Exodus 6:13-29
Wij hebben hier een geslachtslijst, geen oneindige, zoals die, welke door de apostel veroordeeld worden, 1 Timotheus 1:4, want zij eindigt in de twee grote patriotten, Mozes en Aäron, en is hier gegeven om aan te tonen, dat zij Israëlieten waren been van het been en vlees van het vlees van hen, die zij gezonden waren om te verlossen, hun verwekt uit hun broeders, zoals ook Christus dit wezen zal, die de Profeet en Priester, de Verlosser en Wetgever zal zijn van het volk Israël, en wiens geslachtslijst ook, evenals deze, zorgvuldig bewaard is gebleven. De hoofden van de huizen van drie van de stammen worden hier genoemd, overeenkomende met het bericht, dat wij hadden in Genesis 46. Dr. Lightfoot is van mening, dat Ruben Simeon en Levi hier aldus geëerd worden, omdat deze door hun stervende vader als onder een merk van eerloosheid werden gelaten, Ruben om de bloedschande, die hij had bedreven, en Simeon en Levi om hun moord op de Sichemieten, en nu wilde Mozes hun een bijzondere eer aandoen, ten einde Gods genade te verheerlijken in hun berouw en de vergeving, die hun geschonken werd, als een voorbeeld voor hen, die daarna zouden geloven. De eerste twee schijnen echter veeleer vermeld te worden ter wille van de derde namelijk Levi van wie Mozes en Aäron afstamden, en al de priesters van de Joodse kerk. Aldus werd de stam van Levi reeds vroeg onderscheiden.
Merk hier op:
1. Dat Kehath, van wie Mozes en Aäron en alle hogepriesters afstammen, een jongere zoon was van Levi, vers 15. Gods gunsten worden niet altijd geschonken naar rang van ouderdom, de Goddelijke vrijmacht geeft dikwijls aan de jongere de voorkeur boven de oudere.
2. Dat de leeftijd van Levi, Kehath en Amram de vader, de grootvader en de overgrootvader van Mozes, hier vermeld worden, die allen tot een hoge ouderdom zijn gekomen, Levi werd honderd zeven en dertig, Kehath honderd drie en dertig en Amram honderd zeven en dertig jaren. Mozes zelf bleef in leeftijd ver bij hen achter, en noemde zeventig of tachtig jaar de gewone leeftijd van de mensen, Psalm 90:10, want, nu Gods Israël was vermenigvuldigd en tot een groot volk was geworden, en de Goddelijke openbaring door de hand van Mozes op schrift was gesteld en niet langer toevertrouwd aan overlevering, hebben de twee grote redenen voor het lange leven van de patriarchen opgehouden te bestaan, en daarom worden de mensen voortaan mindere levensjaren toebedeeld.
3. Dat Aäron Eliseba (dezelfde naam als die van de vrouw van Zacharias, Elisabeth, zoals Miriam dezelfde naam is als Maria) huwde, de dochter van Amminadab, een van de hoofden van de vaderen van de stam van Juda, want huwelijken van personen uit de stammen van Levi en Juda zijn dikwijls voorgekomen, vers 22.
4. Het moet niet voorbijgezien worden, dat Mozes het huwelijk heeft vermeld van zijn vader Amram met Jochebed, zijn eigen tante, vers 19, en uit Numeri 26:59 blijkt dat zij de zuster was van zijn vader zijn halve zuster tenminste. Zulk een huwelijk werd later verboden, als zijnde bloedschennis, Leviticus 18:12 wat dus als een vlek op zijn stamboom beschouwd kan worden, al heeft dat huwelijk ook plaatsgehad voordat deze wet werd gegeven, maar Mozes verbergt het niet, want hij heeft zijn eigen lof of roem niet gezocht, maar schreef met een oprechte liefde voor de waarheid, of die waarheid gunstig of ongunstig voor hem was. 5. Hij besluit met een bijzonder teken van eer voor de personen, van wie hij schreef, ofschoon hij zelf een van hen was, vers 25, 26. "Dit is Aäron en Mozes," die door God verkoren werden om Zijn gevolmachtigden te zijn bij deze onderhandeling. Dezen waren het, tot wie God heeft gesproken, vers 25, "en die tot Farao, de koning van Egypte spraken" ten behoeve van Israël, vers 26. Gemeenschapsoefening met God en dienen van de kerk zijn dingen, die meer dan iets anders waren eer bijzetten aan de mensen. Diegenen zijn waarlijk groot, met wie God omgang heeft en die Hij gebruikt in Zijn dienst. Zodanigen waren Mozes en Aäron en, iets van deze eer hebben alle heiligen, die door God tot koningen en priesters zijn gemaakt.
Aan het einde van het hoofdstuk keert hij terug tot zijn verhaal, dat hier enigszins plotseling door hem onderbroken werd, vers 13, en hij herhaalt:
a. De opdracht, die God hem gaf om aan Farao zijn boodschap over te leveren, vers 28. "Spreek," als een getrouw gezant, alles wat Ik tot u spreek. Zij, die op Gods boodschap uit zijn, moeten niet nalaten de hele raad van God te verkondigen.
b. Zijn tegenwerping, vers 29. Zij, die eens zonder na te denken hebben gesproken, behoren dit dikwijls met berouw en verdriet te herdenken zoals Mozes dit hier schijnt te doen.