16. Ook buiten het gebied van de stad verbreidde zich het aanzien van de apostelen bij de Joden. En ook de menigte van de omliggende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende zieken, mensen die aan natuurlijke ziekten leden en die door onreine geesten gekweld waren, die allen genezen werden als de apostelen de handen op hen legden (
Vers 12).
Het uur van de beslissing kwam voor Jeruzalem steeds dichterbij.
Onder het volk was een sterke gisting; juist in deze dagen lieten duizenden zich dopen. Zagen de apostelen terug op die dag, toen de gemeente van de gelovigen 120 namen telde (hoofdstuk 1:15) en zagen zij nu vele duizenden om zich verzameld (Lukas geeft bij een zo grote menigte geen getal meer op, zoals hij dat nog in hoofdstuk 4:4 deed, toch zullen wij bij hoofdstuk 6:6 zien, dat het getal van de christenen tot 7000 zielen was aangegroeid), zo kondigde zich aan hun ogen vol vreugde de in Jesaja 60:21 beloofde aangename tijd aan. Inderdaad nam de kracht en de blijdschap van de apostelen van dag tot dag toe en de vatbaarheid van het volk voor wonderen en tekenen in Jezus' naam was als de vatbaarheid van de omgeploegde aarde voor de regen van de hemel. Lukas wil hetgeen in Vers 15
verhaald wordt, aangezien hebben als gevolg van die toenemende bereidheid van de harten van het volk: voornamen en geringen dragen hun zieken langs de straten en leggen ze op zachte bedden of harde baren en het vertrouwen van de zieken op de man aan wiens voeten Ananias en Saffira dood waren gevallen, is zo sterk dat zij zeggen: "indien slechts hun schaduw over ons kwam, wij zouden gezond worden. " Toen herinnerde Petrus zich die vrouw (Lukas 8:43vv.
), die bij zichzelf sprak: "mocht ik maar Zijn kleed aanraken, dan zou ik gezond worden. " Toen Jezus, tot helpen gereed, sprak: "wie heeft Mij aangeraakt? " bevreemdde dat Petrus, heden bevreemdt het hem niet dat de hand van Jezus in de schaduw van zijn knechten de zieken tot hun genezing kan aanraken. "De Heer is uw schaduw" (Psalm 121:5) antwoordde zijn ziel op het geloof van de zieken. Of hadden deze mensen, die op de schaduw van Petrus wachtten, zich bedrogen in hun geloof? Nee duidelijk wil Lukas ze mede insluiten in het woord aan het slot van Vers 16 : "die allen genezen werden. " Wie zich ergeren aan de genezende schaduw van Petrus en aan de evenzo heilzame zweetdoeken van Paulus in hoofdstuk 19 verstaan de liefelijke en neerbuigende goedheid van God niet, waarmee Hij handelt met allen die hulp bij Hem zoeken, met een ieder naar diens begrip. De schaduw deed het zeker niet en wie zich zou hebben verlaten op de overschaduwing door een mens, zou door de apostel, die de geesten proefde, bestraft zijn geworden; maar de kracht van God, die de zieken in Petrus zoeken, deed het en hij zag ze aan, evenals eerder (hoofdstuk 3:4) de lamme en hij gaf hun wat hij had, naar hun geloof.
Een onderwijzer wordt soms, als hij zijn eigen onvermogen erkent en ziet, mismoedig en denkt: wat zal ik uitrichten, daar ik zelf in de schaduw zit en meer op een schaduw dan op een levende lijk? Maar God kan het onaanzienlijkste, dat zich maar aan Hem overgeeft, tot grote dingen gebruiken, evenals de schaduw van Petrus.
Voor de laatste van de 70 jaarweken, in Daniël 9:27 geprofeteerd: "Hij (de Messias) zal velen het verbond versterken een week, " hebben wij als aanvang gevonden het optreden van Johannes de Doper in de woestijn in de herfst van het jaar 26 n. Chr. Daar nu deze week hier haar toppunt of haar einde bereikt, waarom ook de Heere alles in het werk stelt, opdat Israël de tijd zou bekennen, waarin het bezocht wordt, duurt onze afdeling voort tot aan de herfst van het jaar 33 n. Chr. Tot zolang wordt het de oversten onmogelijk gemaakt, zich te vergrijpen aan de apostelen van Christus en Zijn gemeente. Eerst moest het er toe komen dat zij zich tot een gemeente ook in het openbaar vormden (Vers 12). Daarom komt die naam dan ook in Vers 11 voor de eerste maal voor, terwijl zij vroeger gelovigen (hoofdstuk 2:44; 4:32 2. 44) werden genoemd (in hoofdstuk 2:47 is het slotwoord "tot de gemeente" waarschijnlijk een toevoegsel van andere hand). Des te sneller gaat het nu van die tijd aan met de vijandschap van de Joden (Vers 17vv.) en wel valt de steniging van Stefanus (hoofdstuk 7) reeds in de winter van dit jaar, terwijl wat in Vers 17 tot hoofdstuk 6:8 verhaald wordt nog tot de herfst behoort.
f. Vers 17-42 Het eerste lijden van de apostelen.