eer voor hen, en hun vrijlating is een oorzaak van blijdschap voor de gemeente. Hij verheugde zich in de verwachting van niet alleen Timotheus te zullen zien, maar met hem tot de Hebreeën te komen en hen te zien. Getrouwe dienaren van Christus hebben zeer gaarne de gelegenheid om aan de gemeenten te schrijven, en doen dat met groot genoegen.
D. Na hun aandacht gevraagd te hebben voor den inhoud van zijn brief, vers 22, besluit hij met groeten en een plechtige, ofschoon korte zegenbede.
1. De groet:
A. Van hem zelven aan hen, gericht aan al de dienaren, die hen regeerden, en aan al de heiligen, aan allen, dienaren en gemeente.
B. Van de Christenen in Italië aan hen. Het is goed wanneer de wet der liefde in onze harten geschreven is, de wet van heilige liefde en vriendelijkheid voor al de Christenen. De godsdienst leert de mensen de beste beschaving en welgemanierdheid. Hij is geen bittere en onbescheiden zaak.
2. De plechtige, maar korte zegenbede, vers 25. De genade zij met u allen, Amen. De gunst Gods zij met u en Zijne genade werke voortdurend in u en met u, om vruchten van heiligheid voort te brengen als eerstelingen der heerlijkheid. Wanneer Gods volk door woord of schrift met elkaar gemeenschap gehad heeft, is het goed te scheiden met gebed voor elkaar, om de voortduring van de genadige tegenwoordigheid Gods, opdat zij elkaar eens weer mogen ontmoeten in de wereld der heerlijkheid.