Lukas 24:50-53
Deze evangelist gaat de plechtige samenkomst van Christus met Zijne discipelen in Galilea voorbij, maar wat Hij daar en bij andere gelegenheden tot hen zei, voegt hij toe aan hetgeen Hij tot hen zei bij Zijn eerste bezoek aan hen in den avond van den dag toen Hij is opgestaan, en nu heeft hij nog slechts Zijne hemelvaart te berichten, waarvan wij in deze verzen een kort verhaal vinden. Daarin wordt ons gezegd:
I. Hoe plechtig Christus afscheid heeft genomen van Zijne discipelen. Daar Christus zich ten doel had gesteld hemel en aarde met elkaar te verzoenen, er de Middelaar van te zijn en te blijven, was het nodig dat Hij Zijne handen zou leggen op beiden, en heen en weer zou gaan, van den hemel naar de aarde, en dan weer van de aarde naar den hemel. in beide werelden had Hij zaken te verrichten, dientengevolge kwam Hij van den hemel naar de aarde in Zijne menswording, om hier Zijn werk te doen, en dit volbracht hebbende, keerde Hij terug naar den hemel, om daar te wonen en onze zaken bij den Vader te behartigen: Merk op:
1. Vanwaar Hij opvoer: van Bethanië, nabij Jeruzalem, grenzende aan den Olijfberg. Daar heeft Hij uitnemende diensten verricht tot eer van Zijn Vader, en daar is Hij ingegaan tot Zijne heerlijkheid. Daar was de hof, waarin Zijn lijden begon, daar is Hij in doodsbenauwdheid geweest, en Bethanië betekent huis der smart. Zij, die naar den hemel willen gaan, moeten er uit het huis des lijdens en der smart heengaan, uit doodsbenauwdheid in de vreugde. De Olijfberg was reeds lang aangewezen als de plaats van Christus' hemelvaart: Zijne voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg. Zacheria 14:4. En hier was het, dat Hij kort tevoren Zijn triomfantelijken intocht in Jeruzalem begon, Hoofdstuk 19:29.
2. Wie de getuigen waren van Zijne hemelvaart. Hij leidde Zijne discipelen uit om het te zien. Het was waarschijnlijk vroeg in den morgen, dat Christus ten hemel is gevaren, voordat de mensen op de been waren, want na Zijne opstanding heeft Hij zich nooit openlijk aan het gehele volk vertoond, doch alleen aan de verkoren getuigen. De discipelen hebben Hem niet zien opstaan uit het graf, omdat Zijne opstanding bewezen kon worden, doordat zij Hem daarna levend gezien hebben, maar wèl zagen zij Hem ten hemel varen, omdat zij op geen andere wijze een zichtbaar bewijs daarvan konden verkrijgen. Zij werden uitgeleid met het doel Hem te zien opvaren, zij hadden het oog op Hem toen Hij opvoer, en zagen niet naar een anderen kant.
3. Op wat wijze Hij afscheid van hen nam: Zijne handen opheffende, zegende Hij hen. Hij is niet in ongenoegen van hen gescheiden, maar in liefde, Hij heeft een zegen nagelaten. Hij hief Zijne handen op, zoals de hogepriester als hij het volk zegende, zie Leviticus 9:22. Hij zegende als gezaghebbende, Hij gebood den zegen, dien Hij had gekocht, Hij zegende hen zoals Jakob zijne zonen had gezegend. De apostelen waren nu als de vertegenwoordigers der twaalf stammen, zodat Hij, door hen te zegenen, geheel Zijn geestelijk Israël heeft gezegend, en den naam Zijns Vaders op hen gelegd heeft. Hij zegende hen zoals Jakob zijne zonen, en Mozes de stammen heeft gezegend, bij het scheiden, om te tonen dat Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad hebbende, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
4. Hoe Hij hen verliet: Als Hij hen zegende, scheidde Hij van hen, niet alsof Hij weggenomen werd voordat Hij alles gezegd had, wat Hij te zeggen had, maar om aan te duiden dat Zijn scheiden van hen geen einde maakte aan Zijn zegenen van hen, want de voorbede, die Hij in den hemel ging doen voor al de Zijnen, is een voortduring van den zegen. Hij begon hen te zegenen op aarde, maar Hij ging naar den hemel om er mede voort te gaan. Christus heeft thans Zijne apostelen uitgezonden om aan de wereld Zijn Evangelie te prediken, en Hij geeft hun Zijn zegen, niet alleen voor hen zelven, maar om in Zijn naam gegeven te worden aan allen, die door hun woord in Hem zullen geloven, want in Hem moesten al de geslachten der aarde gezegend worden.
5. Hoe Zijne hemelvaart wordt beschreven.
a. Hij werd van hen gescheiden, van hun hoofd weggenomen, zoals Elia van het hoofd van Elisa werd weggenomen. De liefste vrienden moeten scheiden. Zij, die ons liefhebben en voor ons bidden en ons onderwijzen, moeten van ons gescheiden worden. Het was niet te verwachten dat wij Christus' lichamelijke tegenwoordigheid altijd in de wereld zouden hebben, zij, die Hem. gekend hebben naar den vleze, moeten Hem voortaan niet meer aldus kennen.
b. Hij werd opgenomen in den hemel, niet met geweld, maar door Zijn eigen daad en handeling. Gelijk Hij opstond van de doden, zo is Hij ten hemel gevaren, door Zijn eigen kracht, doch vergezeld van engelen. Er was geen vurige wagen nodig en geen vurige paarden, Hij kende den weg, en de Heere van den hemel zijnde, kon Hij er zelf terugkeren. Hij voer op in een wolk, zoals de engel in de vlam van Manoachs offer, Richteren 13:20.
II. Hoe blijmoedig Zijne discipelen Hem bleven dienen, en in Hem God dienden, zelfs nu Hij van hen gescheiden is.
1. Zij bewezen Hem hulde bij Zijn heengaan, om te kennen te geven dat zij, hoewel Hij nu naar een ver gelegen land heenging, toch Zijn trouwe onderdanen zullen blijven, en dat zij zeer gaarne wilden dat Hij over hen zou heer- schen. Zij aanbaden Hem, vers 52. Christus verwacht aanbidding van hen, die zegeningen van Hem ontvangen. Hij zegende hen, en ten teken van dankbaarheid hiervoor aanbaden zij Hem. Deze nieuwe tentoonspreiding van Christus' heerlijkheid ontlokte hun nieuwe erkenning en aanbidding er van. Zij wisten dat Hij, hoewel van hen gescheiden, toch kennis kon nemen van hun aanbidding van Hem. De wolk, die Hem wegnam van hun ogen, heeft hen noch hun diensten verborgen voor Zijne ogen.
2. Zij keerden weer naar Jeruzalem met grote blijdschap. Daar was hun bevolen te blijven totdat de Geest over hen uitgestort zou zijn, en dientengevolge zijn zij daarheen gegaan, hoewel zij er zich in gevaar zouden bevinden. Daarheen gingen zij, en daar bleven zij met grote blijdschap. Dat was een wondervolle verandering, uitwerking en gevolg van de opening van hun verstand. Toen Christus hun zei dat Hij hen ging verlaten, heeft droefheid hun hart vervuld, maar nu zij Hem zien heengaan, zijn zij vervuld van blijdschap, ten laatste overtuigd zijnde, dat het hun en de kerk nut was dat Hij zou weggaan, om den Trooster te zenden. De heerlijkheid van Christus is de blijdschap, de zeer uitnemende blijdschap van alle ware gelovigen, zelfs terwijl zij nog in deze wereld zijn, en veel meer nog zal zij hun blijdschap zijn, als zij heengaan naar het nieuwe Jeruzalem, en Hem daar vinden in Zijne heerlijkheid.
3. Zij waren overvloedig in oefeningen der Godsvrucht terwijl zij daar de belofte des Vaders verwachtten, vers 53. a. Zij woonden den tempeldienst bij in de uren des gebeds. God had den tempel toen nog niet geheel verlaten, en daarom hebben zij het ook niet gedaan. Zij waren allen tijd in den tempel, evenals hun Meester als Hij te Jeruzalem was. De Heere bemint de poorten van Zion, en dat behoren ook wij te doen. Sommigen denken dat zij als discipelen, hun plaats van bijeenkomst hadden in een der vertrekken van den tempel, dat aan een hun welgezinden Leviet behoorde, maar anderen denken dat dit niet voor de overpriesters en de oversten des tempels verborgen had kunnen blijven, noch dat dezen dit oogluikend zouden toegelaten hebben.
b. Zij wisten dat de tempeloffers vervangen waren door Christus' offerande, maar met de tempelzangen konden zij nog instemmen. Terwijl wij wachten op Gods beloften, moeten wij uitgaan om ze te ontmoeten met onze lofzangen. God te loven en te danken is een werk, dat nooit ontijdig is, er is niets, dat het hart beter bereidt om den Heiligen Geest te ontvangen, dan heilige blijdschap en lofzegging. De vrees wordt tot bedaren gebracht, de smart wordt verzoet en gelenigd, de hoop levendig gehouden. Het amen ten besluite schijnt door de kerk en door ieder gelovige aan de lezing van het Evangelie toegevoegd te moeten worden, instemming te kennen gevende met de waarheden van het Evangelie, en een hartelijke vereniging met al de discipelen van Christus in het loven en prijzen van God.
Amen. Laat Hem voortdurend geloofd en geprezen worden.