2 Corinthiërs 5:12-15
Merk hier op:
I. De apostel verdedigt zich en zijn medearbeiders tegen den schijn van zich zelven te prijzen, vers 12, en zegt hun:
1. Het was niet om zich zelven te prijzen of voor hun eigen belang, dat hij in de vorige verzen gesproken had van hun getrouwheid en ijver, ook bedoelde hij niet hun goede gedachte over hem te verdenken. Maar:
2. De ware reden was deze: hij wilde hun een verweermiddel geven om zijn beschuldigers te kunnen antwoorden, die ijdele eer najoegen en alleen in het aangezicht roemden, hij wilde hun een oorzaak van roem over hem geven, opdat ze zich verdedigen konden tegen hun tegenstanders. Het is de beste verdediging van de dienaren des Woords, wanneer zij belasterd en gesmaad worden, indien de mensen kunnen zeggen dat het Woord in hun gewetens geopenbaard is, en nuttig geweest is voor hun bekering en stichting.
II. Hij geeft goede redenen op voor hun groten ijver en toewijding. Sommigen van Paulus tegenstanders hadden, naar het schijnt, hem zijn ijver en vurigheid verweten alsof hij een krankzinnige ware, of in de taal onzer dagen: een dweper. Zij schreven het alles toe aan dweepzucht, gelijk de Romeinse rechter hem toevoegde: Uw grote geleerdheid brengt u tot razernij, Hand 26:24. Maar de apostel zegt hun:
1. Dat het voor de ere Gods en het welzijn der gemeente was, dat hij zo ijverig werkzaam was. Hetzij wij uitzinnig zijn of hetzij wij gematigd van zinnen zijn (hetzij wij volgens uw gedachten het een of het ander zijn) wij zijn het Gode, en tot Zijn eer, en wij zijn het ulieden, om uw welzijn te bevorderen, vers 13. Hetzij zij de grootste vurigheid en voortvarendheid op sommige tijden betoonden, hetzij zij bij andere gelegenheden de grootste kalmte in strenge redeneringen openbaarden, het was alles met de beste bedoeling, en in beide gevallen hadden zij goede redenen voor hetgeen zij deden. Want:
2. De liefde van Christus drong hen, vers 14. Zij hadden de heerlijkste en sterkste drangreden voor hun handelen. De liefde is de sterkste aansporing van dienaren en van alle Christenen, tot hun plicht. Onze liefde tot Christus heeft die kracht, en Christus' liefde voor ons, die Hij betoonde door voor ons in den dood te gaan, zal dezelfde uitwerking op ons hebben, indien ze wèl beschouwd en beoordeeld wordt. Want merk op hoe de apostel de redelijkheid van dezen drang der liefde handhaaft, door aan te tonen:
A. Wat wij vroeger waren en hadden moeten blijven, indien Christus niet voor ons gestorven ware. Wij waren dood. Indien een voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven, gestorven voor de wet, onder het vonnis des doods, dood in zonden en misdaden, geestelijk dood. Dat was de betreurenswaardige toestand van allen, voor welken Christus gestorven is, zij waren verloren, dood, verwoest, en hadden dat eeuwig moeten blijven indien Christus niet voor hen gestorven ware. B. Wat zij behoren te doen, voor wie Christus stierf. Zij moeten Hem leven. Dat was wat Christus bedoelde, dat zij die leven, die door God door middel van Zijn dood levend gemaakt zijn, zouden leven dien, die voor hen gestorven en opgewekt is, en dat zij niet meer zich zelven zouden leven, vers 15. Wij mogen niet ons zelven, maar Christus, tot het doel van ons leven en onze daden stellen, het was het doel van Christus om door Zijn dood ons te genezen van onze zelfzucht, en ons altijd op te wekken om te handelen onder den onweerstaanbaren invloed van Zijne liefde. Het leven van den Christen moet Christus gewijd zijn, en eerst dan leven wij gelijk het behoort, wanneer wij leven voor Christus, die voor ons stierf.