Handelingen 7:1-15
Stefanus staat nu voor de vierschaar van den groten raad der natie, beschuldigd van Godslastering. Wat de getuigen onder ede tegen hem verklaarden hebben wij in het vorige hoofdstuk gezien, nl. dat hij lasterlijke woorden sprak tegen Mozes en God, want hij sprak tegen deze heilige plaats en tegen de wet. Hier nu
I. Roept de hogepriester hem op om zich te verantwoorden, vers 1. Hij was de voorzitter en als zodanig, de mond van het hof, en zo zegt hij nu: "Gij gevangene voor de balie, gij hoort wat onder ede tegen u ingebracht wordt, wat hebt gij hierop te zeggen? Zijn dan deze dingen alzo? Hebt gij ooit zodanige woorden gesproken? Zo ja, wilt gij ze dan herroepen? Of blijft gij er bij, houdt gij ze vol? Verklaart gij u schuldig of onschuldig?" Hiermede maakte hij een vertoon van billijkheid, maar toch schijnt hij dit met hooghartigheid en laatdunkendheid te hebben gesproken, en in zo verre schijnt hij de zaak reeds vooraf te hebben geoordeeld, want, indien hij zodanige woorden had gesproken, dan zal hij gewis als Godslasteraar veroordeeld worden, wàt hij er ook ter rechtvaardigmaking en verklaring van moge aanvoeren.
II. Hij begint zijn pleidooi ter verdediging, en het is lang, maar door zijn plotseling afbreken juist toen hij tot het voornaamste punt was gekomen, schijnt het, dat het nog veel langer zou geweest zijn, indien zijne vijanden hem hadden toegelaten alles te zeggen wat hij te zeggen had. In het algemeen kunnen wij opmerken:
1. Dat het uit deze rede blijkt, dat hij een man was, machtig in de Schriften, en daardoor volkomen toegerust voor ieder goed woord en werk. Hij kan geschiedenissen verhalen uit de Schrift, die pasten voor zijn doel, en dat wel zonder dat hij er den Bijbel voor behoeft op te slaan. Hij was vervuld met den Heiligen Geest, niet zo zeer om hem nieuwe dingen te openbaren, of hem den verborgen raad Gods te ontsluiten betreffende de Joodse natie en daarmee de tegensprekers te overtuigen, neen, maar om hem de Schriften des Ouden Testaments in de herinnering te brengen, en hem te leren hoe van dezen ter hunner overtuiging gebruik te maken. Zij, die vol zijn van den Heiligen Geest, zullen, evenals Stefanus, vol zijn van de Schrift.
2. Dat hij de Schrift aanhaalt naar de vertaling der Zeventigen, waaruit blijkt, dat hij een der Hellenistische Joden was, bij wie deze vertaling in hun synagogen in gebruik was. Zijn volgen van deze vertaling veroorzaakt enige afwijkingen in zijne rede van den oorspronkelijken Hebreeuwsen tekst, waarop de rechters van het hof echter gene aanmerkingen maakten, daar zij wel wisten, hoe hij hiertoe kwam, en dit doet ook niets af van het gezag van den Geest, door welken hij sprak, want die afwijkingen, of veranderingen zijn van geen belang of gewicht. Wij hebben een' grondregel: Apices juris non sunt jura -De blote punten van de wet zijn niet de wet zelf. Deze verzen bevatten een kort begrip van de kerkgeschiedenis, lopende tot aan het einde van het boek Genesis. Wij hebben te letten op:
A. Zijne inleiding: Gij mannen, broeders en vaders, hoort toe. Hij geeft hun wel gene vleiende, maar toch beleefde titels, waarmee hij zijne verwachting te kennen geeft, dat hij billijk door hen behandeld zal worden. Van mannen, mensen, hoopt hij ene menselijke behandeling, en van broeders en vaders hoopt hij, dat zij hem vaderlijk en broederlijk zullen behandelen. Zij zijn gans bereid hem als een afvallige te beschouwen van de Joodse kerk en als een vijand van hen zelven. Maar om den weg te bereiden voor hun overtuiging van het tegendeel, richt hij zich tot hen als mannen, broeders en vaders, besluitende om zich als een hunner te achten, hoewel zij hem niet als zodanig wilden beschouwen. Hij verzoekt om hun aandacht. Hoort toe, hoewel hij hun ging zeggen wat zij reeds wisten, verzoekt hij hun toch er naar te luisteren, omdat, hoewel zij het alles wisten, zij het toch niet zonder geestesarbeid zouden weten toe te passen op de zaak, die voor hen gebracht was.
B. Zijne rede zelf, die (wat zij ook aan onoplettende lezers moge toeschijnen) volstrekt gene lange uitweiding is, om zijne hoorders te vermaken met het verhaal ener oude geschiedenis. Neen, het is alles geschikt en gepast, ad rem, ter zake, om hun te tonen, dat God Zijn hart niet zo op de heilige plaats en de wet had gezet, als zij, maar gelijk Hij vele eeuwen voor dat deze heilige plaats gesticht, en de ceremoniële wet gegeven was, ene kerk in de wereld had, Hij er ook ene zou hebben, als die beiden aan haar einde zouden gekomen zijn. Hij begint met de roeping van Abraham uit Ur der Chaldeeën, waardoor hij door God was afgezonderd om de bewaarder der beloftenis, en de vader der Oud-Testamentische kerk te wezen. Daarvan hebben wij het bericht in Genesis 12:1 en verder., en er wordt naar verwezen in Nehemia 9:7, 8. Zijn geboorteland was een afgodisch land, het was Mesopotamië, vers 2, het land der Chaldeeën, vers 4. Vandaar bracht God hem in twee reizen-niet te ver op eenmaal, daar Hij tederlijk met hem handelde-eerst uit het land der Chaldeeën naar Haran, ene stad, gelegen halverwege tussen dat land en Kanaän, Genesis 11:31, en van daar, toen vijf jaren later zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land Kanaän, waar gij nu in woont. Het schijnt, dat God, toen Hij voor de eerste maal tot Abraham sprak, hem in ene zichtbare tentoonspreiding der Goddelijke tegenwoordigheid is verschenen, als de God der heerlijkheid, vers 2, om een omgang, of gemeenschap, met hem vast te stellen. Later heeft Hij die gemeenschap met hem onderhouden en heeft Hij van tijd tot tijd, als de gelegenheid dit vereiste, met hem gesproken, maar zonder die zichtbare verschijning als de God der heerlijkheid, Naar aanleiding van deze roeping van Abraham kunnen wij opmerken, Ten eerste: Dat wij God moeten kennen in al onze wegen, en acht moeten geven op de leiding van Zijne voorzienigheid, evenals op de wolk- en vuurkolom. Er wordt niet gezegd Abraham ging over, maar, God bracht hem over in dit land, waar gij nu in woont, hij is zijn Leider slechts gevolgd.
Ten tweede. Dat Hij hen, die Hij opneemt in Zijn verbond, onderscheidt van de kinderen dezer wereld: zij worden krachtdadiglijk geroepen uit- den staat, uit het land hunner geboorte, zij moeten los zijn van de wereld, leven als boven de wereld met alles wat er in is, zelfs datgene er in, wat hun het dierbaarst is, en zij moeten op God vertrouwen om het hun te vergoeden in een beter land, dat is het hemelse land, dat Hij hun tonen zal. Gods uitverkorenen moeten Hem volgen met een onbepaald geloof en ene volstrekte gehoorzaamheid. Maar laat ons zien wat dit met de zaak van Stefanus van doen heeft.
1. Zij hadden hem beschuldigd van God te hebben gelasterd en van de kerk te zijn afgevallen. Daarom toont hij hun, dat hij een zoon is van Abraham, en hij hecht er waarde aan te kunnen zeggen: onze vader Abraham, en dat hij een getrouw aanbidder is van den God van Abraham, dien hij daarom den God der heerlijkheid noemt. Hij toont ook aan, dat hij Goddelijke openbaring erkent, inzonderheid die, op welke de Joodse kerk gegrond was.
2. Zij waren er hoogmoedig op, dat zij besneden waren, en daarom toont hij aan, dat Abraham onder Gods leiding was gebracht en in gemeenschap met Hem was gekomen, eer hij besneden was, want die was nog niet voor vers 8. Met dit argument bewijst Paulus dat Abraham gerechtvaardigd was door het geloof, omdat hij gerechtvaardigd was, in de voorhuid zijnde, en zo ook hier.
3. Zij waren zeer ijverig over deze heilige plaats, dat bedoeld kan zijn van geheel het land Kanaän, want het werd het Heilige Land genoemd, Emmanuel's Land, en de verwoesting van het heilige huis bracht die van het heilige land mede. "Gij behoeft daar niet zo hoogmoedig op te wezen", zegt Stefanus, "want:
A. Oorspronkelijk zijt gij uit Ur der Chaldeeën, waar uwe vaderen andere goden hebben gediend, Jozua 24:2, en gij waart niet de eerste grondvesters van dit land. Aanschouwt dus den rotssteen, waaruit gij gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, waar gij uit gegraven zijt" (dat is, gelijk daar te dier plaatse op volgt,)" aanschouwt Abraham, ulieder vader, want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, Jesaja 51:1, 2, denkt aan de geringheid van uw begin, uwen oorsprong, en hoe gij alles aan de Goddelijke genade zijt verschuldigd, en dan zult gij zien, dat alle roem voor altijd is uitgesloten. Het was God, die den rechtvaardige verwekt heeft van den opgang (of van het Oosten), en hem geroepen heeft op zijn voet, Jesaja 41:2. Maar indien zijn zaad ontaardt, zo laat hen weten, dat God deze heilige plaats kan verderven, en zich een ander volk kan verwekken, want Hij is hun Schuldenaar niet".
B. "God verscheen in Zijne heerlijkheid aan Abraham in Mesopotamië, eer hij in Kanaän kwam, ja eer hij nog in Haran woonde, zodat gij niet moet denken, dat Gods bezoeken dit land gelden, neen, Hij, die het zaad der kerk van uit zo ver een land in het Oosten gebracht heeft, kan, zo het Hem behaagt, de vrucht er van brengen naar een ander land, dat even ver is in het Westen".
C. "God heeft zich niet gehaast om hem in dit land te brengen, maar liet hem jaren lang onder weg blijven, waaruit blijkt, dat God Zijn hart niet zo op dit land gezet heeft, als gij uw hart er op gezet hebt, ook is noch Zijne eer, noch het geluk van Zijn volk met dit land vereenzelvigd. Het is dus noch Godslastering, noch verraad, te zeggen, dat het verwoest zal worden". De onvaste toestand van Abraham en zijn zaad gedurende vele eeuwen, nadat hij uit Ur der Chaldeeën was geroepen. God heeft voorzeker beloofd, dat Hij hem dit land tot ene bezitting geven zou, en zijnen zade na hem, vers 6. Maar, Ten eerste, hij had nog geen kind, en nog vele jaren daarna niet bij Sara.
Ten tweede. Hij zelf was slechts een vreemdeling en bijwoner in dat land, en God gaf hem geen erfdeel er in, ook niet een voetstap, maar hij was er, als in een vreemd land, waarin hij altijd heen en weer trok, en niets het zijne kon noemen. Ten derde. Zijn nageslacht is gedurende zeer langen tijd niet in het bezit er van gekomen, na vier honderdjaren zullen zij komen en Mij dienen in deze plaats, en niet eerder, vers 7. Ja meer: Ten vierde. Zij zullen met vele moeilijkheden en bezwaren hebben te kampen, eer zij in het bezit van dat land zullen gesteld worden, zij zullen dienstbaar gemaakt worden in een vreemd land en kwalijk behandeld worden, niet als straf voor ene bijzondere zonde, zoals hun omzwerving in de woestijn dit geweest is, want nergens vinden wij zo iets vermeld van hun dienstbaarheid in Egypte, maar God had het aldus beschikt, en zo moest het dus zijn. En aan het einde van vier honderd jaren, gerekend van de geboorte van Izaak, zal Ik het volk, dat zij dienen, oordelen, sprak God. Dit nu leert ons: 1. Dat Gode al Zijne werken van te voren bekend zijn. Toen Abraham noch erfdeel, noch erfgenaam had, was hem toch gezegd, dat hij beiden hebben zou, het ene een land der belofte, de ander een kind der belofte, en zo heeft hij beiden gehad en verkregen door het geloof.
2. Dat Gods beloften wel langzaam, maar zeker en gewis zijn in hare werking, op den bestemden tijd zullen zij vervuld worden, al is het ook niet zo spoedig als wij verwachten. Dat, hoewel het volk van God voor een tijd in kommer en benauwdheid kan zijn, God hen ten laatste zal uitredden, en rekenschap zal eisen van hun verdrukkers, want immers is er een God, die op de aarde richt. Maar laat ons zien hoe dit op de zaak van Stefanus van toepassing is.
A. De Joodse natie, voor welker eer zij zo ijverden, was zeer gering in haren oorsprong. Gelijk hun vader Abraham van uit zijn onbekend bestaan in Ur der Chaldeeën werd gehaald, zo zijn hun stammen en de hoofden er van uit de slavernij in Egypte gehaald, toen zij het minste van alle volken waren, Deuteronomium 7:7. En wat behoeven zij dan zo veel ophef te maken van hun verderf, als zij dit door hun zonde over zich brengen, alsof dit verderf het verderf der wereld was en van al Gods belangen er in? Neen, Hij, die hen uitgeleid heeft uit Egypte, kan er hen weer in brengen. zoals Hij gedreigd heeft te zullen doen, Deuteronomium 28:68, en daar niets bij verliezen, daar Hij uit stenen Abraham kinderen kan verwekken.
B. Hoe langzaam de vervulling naderde van de belofte, gedaan aan Abraham, en de vele schijnbare tegenstrijdigheden, waar hier op gewezen wordt, hetgeen aantoont, dat dit ene geestelijke betekenis had, en dat het land, dat voornamelijk bedoeld was, het betere land is, dat is, het hemelse, gelijk de apostel uit dit zelfde argument bewijst en aantoont, dat de patriarchen in het land der belofte hebben gewoond als in een vreemd land, hieruit afleidende, dat zij de stad verwachtten, die fundamenten heeft, Hebr. 11:9, 10. Daarom was het gene Godslastering te zeggen: Jezus zal deze plaats verwoesten, als wij daarbij ook zeggen: "Hij zal ons heenvoeren naar het hemelse Kanaän, en ons daarvan in het bezit stellen, waarvan het aardse Kanaän slechts een type is geweest.
C. De toeneming van het geslacht van Abraham onder Gods genade en de beschikking der Goddelijke Voorzienigheid hen betreffende, waarmee het boek van Genesis in beslag wordt genomen.
Ten eerste. God heeft zich verbonden de God te zijn van Abraham en van zijn zaad, en ten teken hiervan verordineerde Hij, dat hij en zijne mannelijke nakomelingen besneden zouden worden, Genesis 17:9, 10. Hij gaf hem het verbond der besnijdenis, vers 8, dat verbond, waarvan de besnijdenis het zegel was, en toen aan Abraham een zoon geboren werd, heeft hij hem dienovereenkomstig op den achtsten dag besneden, vers 8, waartoe hij beide door de Goddelijke wet, en zijn deel in de Goddelijke belofte verplicht was, want de besnijdenis verwees naar beiden, een zegel zijnde op het verbond beide van Gods zijde: Ik zal u een algenoegzame God zijn, en van de zijde des mensen: Wandel voor mijn aangezicht, en wees oprecht. En toen nu aldus afdoende gezorgd was voor de verzekerdheid van Abrahams zaad, om een zaad te zijn, dat den Heere dient, begonnen zij te vermenigvuldigen, Izaak gewon Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen, of wortelen der onderscheidene stammen.
Ten tweede. Jozef, de lieveling en de zegen van het huis zijns vaders, werd mishandeld door zijne broeders, zij waren nijdig op hem wegens zijne dromen, en verkochten hem om naar Egypte gebracht te worden, zo vroeg reeds beginnen de kinderen Israël's een wrok te koesteren tegen hen, die voortreffelijk waren en boven anderen uitmuntten, waarvan hun vijandschap tegen Christus, die, evenals Jozef, een Nazareeër was onder zijne broederen, een sterk sprekend voorbeeld was.
Ten derde. God erkende Jozef in zijne benauwdheden, en was met hem, Genesis 39:2, 21, door den invloed van Zijn Geest beide op zijn gemoed, hem vertroostende, en op het gemoed van hen, tot wie hij in betrekking stond, door hem gunst te doen vinden in hun ogen. En zo heeft Hij hem ten laatste verlost uit alle zijne verdrukkingen, en Farao maakte hem tot den tweede in het koninkrijk, Psalm 105:20-22. Zo is hij niet slechts tot hoog aanzien gekomen onder de Egyptenaren, maar is hij tot een herder en steen Israël's geworden, Genesis 49:24.
Ten vierde. Jakob was genoodzaakt af te gaan naar Egypte door een hongersnood, die hem uit Kanaän verdreef, ene schaarste, (die ene grote beproeving was,) zo groot, dat onze vaderen gene spijs vonden in Kanaän, vers 11. Dat vruchtbare land werd tot een zouten grond. Maar Jakob horende, dat er koren was in Egypte (opgegaard door de wijsheid van zijn' eigen zoon), zond hij onze vaderen de eerste maal uit, om koren te kopen. vers 12. En toen zij voor de tweede maal gingen, heeft Jozef, die zich eerst als een vreemde voor hen had gehouden, zich aan hen bekend gemaakt, en het werd aan Farao bericht, dat zij Jozefs' maagschap waren, vers 13, waarop Jozef met Farao's toestemming heenzond en zijn vader Jakob naar Egypte ontbood met zijn ganse geslacht, tot een getal van vijf en zeventig zielen, om aldaar door hem onderhouden te worden, vers 14. In Genesis worden zij gezegd bestaan te hebben uit zeventig zielen, Genesis 46:27. Maar de Septuaginta maken er vijf en zeventig zielen van, en Stefanus, of Lukas, volgt hun overzetting, zoals in Lukas 3:36, waar Kaïnan is ingelast, die niet in den Hebreeuwsen tekst, maar in de Septuaginta wordt vermeld. "Er zijn in de Schrift drie verschillende opgaven van het getal van Jakobs huisgezin, toen zij in Egypte kwamen, In Genesis 46:26 wordt gezegd: Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijne heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen", terwijl in het volgende vers, evenals in Deuteronomium 10:22 gezegd wordt, dat zij "zeventig" waren, maar in Handelingen 7:14 zegt Stefanus uitdrukkelijk, dat zij vijf en zeventig waren. Om nu deze schijnstrijdigheid op te lossen, moeten wij doen opmerken, dat in elk dezer Schriftuurplaatsen ene andere wijze van telling of berekening gevolgd wordt. In de eerste lijst spreekt Mozes alleen van die personen, welke uit Jakobs lendenen zijn voortgekomen, dat is: zijne kinderen en kindskinderen, die met hem naar Egypte gingen, en dezen met uitsluiting van Jakob zelf, en van Jozef met zijne twee zonen, die al in Egypte waren, vormen juist het getal zes en zestig, terwijl dit getal, als Jakob zelf met Jozef en zijne twee zonen, Efraïm en Manasse, die wel te voren reeds in Egypte waren, maar er slechts als vreemdelingen hebben geleefd, en hun oorsprong van het land Kanaän hadden, gerekend kunnen worden, alsof zij met Jakob in Egypte waren gekomen, dan juist zeventig wordt. Het verschil tussen Mozes en Stefanus is ietwat moeilijker op te lossen, maar toch- als wij veronderstellen, dat Stefanus het eerste getal van Mozes volgt, nl. zes en zestig, waarbij Jakob, Jozef en zijne twee zonen niet meegerekend zijn, maar waar hij dan slechts negen van de vrouwen zijner zonen bij optelt, want de vrouw van Juda was reeds gestorven en Benjamin wordt verondersteld nog ongehuwd te zijn, en Jozefs huisvrouw niet meegerekend wordt, als deze negen vrouwen, zeg ik, die, hoewel niet van Jakobs bloed waren, toch tot zijn gezin behoorden, en tot Jozefs maagschap, -dat juist de uitdrukking is, door Stefanus gebruikt- gevoegd worden bij de zes en zestig anderen, dan komen wij tot dit juiste getal van vijf en zeventig." Ten vijfde. Jakob en zijne zonen sterven in Egypte, vers 15, maar werden overgevoerd om in Kanaän begraven te worden, vers 16. Hier komt ons nu ene grote moeilijkheid voor: er wordt gezegd: zij werden overgebracht naar Sichem, terwijl toch Jakob niet in Sichem, maar nabij Hebron in de spelonk van Machpela begraven werd, waar ook Abraham en Izaak begraven zijn, Genesis 50:13. Jozefs gebeente werd wel in Sichem begraven, Jozua 24:32, en hieruit blijkt (hoewel er in de geschiedenis gene melding van is gemaakt,) dat de beenderen van al de andere patriarchen met de zijnen overgebracht werden, daar ieder hunner hetzelfde bevel hieromtrent had gegeven als hij, en het is van hen, en niet van Jakob, dat dit verstaan moet worden. Maar het graf te Sichem was door Jakob gekocht, Genesis 33:19, en daarnaar wordt het beschreven, Jozua 24: 32. Hoe wordt dan nu hier gezegd, dat het gekocht werd door Abraham? Dr. Whitby geeft ene voldoende oplossing van deze moeilijkheid. Hij zegt: Jakob ging af naar Egypte en stierf, hij en onze vaders, en (onze vaders) werden overgebracht naar Sichem, en hij, dat is Jakob, werd gelegd in het graf, dat Abraham voor ene som gelds gekocht had, Genesis 23. (Of, zij werden daar gelegd, dat is: Abraham, Izaak en Jakob.) En zij, namelijk de andere patriarchen, werden begraven in het graf, gekocht van de zonen van Hemor, den vader van Sichem, Laat ons nu zien hoe Stefanus dit hier te pas brengt.
1. Hij herinnert hen nog aan den geringen oorsprong van de Joodse natie, als ene beteugeling van hun hoogmoedig roemen in de heerlijkheid dier natie, en dat het door een wonder van barmhartigheid is geweest, dat zij uit niets opgeheven zijn tot hetgeen zij zijn, van zo klein een getal tot zo groot een volk zijn geworden. Indien zij echter aan deze zo merkwaardige opheffing niet beantwoorden, dan kunnen zij niets anders verwachten dan verwoest, verdelgd te worden. De profeten hebben hen dikwijls herinnerd aan hun uitleiding uit Egypte, als ene verzwaring van hun minachting van de wet Gods, en hier wordt het als ene verzwaring tegen hen aangevoerd van hun minachting van het Evangelie van Christus.
2. Evenzo herinnert hij hen aan de goddeloosheid van hen, die de patriarchen waren van hun stammen, in hun benijden van hun' broeder Jozef, en hun verkopen van hem naar Egypte, en diezelfde geest werkte nog in hen tegen Christus en Zijne dienstknechten.
3. Hun heilig land, waaraan zij met zo buitensporige liefde gehecht waren, bleef nog zeer lang buiten het bezit hunner vaderen, en in dit land kwam hongersnood en grote benauwdheid, laten zij het dus niet vreemd vinden, zo het, nadat het zo langen tijd verontreinigd was door de zonde, ten laatste verwoest zal worden.
4. Het geloof der patriarchen, blijkende in hun begeerte om in het land Kanaän te worden begraven, toont duidelijk aan, dat zij het oog hadden op het hemelse land, en het was de bedoeling van dezen Jezus hen daarheen te brengen.