Leviticus 23:15-22
1. Hier is de instelling van het pinksterfeest of het feest van de weken zoals het genoemd wordt in Deuteronomium 16:10, omdat het gevierd werd vijftig dagen, of zeven weken na het pascha. Het wordt ook "het feest van de oogst" genoemd, Exodus 13:16. Want gelijk de aanbieding van de garf van de eerstelingen een inleiding was tot de oogst, en hun vrijheid gaf om de sikkel in te slaan, zo hebben zij op dit feest de voleinding van de korenoogst gevierd. Toen offerden zij een handvol gerstenaren, nu offerden zij twee tarwebroden, vers 17. Die broden waren gedesemd. Op het pascha aten zij ongezuurde broden, ter herinnering aan het brood dat zij aten, toen zij uit Egypte kwamen, en dat ongezuurd was, maar nu, op Pinksteren was het gezuurd, omdat het een erkenning was van Gods goedheid over hun gewone spijze, die gezuurd was.
2. Met deze garf van de eerstelingen offerden zij slechts een lam ten brandoffer, maar met deze broden van de eerstelingen offerden zij zeven lammeren, twee rammen en een ver, allen als brandoffer, aldus eer gevende aan God, als de Heere van hun land, en de Heere van hun oogst, door wiens gunst zij leefden, en tot wiens lof zij behoorden te leven. Ook offerden zij een geitebok ten zondoffer, zich aldus verootmoedigende en erkennende het brood onwaardig te zijn, dat zij aten, en om vergeving smekende van hun zonden, door welke zij hun oogstzegeningen hadden verbeurd. En eindelijk twee lammeren ten dankoffer, om een zegen te vragen op het koren, dat zij ingezameld hadden, en dat hun, zonder die zegen noch verzekerd, noch lieflijk zou zijn, Haggai 1:9. Dat waren de enige dankoffers, die zij offerden voor de gehele vergadering, en zij werden voor zeer heilig gehouden, terwijl de andere dankoffers slechts heilig waren. Al deze offeranden zijn hier ingesteld, vers 18-20.
3. Dat een dag gehouden moest worden met een heilige samenroeping, vers 21. Het was een van de dagen, waarop geheel Israël God en elkaar moesten ontmoeten ter plaatse, die de Heere verkiezen zou. Sommigen opperen de mening dat, terwijl het feest van de ongezuurde broden gedurende zeven dagen gehouden moest worden er slechts één dag bepaald was, voor het pinksterfeest, omdat het dan een drukke tijd van het jaar voor hen was en God hun vergunde om spoedig tot hun werk op het land terug te keren. Dit jaarlijkse feest was ingesteld ter gedachtenis aan de wetgeving op de berg Sinaï op de vijftigste dag nadat zij uit Egypte waren gekomen. Dat was het feest, dat hun in Egypte gezegd was de Heere te houden in de woestijn, en ter herinnering hieraan hebben zij altijd daarna dit feest gehouden. Maar het einde en de volmaking er van was de uitstorting des Geestes op de apostelen op de dag van dit feest, Handelingen 2:1, waarop de wet des geloofs werd gegeven vijftig dagen nadat Christus, ons Pascha, voor ons geofferd werd. En op die dag hebben de apostelen-zoals bisschop Patrick het zo juist uitdrukt-zelf de eerstelingen des Geestes hebbende ontvangen, drie duizend zielen gewonnen door het woord van de waarheid, en ze als de eerstelingen van de Christelijke kerk, Gode en het Lam voorgesteld en aangeboden. Aan de inzetting van het pinksterfeest is een herhaling toegevoegd van de wet, die wij tevoren gehad hebben, Hoofdstuk 19:9, waarbij hun de verplichting was opgelegd om de nalezing van hun velden en het koren dat in de hoeken van hun akkers groeide over te laten voor de armen, vers 22. Waarschijnlijk komt dit hier voor omdat de priesters de gelegenheid moesten waarnemen als zij de eerstelingen van hun oogst offerden, om er hen aan te herinneren dat gehoorzamen, zelfs in deze kleine aangelegenheid, beter was dan offerande, en dat hun offeranden tenzij zij gehoorzaamden niet aangenaam zouden zijn. Ook leerde het hen dat de oogstvreugde zich moet uiten in liefdadigheid jegens de armen, die hun deel moeten hebben van hetgeen wij hebben, zowel als God het Zijne. Zij, die zich waarlijk bewust zijn van de zegen, die zij van God ontvangen, zullen zonder morren of tegenzin barmhartigheid bewijzen aan de armen.