Handelingen 18:24-28
De gewijde geschiedschrijver laat Paulus nu op zijne reizen, en voert ons weer naar Efeziërs om er Apollos te ontmoeten, van wie hij ons enig bericht geeft, dat voor het recht begrip van sommige plaatsen in Paulus' brieven nodig was.
I. Wij hebben hier dan ene beschrijving van zijn karakter en hoedanigheden, toen hij te Efeziërs kwam.
1. Hij was een Jood, geboren te Alexandrië in Egypte, uit Joodse ouders, want sedert de verstrooiing van het volk, waren er zeer vele Joden in die stad, zoals voorzegd was, Deuteronomium 28:68. De Heere zal u naar Egypte doen wederkeren. Zijn naam was niet Apollo, de naam van een der Heidense goden, maar Apollos, dezelfde naam, naar sommigen denken, als Apelles, Romeinen 16:10.
2. Hij was een man van grote gaven, uitnemend geschikt voor den openbaren dienst, hij was een welsprekend man, machtig in de Schriften van het Oude-Testament, in welker kennis hij, als Jood, opgevoed was.
a. Hij had grote macht over de taal, hij was een welsprekend man, hij was hanês logios, een verstandig man, zoals sommigen die woorden verklaren, een geleerd man, volgens anderen, historiarum peritus -een goed geschiedschrijver, hetgeen ene uitnemende gave, of hoedanigheid, is voor een Evangeliedienaar. Hij was iemand, die goed kon spreken, zoals de eigenlijke betekenis is van het woord, hij was vermaard om zijn goed en gepast spreken over ieder onderwerp.
b. Hij had grote macht over de taal der Schrift, en dat was de welsprekendheid, die zo opmerkelijk in hem was. Hij kwam te Efeziërs , machtig zijnde in de Schriften, hij had ene uitnemende gave om de Schriften te verklaren, en hij kwam te Efeziërs , ene openbare plaats, om met dat talent handel te doen tot eer van God en tot welzijn van vele mensen. Hij was niet slechts vaardig in de Schrift, goed in staat om voor de vuist teksten aan te halen met de aanduiding, waar zij te vinden zijn, (velen van de vleselijk gezinde Joden waren hier ook toe in staat, waarom van hen gezegd wordt, dat zij de gedaante der kennis hebben, en de letter der wet,) maar hij was machtig in de Schriften, hij begreep er den zin en de betekenis van, hij wist er gebruik van te maken en ze toe te passen, er bewijsgronden aan te ontlenen. Er ging ene kracht van overtuiging en bevestiging uit van alle zijne verklaringen en toepassingen der Schrift. Waarschijnlijk had hij in vele synagogen der Joden proeven afgelegd van zijne kennis der Schrift, en van zijne bekwaamheid om haar te verklaren.
3. Hij was in den weg des Heeren onderwezen, dat is: hij had enige kennis van de leer van Christus, enige algemene begrippen van het Evangelie en de beginselen van het Christendom, dat Jezus is de Christus, de Profeet, die in de wereld komen zou. Het eerste bericht hiervan zal geredelijk omhelsd zijn door iemand, die zo machtig was in de Schrift als Apollos geweest is, en die dus de tekenen der tijden verstond. Hij was onderwezen, katêchêmenos -hij was gecatechiseerd, zoals de betekenis is van het woord, hetzij door zijne ouders, of door leraren, hem was iets geleerd van Christus en van den weg der zaligheid door Hem. Zij, die anderen moeten onderwijzen, behoren eerst zelf in het woord des Heeren onderwezen te zijn, niet slechts om er over te spreken, maar om er in te wandelen. Het is niet genoeg, dat onze mond gestemd is naar het woord des Heeren, maar onze voeten moeten ook in den weg des Heeren worden geleid.
4. Hij wist echter alleenlijk den doop van Johannes. Hij was onderwezen in het Evangelie van Christus, zo ver de bediening van Johannes hem daarin brengen kon, maar niet verder. Hij wist het bereiden van den weg des Heeren, door die stem des roependen in de woestijn, veeleer dan den weg des Heeren zelf. Wij moeten wel geloven, dat hij van den dood van Christus had gehoord en van Zijne opstandíng, maar hij was niet in de verborgenheid er van ingeleid, hij heeft gene gelegenheid gehad om, sedert de uitstorting des Heiligen Geestes, met een der apostelen te spreken, of wellicht was hij zelf slechts met den doop van Johannes gedoopt, maar niet met den Heiligen Geest, zoals de discipelen op het Pinksterfeest.
II. Wij zien hier hoe hij te Efeziërs zijne gaven gebruikte. Hij kwam daar, gelegenheid zoekende om goed te doen en goed te ontvangen, en beide gelegenheden heeft hij gevonden.
1. Hij heeft er in het openbaar een zeer goed gebruik gemaakt van zijne gaven. Hij kwam er, waarschijnlijk aanbevolen aan de synagoge der Joden als een man, die zeer geschikt en bekwaam was om een leraar te zijn, en naar het licht, dat hij had, en naar de mate der gave, die hem gegeven was, was hij bereid om gebruikt te worden, vers 25. Vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken des Heeren. Hij had de wondergaven niet van den Geest, zoals de apostelen die hadden, maar hij gebruikte de gaven, die hij had, want de openbaring des Geestes, in welke mate dan ook, is gegeven tot hetgeen oorbaar is, of om er nut mede te doen. En onze Heiland heeft door ene gelijkenis Zijnen dienstknechten willen leren, dat zij, slechts een talent bezittende, dat ene talent toch niet moeten begraven. Wij hebben gezien, dat Apollos begaafd was met een goed hoofd en ene goede tong, hij was een welsprekend man, en hij was machtig in de Schriften, hij had een goed fonds van nuttige kennis, en ene uitnemende gave om haar mede te delen. Laat ons nu zien wat hij nog verder bezat, dat hem als prediker kon aanbevelen, en zijn voorbeeld wordt allen predikers ter navolging voorgesteld:
a. Hij was een opgewekt, liefdevol prediker, gelijk hij een goed hoofd had, zo had hij ook een goed hart, hij was vurig van geest, hij had veel Goddelijk vuur in zich, zowel als Goddelijk licht, hij was brandende, zowel als schijnende. Hij was vol van ijver voor de ere Gods en de zaligheid van kostelijke zielen. Dit bleek zowel in zijne bereidvaardigheid om te prediken toen hij door de oversten der synagoge daartoe geroepen werd, als in de vurigheid, waarmee hij predikte, hij predikte als iemand wie het ernst is, en wiens hart in zijn werk is. Welk ene gelukkige vereniging van gaven en hoedanigheden! Velen zijn vurig van geest, maar zwak in kennis, in kennis der Schrift, hebben ver te zoeken om juiste woorden te vinden, en zijn vol van onjuiste uitdrukkingen, en, van den anderen kant: velen zijn welsprekend genoeg, en zijn machtig in de Schriften, en geleerd, en oordeelkundig, maar hun ontbreekt leven en vurigheid. Hier was een volkomen, een volmaakte mens Gods, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust, welsprekend en vurig van geest, vol van Goddelijke kennis en van Goddelijke liefde.
b. Hij was een naarstig, werkzaam prediker, hij sprak en leerde naarstiglijk. Hij gaf zich moeite voor zijne prediking, zijne redenen waren doorwrocht, hij heeft Gode en der synagoge niet aangeboden wat niets kostte, wat hem niets kostte. Hij heeft het eerst op zijn eigen hart gewerkt, en toen heeft hij gearbeid om hetgeen hij predikte op het hart zijner hoorders te laten werken. Hij leerde naarstiglijk, akriboos, nauwkeurig, juist, alles wat hij zei was wèl overwogen.
c. Hij was een Evangelisch prediker, hij wist alleenlijk den doop van Johannes, maar dit was het begin van het Evangelie van Christus, en daaraan hield hij zich, want hij leerde de dingen des Heeren, des Heeren Christus, de dingen, welke strekten om den weg voor Hem te bereiden, en Hem te verheffen. De dingen, belangende het koninkrijk van den Messias, waren de onderwerpen, die hij uitkoos om er bij te verwijlen, op aan te dringen in zijne prediking, niet de dingen der ceremoniële wet, hoewel dezen zijne Joodse hoorders zouden behagen, niet de dingen, betreffende de Heidense filosofie, hoewel hij daarover zeer goed had kunnen spreken, maar de dingen des Heeren.
d. Hij was een kloekmoedig prediker, hij begon vrijmoediglijk te spreken in de synagoge, als een, die zijn betrouwen op God hebbende gesteld, het aangezicht der mensen niet vreesde. Hij sprak als een, die de waarheid kende van hetgeen hij zei, en er niet aan twijfelde, en die de waardij kende van hetgeen hij zei, en niet schroomde om er voor te lijden, in de synagoge, waar de Joden niet slechts tegenwoordig waren, maar macht hadden, dáár predikte hij de dingen Gods, waartegen zij, naar hij wist, bevooroordeeld waren.
2. Hij heeft daar zijne gaven zeer doen toenemen, niet zo zeer door studie, als wel door gesprekken met Aquila en Priscilla. Indien Paulus, of een ander apostel, of evangelist, zich te Efeziërs had bevonden, zouden zij hem onderwezen hebben, bij gebrek aan betere hulp, leiden Aquila en Priscilla (die tentenmakers waren) hem den weg Gods bescheidenlijker, dat is: nauwkeuriger uit. Merk op:
A. Aquila en Priscilla hoorden hem prediken in de synagoge. In kennis was hij verre weg hun mindere, daar hij echter zo uitnemende gaven had voor den openbaren dienst, hebben zij hem in zijne bediening aangemoedigd door hem voortdurend en oplettend te horen. Aldus behoren jonge leraren, van wie men goede verwachtingen kan koesteren, ondersteund te worden door ervarene Christenen, want het betaamt hun alle gerechtigheid te vervullen.
B. Bevindende, dat zijne kennis van het Christendom gebrekkig was, namen zij hem tot zich, om in hetzelfde huis met hen te wonen, en legden hem den weg Gods, den weg der zaligheid door Jezus Christus, nauwkeuriger uit. Zij hebben in het gebrekkige, dat zij in hem ontdekten, gene aanleiding gevonden, hetzij om zelven hem te minachten, of hem bij anderen te verkleinen. Zij zeiden van hem niet, dat hij een jonge, onbekookte prediker was, ongeschikt om op den kansel te komen, maar namen de ongunstige omstandigheden in aanmerking, waarin hij verkeerde, daar hij slechts den doop van Johannes wist. En daar zij nu zelven door hun grote bekendheid met Paulus, en den vertrouwelijken omgang, dien zij met hem hebben gehad, grote kennis van de waarheden des Evangelies hadden verkregen, hebben zij wat zij wisten hem meegedeeld, en hem een helder, duidelijk en geregeld bericht gegeven van die dingen, van welke hij slechts een vaag of verward denkbeeld had.
a. Zie hier een voorbeeld van hetgeen Christus beloofd had, nl. dat aan wie heeft, gegeven zal worden, wie heeft, en wat hij heeft gebruikt, zal meer hebben. Hij, die naarstig handel deed met het talent, dat hij had, heeft het snel verdubbeld. b. Zie hier een voorbeeld van ware Christelijke liefde in Aquila en Priscilla, zij deden goed naar hun vermogen. Hoewel Aquila een man van grote kennis was, heeft hij het toch niet op zich genomen om in de synagoge te prediken, omdat hij niet zulke gaven had voor openbaren arbeid als Apollos, maar hij voorzag Apollos van de stof, de denkbeelden, en liet het dan aan hem over om ze in gepaste bewoordingen te brengen. Jonge Christenen en jonge leraren, die het goed menen met hun roeping en hun arbeid, voor zover hun gaven reiken, ook goed volbrengen, te onderwijzen, is een goed werk, waardoor aan hen, en aan de gemeente een zeer goede dienst bewezen wordt.
c. Zie hier een voorbeeld van grote nederigheid in Apollos. Hij was een zeer ontwikkeld jongeling, had grote gaven en geleerdheid, vers van de universiteit, een populair prediker, wiens roem overal verkondigd werd, iemand, die, zoals wij zeggen, veel toeloop had, en toch was hij, bevindende, dat Aquila en Priscilla, hoewel eenvoudige ambachtslieden, arme tentenmakers, toch verstandige, ernstige Christenen waren, die verstandig en bevindelijk van de dingen Gods konden spreken, zeer verheugd onderricht van hen te ontvangen, zich door hen te laten aantonen waarin hij dwaalde of tekort kwam, en zijne dwalingen door hen terechtgewezen te zien. Jonge geleerden kunnen zeer veel winnen door omgang en gesprekken met oude Christenen, zoals jonge studenten in de rechtsgeleerdheid veel kunnen leren van oude en ervarene praktizijns. Hoewel Apollos onderwezen was in den weg des Heeren, is hij toch bij die verkregene kennis niet blijven staan, ook heeft hij niet gedacht, dat hij het Christendom evengoed begreep als ieder ander (zoals verwaande jonge lieden dit dikwijls van zich zelven denken) maar wilde zeer gaarne, dat hem de weg Gods nauwkeuriger uitgelegd zou worden. Zij, die veel weten, moeten begeren meer te weten, en wat zij weten, beter te weten, om alzo tot de volmaaktheid voort te varen.
d. Hier is een voorbeeld van ene goede vrouw, die, hoewel het haar niet vergund is in de kerk, of in de synagoge, te spreken, toch in hare bijzondere gesprekken goed doet met de kennis, die zij van God heeft ontvangen. Paulus wil, dat de oude vrouwen leraressen zijn van het goede, Titus 2:3, 4.
III. Hier is zijne bevordering tot den dienst van de gemeente te Corinthe, waar ene ruimer sfeer van werkzaamheid voor hem was, dan te Efeziërs. Paulus had in Achaje, en inzonderheid te Corinthe, de raderen in beweging gebracht. Velen waren door zijne prediking opgewekt om het Evangelie aan te nemen, en het was hun nodig er in bevestigd te worden, en velen waren ook geprikkeld om het Evangelie tegen te staan, en dezen moesten weerlegd en tot zwijgen gebracht worden. Paulus was heengegaan, tot anderen arbeid geroepen zijnde, en nu was er door deze vacature ene goede gelegenheid voor Apollos om te beginnen, daar hij meer geschikt was om nat te maken, dan om te planten, hen te stichten, die reeds binnen zijn, dan in te brengen, die nog buiten waren. Nu hebben wij hier:
1. Zijne roeping tot dezen dienst, niet door een gezicht, zoals waardoor Paulus naar Macedonië geroepen werd, ja zelfs niet door de uitnodiging van hen, tot wie hij gaan zou, maar:
a. Hij zelf was geneigd er heen te gaan, hij wilde naar Achaje reizen. Van den toestand der gemeenten aldaar gehoord hebbende, wenste hij te beproeven, of hij er goed kon doen. Ofschoon daar mannen waren met uitnemende geestelijke gaven, dacht Apollos toch, dat er ook voor hem werk kon zijn, en God neigde zijn hart hiertoe. b. Zijne vrienden moedigden hem aan er heen te gaan, en keurden zijn voornemen goed. Daar hij er nu volkomen vreemd was, gaven zij hem een getuigenis, of brieven van aanbeveling, de discipelen in Achaje vermanende hem te ontvangen en in den dienst te gebruiken. Op deze wijze, onder anderen, wordt de gemeenschap der kerken onderhouden, nl. door elkaar leden en leraren aan te bevelen, wanneer leraren, zoals Apollos hier, geneigd zijn naar elders heen te gaan. Hoewel zij te Efeziërs een groot verlies leden door zijn arbeid onder hen te moeten missen, hebben zij de gemeenten in Achaje er het nut en voorrecht van niet misgund, integendeel, zij maakten gebruik van hun invloed om hem bij hen in te leiden, want hoewel de kerken van Christus vele zijn, zijn zij toch een.
2. Zijn welslagen in dezen dienst, dat zowel aan zijne bedoeling als aan zijne verwachting heeft beantwoord, want:
a. De gelovigen werden zeer gesticht, en zij, die het Evangelie hadden aangenomen, werden zeer bevestigd, hij heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden door de genade. Zij, die in Christus geloven, geloven door genade, het is niet uit hen zelven, het is Gods gave aan hen, het is Zijn werk in hen. Zij, die geloven door genade, hebben toch nog hulp nodig. Zolang zij nog hier in deze wereld zijn, zijn er nog overblijfselen van ongeloof, ontbreekt er nog iets aan hun geloof, en moet het werk des geloofs nog vervolledigd worden. Getrouwe leraren kunnen op velerlei wijzen hun behulpzaam zijn, die door genade geloven, en het is hun plicht, hun roeping om hen te helpen, hen veel te helpen, en als dan Gods kracht hun pogingen vergezelt, dan zullen zij hun ook grotelijks behulpzaam wezen.
c. De ongelovigen werden beschaamd, hun tegenwerpingen werden volkomen weerlegd, hun dwaasheid en valse redeneringen aangetoond, zodat zij niets te zeggen hadden ter verdediging van hun tegenstand tegen het Evangelie, hun mond was gestopt en hun aangezicht beschaamd, vers 28, hij overtuigde de Joden met groten ernst in het openbaar, voor het volk. Hij deed het eutonoos, ernstig, met grote kracht, hij gaf er zich veel moeite toe, hij had er zijn hart op gezet, als een, die waarlijk begerig was beide om de zaak van Christus te dienen, en de zielen der mensen te behouden, hij deed het krachtdadiglijk en tot ieders voldoening, hij deed het levi negotio, met gemakkelijkheid, de zaak was zo duidelijk, en de argumenten voor Christus zo sterk, dat het ene gemakkelijke taak was, om alles wat de Joden er tegen konden zeggen glansrijk te wederleggen, hun argumenten, als het ware, te vernietigen, hoewel zij zo woest en zo woedend waren in hun tegenstand, heeft hij dien als niets geacht, gemakkelijk omvergeworpen, omdat hun zaak, en hun verdediging er van zo zwak waren. Waar hij hen van wenste te overtuigen was, dat Jezus is de Christus, dat Hij de Messias is, beloofd aan de vaderen, die komen zou, en dat zij geen anderen moesten verwachten. Indien de Joden hier slechts van overtuigd waren, nl, dat Jezus de Christus is, dan zal hun eigene wet hun leren, hun gebieden, Hem te horen. Wat de Evangeliedienaren te doen hebben is Christus te prediken: wij prediken niet ons zelven, maar Christus Jezus den Heere. De wijze waarop hij hen trachtte te overtuigen, was door de Schriften, daaraan ontleende hij zijne argumenten, want de Joden erkenden het Goddelijk gezag der Schriften, en voor hem, die machtig was in de Schriften, was het gemakkelijk, om er uit aan te tonen, dat Jezus is de Christus. De Evangeliedienaren moeten niet alleen in staat wezen de waarheid te prediken, maar ook haar te bewijzen en te verdedigen, en de tegensprekers in zachtmoedigheid, maar toch ook met kracht, te overtuigen, hen, die tegenstaan, onderwijzende, en dat is wezenlijk de gemeente dienen.