Handelingen 7:54-60
Wij hebben hier den dood van den eersten martelaar der Christelijke kerk, en het verhaal er van biedt een treffend voorbeeld van de gewelddadigheid en woede der vervolgers (zoals wij verwachten kunnen ze te ondervinden, indien wij geroepen worden om voor Christus te lijden,) en van de kloekmoedigheid en vertroosting der vervolgden, die daartoe geroepen werden. Hier zijn de hel met haar vuur en hare duisternis, en de hemel met zijn licht en zijn' glans, in scherp contrast elkaar tegenovergesteld. Er wordt hier niet gezegd, dat de stemmen der raadsleden werden opgenomen voor deze zaak, en dat hij, door de meerderheid schuldig bevonden zijnde, veroordeeld werd om, overeenkomstig de wet, als een Godslasteraar gestenigd te worden. Waarschijnlijk was dit echter zo, en is hij niet door de gewelddadigheid des volks zonder een bevel van den raad ter dood gebracht, want hier is de gewone plechtigheid ener regelmatige terdoodbrenging-hij werd ter stad uitgeworpen en de hand der getuigen was het eerst tegen hem. Laat ons letten op de verwonderlijke ontsteltenis van geest in zijne vijanden en vervolgers, en de verwonderlijke kalmte van gemoed van den martelaar.
I. Zie de kracht van het bederf in de vervolgers van Stefanus, het is de boosheid in volkomenheid, de hel zelf is ontketend, mensen worden gevleesde duivelen, en het zaad der slang spuwt haar venijn uit.
1. Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten, vers 54, dieprionto, hetzelfde woord, dat gebruikt is in Hebr. 11:37, en dáár vertaald is door in stukken gezaagd. Zij waren in hun geest en gemoed even schrikkelijk gefolterd, als ooit martelaars in hun lichaam gefolterd zijn. Zij waren vol van toorn wegens de onweerlegbare argumenten, die Stefanus had gebruikt ter hunner overtuiging, en waartegen zij niets wisten in te brengen. Zij waren niet verslagen in het hart van droefheid, zoals zij, van wie wij in Hoofdstuk 2:37 hebben gelezen, neen hun barstte het hart van toorn en spijt, zoals toen zij hetzelfde gevoelden tegen de apostelen, Hoofdstuk 5:33. Stefanus heeft hen scherpelijk bestraft, zoals Paulus het uitdrukt, Titus 1:13 apotomoos -snijdend, want zij waren door de bestraffing in het hart gesneden. Verwerpers en tegenstanders van het Evangelie zijn in waarheid pijnigers van zich zelven. Vijandschap tegen God is iets, dat in het hart snijdt, geloof en liefde genezen het hart. Toen zij hoorden, hoe hij, die voor hij zijne rede begon, er uit zag als een engel, als een engel sprak, als een boodschapper van den hemel, eer hij haar ten einde had gebracht, waren zij als een wilde os in het net, vol van de grimmigheid des Heeren, Jesaja 51:20, er aan wanhopende ene zaak omver te werpen, die zo kloekmoedig werd verdedigd, en toch vast besloten zijnde, er zich niet door te laten overtuigen.
2. Zij knersten de tanden tegen hem, dit toont hun grote boosaardigheid en woede tegen hem. Job klaagde, dat zijn vijand over hem knerst met zijne tanden, Job 16:9. Dáár betekende dit: Och! of wij van zijn vlees hadden! Job 31:31. Zij gromden tegen hem, als honden, tegen wie zij verwoed zijn, daarom zegt Paulus, als hij waarschuwt tegen hen, die van de besnijdenis zijn: Ziet op -dat is: wacht u voor-de honden, Filippenzen 3:2. Vijandschap tegen de heiligen verkeert de mensen in wilde dieren. Het toonde ook grote ergernis in hen zelven. Het was hun ene kwelling te zien, hoe hij blijkbaar ondersteund werd door Gods kracht en tegenwoordigheid, dat stak hen in het hart. De goddeloze zal het zien en hij zal zich vertoornen, Psalm 112:10. Knersen met de tanden is ene uitdrukking, die dikwijls gebruikt wordt om het afgrijzen en de kwelling der verdoemden aan te duiden. Zij, die de boosaardigheid der hel hebben, moeten wel iets van de pijn der hel gevoelen. 3. Zij riepen met ene grote stem, vers 57, om elkaar te prikkelen en hun hartstochten gaande te maken, en aldus ook de stem van hun geweten te smoren. Toen hij zei: Ik zie de hemelen geopend, riepen zij met ene grote stem, opdat zijn spreken niet gehoord zou worden. Het is iets gans gewoons, dat men door geschreeuw en getier ene rechtvaardige zaak, inzonderheid de rechtvaardige zaak van Christus' Godsdienst, poogt te vernietigen. Wat er aan rede en billijkheid ontbreekt, wordt vergoed door gedruis en tumult, en het geroep degene, die over de zotten heerst, maar de woorden der wijzen worden in stilheid aangehoord. Zij riepen met ene grote stem, als krijgslieden, die zich in het gevecht begeven, ten einde aldus zich op te wekken tot kracht en moed voor den wanhopigen strijd.
4. Zij stopten hun oren, ten einde hun eigen geraas niet te horen, of misschien onder voorgeven van zijne lasteringen niet te kunnen aanhoren. Gelijk Kajafas zijne klederen scheurde, toen Christus zei: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels, Mattheus 26:64, 65, zo hebben dezen hier hun oren gestopt, toen Stefanus zei: Ik zie den Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods, beiden voorwendende, dat hetgeen gesproken werd, niet met geduld aangehoord kon worden. Dit stoppen van hun oren was:
A. Een duidelijk teken van hun moedwillige halsstarrigheid, zij waren besloten niet te willen horen wat de strekking had hen te overtuigen, en dat was het waarover de profeten zo dikwijls hebben geklaagd, zij waren als ene dove adder, die hare oren toestopt, opdat zij niet hore naar de stem der belezers, Psalm 58:5, 6. B. Het was een noodlottig teken van die gerechtelijke verharding, waaraan God hen zal overgeven. Zij stopten hun oren, en toen heeft God door een rechtvaardig oordeel hun de oren gestopt. Dat was het werk, hetwelk toen geschiedde aan de ongelovige Joden: Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, dit beantwoordde aan Stefanus' beschrijving van hun karakter: Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren.
5. Zij vielen eendrachtelijk op hem aan, het volk en de ouderlingen des volks, de rechters, de beschuldigers, de getuigen en de toeschouwers, allen vielen hem aan als roofdieren hun prooi. Zie hoe heftig en gewelddadig zij waren, en in welk een woedenden haast, zij vielen op hem aan, hoewel er geen gevaar was, dat hij hun zou ontlopen, en zie hoe eendrachtig zij waren in dit boze: zij vielen eendrachtelijk op hem aan, als met een man, hopende hem hierdoor te verschrikken en in verwarring te brengen, hem zijne kalmte en gemoedsrust benijdende, die hem op zo wonderbare wijze bijbleef te midden van al dat gedruis, terwijl zij alles deden wat zij konden om zijne gemoedsrust te storen.
6. Zij wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem, alsof hij niet waardig was om in Jeruzalem te leven, ja niet waardig was om in deze wereld te leven, voorwendende hierin de wet van Mozes uit te voeren, Leviticus 24:16 :Die den naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden, de ganse vergadering zal hem zeker stenigen. En aldus hebben zij Christus ter dood gebracht, toen dit zelfde hof Hem schuldig had verklaard aan Godslastering, behalve dat zij, om Hem des te meer smaadheid aan te doen, begeerden, dat Hij gekruisigd zou worden, en God dit alzo bestuurd had, opdat de Schrift zou vervuld worden. De woede, waarmee zij hem ter dood brachten, toont zich in hun uitwerpen van hem uit de stad, alsof zij het niet konden verdragen hem langer te zien, zij behandelden hem als een anathema, als een uitvaagsel der wereld. De getuigen tegen hem waren hier de leiders bij de terdoodbrenging, overeenkomstig de wet in Deuteronomium 17:7, de hand der getuigen zal het eerst tegen hem zijn om hem te doden, inzonderheid in een geval van Godslastering, Leviticus 14:14, Deuteronomium 13:9. Op die wijze moesten zij hun getuigenis bevestigen. Daar nu het stenigen van een' mens een zwaar werk was, ontdeden de getuigen zich van hun bovenklederen, opdat die er hun niet bij in den weg zouden zijn, en zij legden hun klederen af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus, die dit treurige toneel met genoegen aanschouwde. Het is voor het eerst, dat wij gewag vinden gemaakt van zijn naam, wij zullen hem kennen en meer liefhebben, als wij hem in Paulus veranderd zullen zien, en als hij zelf van een vervolger in een prediker veranderd zal wezen. Dit kleine voorval met betrekking tot zijne medewerking in het terdoodbrengen van Stefanus heeft hij later met berouw en leedwezen herdacht, Hoofdstuk 22:20. Ik heb de klederen bewaard dergenen, die hem doodden.
II. Zie de kracht der genade in Stefanus, en op hoe wondervolle wijze Gods gunst in hem werkte. Gelijk Zijne vervolgers vol waren van Satan, zo was hij vol van den Heiligen Geest, meer vol dan gewoonlijk, met verse olie overgoten voor den strijd, opdat zijne kracht zou zijn als zijne dagen. Daarom zijn zij zalig, die vervolgd worden om der gerechtigheid wil, de Geest der heerlijkheid en de Geest van God rust op hen, 1 Petrus 4:14. Toen hij verkozen werd tot den openbaren dienst, werd hij beschreven als een man vol des Heiligen Geestes, Hoofdstuk 6:5, en nu hij tot het martelaarschap wordt geroepen, heeft hij nog diezelfde hoedanigheid. Zij, die vol zijn van den Heiligen Geest, zijn tot alles in staat, hetzij om voor Christus te doen, of voor Hem te lijden. En zij, die door God tot zwaren, harden dienst voor Zijn naam worden geroepen, zullen door Hem tot dien dienst bekwaam worden gemaakt, en er op liefelijke wijze in door geholpen worden, daar Hij hen vervult met den Heiligen Geest, opdat, gelijk hun liefde voor Christus overvloedig is, ook hun vertroosting in Hem overvloedig moge wezen, en dan zullen zij op geen ding acht geven. Nu hebben wij hier in dit hachelijk ogenblik ene merkwaardige gemeenschap tussen dezen gezegenden martelaar en den gezegenden Jezus. Als de volgelingen van Christus om Zijnentwil den gansen dag gedood worden, en geacht zijn als schapen ter slachting, zal dit hen dan scheiden van de liefde van Christus? Heeft Hij er hen minder om lief? Geenszins, en dit blijkt ook in deze geschiedenis, waarin wij kunnen opmerken:
1. Hoe Christus zich liefelijk en genadig aan Stefanus openbaart, zowel ter zijner vertroosting als ter zijner ere te midden van zijn lijden. Toen hun het hart berstte, toen zij tegen hem knersten op de tanden, gereed om hem te verslinden, toen had hij een gezicht op de heerlijkheid van Christus, dat genoeg was, om hem met ene onuitsprekelijke blijdschap te vervullen, hetgeen bestemd en bedoeld was niet alleen ter zijner bemoediging, maar ter ondersteuning en vertroosting van alle Gods lijdende dienstknechten in alle tijden. Hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, hield de ogen naar den hemel, vers 55.
A. Aldus richtte hij zijne blikken boven de macht en de woede zijner vervolgers, en heeft hij hen, als het ware, gelijk de dochter van Zion, veracht en bespot, Jesaja 37:22. Zij hielden hun ogen op hem gericht, maar hij zag op naar den hemel, en sloeg geen acht op hen, hij hield zich zo bezig met het eeuwige leven, dat hij nu in het gezicht kreeg, dat hij hoegenaamd gene belangstelling meer gevoelde voor het natuurlijke leven, dat nu op het spel stond. In plaats van om zich heen te zien, ten einde te ontdekken van welken kant het gevaar dreigde, of waarheen hij zou kunnen ontkomen, ziet hij op naar den hemel, van dáár alleen komt zijne hulp, en derwaarts is zijn weg nog open, hoewel zij hem van alle kanten omringen, kunnen zij zijne gemeenschap met den hemel toch niet storen of verbreken. Een gelovig opzien tot God en de wereld hier Boven, zal ons van groot nut wezen, om ons te verheffen boven de vrees voor den mens, want in zoverre wij onder den invloed zijn van die vreze, vergeten wij den Heere, die ons gemaakt heeft, Jesaja 51:13. B. Aldus verwees hij zijn lijden naar de heerlijkheid Gods, naar de ere van Christus, beriep hij er zich, als het ware, van, op den hemel: Heere, om Uwentwil lijd ik dit, en drukt hij zijne vaste verwachting uit, dat Christus in zijn lichaam verheerlijkt zal worden. Nu hij gereed is, om opgeofferd te worden, houdt hij zijne ogen op den hemel, als iemand, die gewillig is opgeofferd te worden.
C. Aldus hief hij, met zijne ogen, ook zijne ziel op tot God in den hemel, in vrome verzuchtingen, God aanroepende om wijsheid en genade, om op de rechte wijze door deze beproeving heen te komen. God heeft beloofd met Zijne dienstknechten te zijn, die Hij roept om voor Hem te lijden, maar hierom wil Hij verzocht worden. Hij is nabij hen, maar het is voor hetgeen, waarvoor zij Hem aanroepen. Is iemand in lijden? dat hij bidde.
D. Aldus haakte hij naar het hemelse land, waarheen hij zag, dat zijne vervolgers hem zo aanstonds zenden zullen. Het is voor stervende heiligen goed, om de ogen op den hemel gericht te houden: "Daar ginds is de plaats, waar de dood mijn beter deel heen zal voeren, en dan-o dood, waar is uw prikkel!"
E. Aldus heeft hij doen blijken, dat hij vol was van den Heiligen Geest, want, waar de Geest der genade woont, en werkt, en heerst, daar richt Hij het oog der ziel naar Boven. Zij, die vol zijn van den Heiligen Geest, zullen hun ogen gericht houden op den hemel, want dáár is hun hart.
F. Aldus heeft hij de houding aangenomen om de volgende openbaring der Goddelijke heerlijkheid en genade te ontvangen. Als wij hopen van den hemel te horen, dan moeten wij onze ogen op den hemel houden gericht. Hij zag de heerlijkheid Gods, vers 55, want hij zag -om dit te kunnen-de hemelen geopend, vers 56. Sommigen denken, dat zijne ogen door ene bovennatuurlijke kracht versterkt waren, ver boven het natuurlijk gezichtsvermogen, zodat hij, hoewel op zo groten afstand, in den derden hemel kon zien, zoals Mozes' gezichtsvermogen versterkt was, om geheel het land Kanaän te kunnen zien. Anderen denken, dat hem ene voorstelling van de heerlijkheid Gods voor ogen was gegeven, zoals aan Jesaja en Ezechiël, de hemel was, als het ware, tot hem neergekomen, zoals in Openbaring 21:2. De hemelen waren geopend, om hem een blik te geven op de gelukzaligheid, waartoe hij inging, opdat hij, in het vooruitzicht daarvan, blijmoedig door den dood heen zou gaan. Indien wij door het geloof opwaarts wilden zien, wij zouden door het middelaarschap van Jezus Christus de hemelen zien geopend, de voorhang gescheurd zijnde, en een versen en levenden weg voor ons zien geopend naar het heiligdom. De hemel is geopend om ene gemeenschap daar te stellen tussen God en den mens, opdat Zijne gunsten en zegeningen tot ons neerkomen, en onze gebeden en lofzeggingen opgaan tot Hem. Ook wij kunnen de heerlijkheid Gods zien, in zo verre Hij haar geopenbaard heeft in Zijn woord, en het gezicht hierop zal ons door al de verschrikkingen en al het lijden des doods heen helpen.
Hij zag Jezus staande ter rechterhand Gods, vers 55, in vers 56 is het den Zoon des mensen. Jezus, de Zoon des mensen zijnde, en onze natuur met zich naar den hemel hebbende genomen, en aldaar bekleed zijnde met een lichaam, kan Hij met lichamelijke ogen worden gezien, en zo heeft Stefanus Hem dan ook gezien. Als de Oud-Testamentische profeten de heerlijkheid Gods zagen, was zij vergezeld van engelen. De Shechina, of Goddelijke tegenwoordigheid in het visioen van Jesaja was vergezeld van Serafs, in het visioen van Ezechiël van Cherubs. Beiden betekenen de engelen, de dienaren van Gods voorzienigheid. Maar hier wordt gene melding gemaakt van engelen, hoewel zij den troon en het Lam omringen. In plaats van hen ziet Stefanus Jezus aan de rechterhand Gods, den groten Middelaar van Gods genade, van wie Gode meer heerlijkheid toegebracht wordt, dan van al den dienst der heilige engelen, De heerlijkheid Gods schittert het helderst in het aangezicht van Jezus Christus, want dáár schittert de heerlijkheid Zijner genade, die het doorluchtigst voorbeeld is van Zijne heerlijkheid. God verschijnt heerlijker met Jezus, staande aan Zijne rechterhand, dan met millioenen van engelen om Hem henen. Nu is hier een bewijs van de verhoging van Christus aan de rechterhand des Vaders, de apostelen zagen Hem opvaren, maar zij hebben Hem niet gezien, neerzittende, ene wolk nam Hem weg van hun ogen. Ons wordt gezegd, dat Hij neerzat aan Gods rechterhand, maar is Hij daar ooit gezien? Ja, Stefanus heeft Hem daar gezien, en dat gezicht heeft hem ten volle voldaan. Hij zag Jezus aan de rechterhand Gods, hij zag Zijne uitnemende majesteit en Zijne soevereine heerschappij, Zijne onbetwistbare macht, en Zijne algemene werking. Al wat Gods rechterhand ons geeft, of van ons ontvangt, of ons betreffende doet, is door Hem, want Hij is Zijne Rechterhand. Gewoonlijk wordt Hij gezegd daar te zitten, maar Stefanus ziet Hem daar staande, als meer dan gewone belangstelling koesterende in Zijn lijdenden dienstknecht. Hij stond op als een Rechter, om zijne zaak te bepleiten tegen zijne vervolgers, Hij is ontwaakt uit Zijne heilige woning, Zacheria 2:13, Hij gaat uit uit Zijne plaats om te straffen, Jesaja 26:21. 1) Hij staat gereed om hem te ontvangen en te kronen, en hem intussen het vooruitzicht te geven op de vreugde, die hem is voorgesteld. Dit was bedoeld om Stefanus te bemoedigen, hij ziet, dat Christus voor hem is, en dus doet het er niet toe wie tegen hem is. Toen onze Heere Jezus in doodsbenauwdheid was, verscheen Hem een engel om Hem te versterken, maar aan Stefanus verschijnt Christus zelf. Niets is voor stervende heiligen zo troostrijk, en niets voor lijdende heiligen zo opwekkend en bezielend, als Jezus te zien aan Gods rechterhand, en, geloofd zij God! door het geloof kunnen wij er Hem zien. Hij deelde aan de hem omringenden mede wat hij zag, vers 56, Zie, ik zie de hemelen geopend. Wat voor hem ene hartsterking was, had hen behoren te overtuigen van zijne Godsvrucht en hun eigen onrecht, had hun ene waarschuwing moeten wezen om er zich voor te wachten van iemand te vervolgen, dien de hemel goedkeurend aanzag, daarom heeft hij hun wat hij zag, aangezegd, laten zij er nu het gebruik van maken, dat hun goeddunkt. Worden sommigen er door verbitterd, op anderen kan het een invloed hebben, die hen doet nadenken over dezen Jezus, dien zij hebben vervolgd, en hen er toe brengen, om in Hem te geloven.
2. Zijn Godvruchtig gebed tot Jezus Christus. Dat hem de heerlijkheid Gods was geopenbaard heeft hem er niet boven verheven om te bidden, maar er hem veeleer toe opgewekt, zij stenigden Stefanus, God aanroepende, vers 59 1). Ofschoon hij God aanriep, en hiermede toonde waarlijk een Israëliet te zijn, stenigden zij hem niettemin, niet bedenkende, dat het gevaarlijk is te strijden tegen hen, die invloed hebben in den hemel. Hoewel zij hem stenigden, riep hij toch God aan, ja juist daarom riep hij Hem aan. Het is de troost van hen, die onrechtvaardiglijk gehaat en vervolgd worden door de mensen, dat zij een God hebben, tot wie zij gaan kunnen, een algenoegzamen God, dien zij kunnen aanroepen. De mensen stoppen hun oren, zoals dezen hier gedaan hebben, vers 57, maar dat doet God niet. Stefanus was nu uitgeworpen uit de stad, naar hij was niet uitgeworpen van zijn God. Hij nam nu afscheid van de wereld, en roept daarom God aan, want dat moeten wij doen zo lang als wij leven. Het is goed biddend te sterven, dan hebben wij hulp nodig-kracht die wij nooit gehad hebben, om een werk te doen, dat wij nog nooit gedaan hebben, en hoe zullen wij aan díe hulp en deze kracht komen anders dan door het gebed? Het zijn twee korte gebeden, die Stefanus in het ogenblik van sterven tot God heeft opgezonden. Een gebed voor zich zelven: Heere Jezus, ontvang mijn geest. Zo heeft Christus Zijn' geest overgegeven in de handen des Vaders. Hier wordt ons geleerd onzen geest over te geven in de handen van Christus, als Middelaar, om door Hem den Vader aanbevolen te worden. Stefanus zag Jezus, staande aan de rechterhand des Vaders, en aldus roept hij Hem aan: "Gezegende Jezus, doe thans datgene voor mij wat Gij voor al de Uwen doet, ontvang mijn scheidenden geest in Uwe handen". De ziel is de mens, en in leven en sterven moet onze ziel onze grote zorge zijn, het belang, dat wij boven alles moeten behartigen. Het lichaam van Stefanus stond nu ellendig verbroken en verpletterd te worden door de stenen, die op hem geworpen werden, het aardse huis dezes tabernakels werd met geweld ter neergeworpen, maar-hoe het daarmee nu ook moge gaan-"Heere" zegt hij, "laat het wèl mogen zijn met mijne ziel". Zo behoort het, zo lang als wij leven, onze zorge te zijn, dat hoe ook het lichaam verhongerd en naakt uitgetogen moge zijn, onze ziel gevoed en bekleed moge wezen, dat, al ligt het lichaam ook in pijn ter neer, de ziel rust en vrede moge hebben, en dat, als wij sterven, het lichaam wel als een veracht en gebroken vat, waar men geen lust toe heeft, weggeworpen kan worden, maar de ziel als een vat ter ere voorgesteld zal worden, en dat, al bezwijkt ook het vlees, God toch de sterkte onzes harten en ons deel zal wezen. Onze Heere Jezus is God, naar wie wij moeten streven, en in wie wij in leven en sterven moeten betrouwen en onze vertroosting moeten vinden. Stefanus bidt hier tot Christus, en dat moeten ook wij, want het is de wil van God, dat allen aldus den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren. Wij moeten ons bevelen aan Christus, die alleen machtig is het pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag. Het is noodzakelijk dat wij, als wij komen te sterven, het oog hebben op Christus, want wij kunnen ons niet anders dan onder Zijne leiding en hoede in ene andere wereld wagen, er is in de stervensuur gene levende vertroosting, dan die van Hem komt. Dat Christus onze geest zal ontvangen bij den dood is de grote zaak, waarmee wij ons bezig hebben te houden, en die ons tot troost is. Daarover behoren wij in zorge te zijn terwijl wij leven, dat Christus onzen geest zal ontvangen als wij sterven, want als Hij hem verwerpt en verloochent, waar zal hij dan heengaan? Hoe kan hij er aan ontkomen den briesenden leeuw ten prooi te worden? Daarom moeten wij onzen geest dagelijks Hem bevelen, om door Hem geregeerd en geheiligd te worden, en geschikt gemaakt voor den hemel, en dan, maar anders ook niet, zal Hij hem ontvangen. En indien dit onze zorge zal geweest zijn terwijl wij leven, dan kan het ons tot troost zijn bij ons sterven, dat wij in de eeuwige woningen ontvangen zullen worden. Een gebed voor Zijne vervolgers, vers 60. De omstandigheden van dit gebed zijn opmerkelijk, want het schijnt met meer plechtigheid opgezonden te zijn dan het vorige. Ten eerste. Hij viel op de knieën, hetgeen ene uitdrukking is van ootmoed in het gebed. Ten tweede. Hij riep met grote stem, hetgeen Zijne vurigheid en aandrang te kennen gaf. Maar waarom zou hij dit gebed met nog meer aandrang en ootmoed opzenden dan het eerste? Het antwoord luidt: Niemand kon er aan twijfelen, dat hij voor zich zelven met ernst en dringend heeft gebeden, en daarom was het niet nodig om dit door uiterlijke tekenen aan te duiden, maar in zijn gebed voor zijne vijanden was het, omdat dit zo strijdig is met de verdorvene natuur, een vereiste, om bewijzen te geven, dat hij het werkelijk meende. Het gebed zelf: Heere, reken hun deze zonde niet toe, waarmee hij het voorbeeld volgde van zijn stervenden Meester, die voor Zijne vervolgers gebeden heeft: Vader, vergeef het hun, en een voorbeeld heeft gesteld voor al de volgende lijders in de zaak van Christus, om aldus te bidden voor degenen, die hen vervolgen. Het gebed kan ene prediking wezen, dit was het tot hen, die Stefanus stenigden, en daarom knielde hij neer, opdat zij zouden bemerken, dat hij ging bidden, en riep hij met grote stem, opdat zij zouden letten op hetgeen hij zei, en er uit zouden leren. Ten eerste, dat hetgeen zij deden ene zonde, ene grote zonde, was, die, indien de Goddelijke barmhartigheid en genade het niet voorkwam, hun toegerekend zou worden tot hun eeuwige beschaming. Ten tweede. Dat hij, in weerwil van hun woede en boosaardigheid tegen hem, in den geest der liefde was jegens hen, en dat hij, wel verre van te begeren, dat God Zijn dood aan hen zou wreken, God van harte heeft gebeden, hun dien in geen enkel opzicht toe te rekenen. Het zal ene treurige afrekening voor hen wezen, indien zij er geen berouw van hebben, en er zich van bekeren, en voorzeker zal hij hun toegerekend worden, maar wat hem betrof, hij verlangde niet naar dien dag van wee en toorn. Laten zij hier nota van nemen, en als zij met meer kalmte kunnen nadenken, dan, gewis, zullen zij het zich zelven niet licht vergeven hem ter dood te hebben gebracht, die hun zo gemakkelijk vergeving heeft geschonken. Bloedgierige lieden haten den vrome, maar de oprechten zoeken zijne ziel, Spreuken 29:10.
Ten derde. Dat, hoewel de zonde zeer gruwelijk was, zij toch niet moeten wanhopen aan vergeving, indien zij er berouw van hebben. Indien zij dit ter harte willen nemen, zal God het hun niet toerekenen. "Denkt gij", zegt Augustinus, "dat Paulus Stefanus dit heeft horen bidden? Waarschijnlijk wel, en waarschijnlijk heeft hij er toen mede gespot, maar later heeft hij er het voordeel van gehad, en is er te meer wel om gevaren."
3. Zijn sterven met deze woorden op de lippen: Als hij dat gezegd had, ontsliep hij, of, terwijl hij dit zei, kwam de steenworp, die dodelijk voor hem was. Voor Godvruchtige mensen is de dood slechts een slaap, niet de slaap der ziel (Stefanus had haar in Christus' hand overgegeven,) maar de slaap des lichaams, het is deszelfs rust van alle smart en moeite, het is ene volkomene verlichting een algeheel uitrusten. Stefanus is in zo groten haast en gejaagdheid gestorven als ooit iemand in haast gestorven is, en toch is hij, toen hij stierf, ontslapen, hij heeft zich met evenveel kalmte van gemoed tot zijn stervenswerk gezet, alsof hij ging slapen, het was slechts de ogen sluiten en sterven. Let er op, dat hij ontsliep, toen hij bad voor zijne vervolgers, dit wordt zo uitgedrukt, alsof hij dacht niet in vrede te kunnen sterven, voor hij dit gedaan had. Het zal zeer veel bijdragen tot ons gemakkelijk sterven, als wij vrede hebben met alle mensen, dan worden wij door Christus bevonden in vrede te zijn, laat onze levenszon niet ondergaan over onzen toorn. Hij ontsliep, in den Heere, zoals de Vulgata hier bijvoegt, in de omhelzingen Zijner liefde. Indien hij aldus slaapt, zal hij welvaren, want in den morgen der opstanding zal hij ontwaken.