Handelingen 4:1-4
Wij zien hier hoe de belangen van het koninkrijk der hemelen behartigd en bevorderd worden, en hoe de machten der duisternis optreden, om er een einde aan te maken. Al zijn Christus' dienstknechten nog zo kloek en standvastig, Satans agenten zijn boosaardig, en daarom: laten Satans agenten nog zo boosaardig zijn, Christus' dienstknechten behoren kloek en vastberaden te wezen.
I. De apostelen, Petrus en Johannes, gingen voort met hun werk, en hebben niet te vergeefs gearbeid. De Geest maakte de leraren bekwaam om te doen wat hunner, en het volk om te doen wat zijns was.
1. De predikers leveren getrouwelijk de leer van Christus over: Zij spraken tot het volk, tot allen, die in hun bereik waren, vers 1. Wat zij zeiden betrof hen -allen, en zij hebben het vrijmoedig en openlijk gezegd. Zij leerden het volk, leerden het volk kennis, hun, die niet geloofden, ter hunner overtuiging en bekering, en hun, die reeds geloofden, ter hunner vertroosting en bevestiging. Zij verkondigden in Jezus de opstanding der doden. De leer van de opstanding der doden was:
A. Bevestigd in Jezus. Zij bewezen, dat Jezus Christus van de doden was opgestaan, als de Eerste, de Voornaamste, van hen, die van de doden op zouden staan, Hoofdstuk 26:23. Zij predikten de opstanding van Christus als de volmacht voor hetgeen zij deden. Of wel:
B. Door Hem is zij verzekerd aan alle gelovigen. De opstanding van de doden bevat al de zaligheid van den toekomenden staat. Dit predikten zij in Jezus Christus, nl. dat zij bereikbaar, te verkrijgen was door Hem, Filippenzen 3:10, 11, en alleen door Hem. Zij bemoeiden zich niet met staatszaken, maar bleven bij hun werk, en predikten voor het volk den hemel als hun doel, en Christus als hun Weg. Zie Hoofdstuk 17:18.
2. De hoorders hebben het woord blijmoedig ontvangen, vers 4. Velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden, niet allen -misschien niet de meesten, maar toch velen, tot een getal van omtrent vijf duizend, behalve nog de drie duizend, waarvan wij te voren gelezen hebben. Zie, hoe het Evangelie veld won, het was het gevolg van de uitstorting des Heiligen Geestes. Hoewel de predikers vervolgd werden, heeft toch het woord overmacht, want soms waren de lijdensdagen der kerk de dagen van haren bloei en vooruitgang, zo was het in de dagen van hare kindsheid.
II. De overpriesters en hun aanhangers gingen hun nu het hoofd bieden, en deden wat zij konden om hen te verpletteren, hun handen waren voor een tijd gebonden, maar hun hart was niet in het minst veranderd. Merk hier nu op:
1. Wie zij waren, die zich tegen de apostelen stelden. Het waren de priesters, zij het eerst, daarvan kunnen wij zeker zijn. Zij zijn altijd de gezworen vijanden geweest van Christus en Zijn Evangelie, zij waren even naijverig op hun priesterschap, als de keizer op zijne heerschappij, en wilden niet iemand verdragen, dien zij dachten hun mededinger te zijn, nu Hij gepredikt werd, als een Priester, evenzeer als toen Hij zelf predikte als een Profeet. Met hen was saamgevoegd de hoofdman des tempels, die, naar men veronderstelt, een Romeins beambte was, overste van het garnizoen, dat in den toren van Antonia lag tot bescherming van den tempel, zodat nog altijd Joden en Heidenen tegen Christus samenspanden. Ook de Sadduceeën, die het bestaan van geesten en den toekomenden staat loochenden, waren ijverig tegen hen. "Men zou zich kunnen afvragen", zegt Ds. Baxter, "wat zulke verdierlijkte lieden, als de Sadduceeën zo heftige vervolgers heeft doen zijn. Indien er geen toekomend leven is, welk kwaad kan het hun dan doen, dat andere mensen er hun hoop op vestigen? Maar in verdorvene zielen zijn alle vermogens verdorven.
2. Hoe de prediking der apostelen hen stemde. Zij waren ontevreden, omdat zij het volk leerden, vers 2. Het was hun ene grief, dat de Evangelie-leer gepredikt werd, (zo openlijk en vrijmoedig gepredikt werd) en dat het volk zo bereid was het te horen. Toen zij Christus zulk een smadelijken dood hadden doen sterven, dachten zij, dat Zijne discipelen zich daarna altijd zouden schamen Hem te belijden, en dit ook niet zouden durven, en dat het volk een onoverwinnelijk vooroordeel zou hebben tegen Zijne leer, en nu verdroot het hun teleurgesteld te zijn, en te zien, dat Zijn Evangelie veld won, in plaats van er door vernietigd te zijn. De goddeloze zal het zien en zich vertoornen, Psalm 112:10. Zij waren ontevreden over hetgeen, waarin zij zich hadden behoren te verblijden, hetgeen, waarin de engelen zich verblijden. Ellendig is de toestand van hen, voor wie de heerlijkheid van Christus' koninkrijk ene oorzaak is van ontevredenheid, want, daar de heerlijkheid van dat koninkrijk eeuwigdurend is, volgt hier van zelf uit, dat hun ontevredenheid ook eeuwigdurend is. Zij waren ontevreden, omdat de apostelen in Jezus de opstanding der doden verkondigden. De Sadduceeën waren ontevreden, omdat de opstanding der doden gepredikt werd, want zij waren tegenstanders van die leer, en konden het niet verdragen om van een toekomenden staat te horen, te horen, hoe volkomen hij betuigd en bevestigd werd. De overpriesters waren ontevreden, dat zij in Jezus de opstanding der doden predikten, dat Hij er de eer van zou hebben, en hoewel zij beleden de opstanding der doden te geloven, tegen het gevoelen der Sadduceeën, wilden zij toch liever dat gewichtig punt opgeven, dan het door de apostelen te laten prediken en bewijzen in Jezus.
3. Hoe ver zij gingen in hun tegenstand tegen de apostelen, vers 3. Zij sloegen de handen aan hen (dat is: hun dienaren en beambten deden het op hun bevel), en zetten ze in bewaring, hen overgevende in de bewaring van den daartoe aangewezen beambte, tot den volgenden dag. Zij konden hen nu niet in verhoor nemen, want het was avond, maar toch wilden zij het niet langer dan tot aan den volgenden dag uitstellen. Zie hoe God Zijne dienstknechten trapsgewijze opvoedt tot lijden, en hen door mindere beproevingen voor de grotere bereidt. Nu weerstaan zij slechts tot aan banden toe, later ten bloede toe.