Maleachi 4:4-6
Ongetwijfeld wordt met deze woorden bedoeld, een plechtig slot te geven niet alleen aan deze profetie, maar ook aan de gehele kanon des Ouden Testaments. Duidelijk blijkt hieruit, dat geen openbaring noch goddelijk geschrift, niets meer van de Geest van de profetie te wachten was, tot op de dag, dat de Messias Zijn Evangelie zou verkondigen, waardoor dus de Apocriefen buiten de heilige kanon geplaatst werden, gelijk de Joden ze dan ook nooit als Heilige Schrift hebben erkend.
Nu de profetie ophoudt en op het punt staat verzegeld te worden, werden van Gods volk, dat toen leefde, twee dingen geëist, en wel:
I. Zij moeten diepe eerbied blijven koesteren voor de wet van Mozes, vers 4. Gedenkt de wet van Mozes, Mijn knecht en onderhoudt die, de wet, die Ik hem bevolen heb op Horeb aan gans Israël, de inzettingen en rechten niet enkel de wet van de tien geboden, maar alle morele en ceremoniële voorschriften, die Ik toen door hem heb geboden.
Merk op,
1. De eervolle vermelding, die hier van Mozes wordt gemaakt, de eerste Bijbelschrijver des Ouden Testaments, door Maleachi, de laatste. God noemt hem door Maleachi Mijn knecht want de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn. Zie, hoe de schrijvers van de Schrift, ofschoon ze in verschillende eeuwen geleefd hebben en door vele eeuwen van elkander gescheiden zijn (meer dan twaalf honderd jaren waren er tussen Mozes en Maleachi verlopen) allen in een zaak overeenstemmen en elkaar daarin steunen, dat ze allen door dezelfde Geest werden bezield en geïnspireerd.
2. De eervolle vermelding van Mozes' wet, als hetgeen God zelf had bevolen. Hij erkent ze als Zijn wet, die hij aan gans Israël had bevolen, als de volkswet voor Zijn koninkrijk. Zo maakt God Zijn wet groot en eert die. Wij moeten de wet onderhouden, omdat God ze geboden en ons geboden heeft, want wij zijn Zijn geestelijk Israël. En indien wij de zegen van het verbond met Israël, Hebreeën 8:10, verwachten, moeten wij ook de inzettingen onderhouden, die Israël gegeven waren, namelijk die tot eeuwige onderhouding waren geboden.
3. De somma van onze plicht, met betrekking tot de wet. Wij moeten haar gedenken. Vergeten van de wet ligt ten grondslag aan alle overtreding, als wij haar steeds gedachtig waren, zouden wij ook immer dienovereenkomstig handelen. Wij moeten haar gedenken, wanneer daartoe aanleiding bestaat, haar voorschriften gedenken en de zegen, daaraan verbonden. De taak van de consciëntie is, dat ze ons aanspoort, de wet te gedenken. Maar waarom vindt het gebod, van de wet van Mozes te gedenken, hier een plaats?
a. Deze profeet heeft zijn volk bestraft om grove overtredingen, beide in hun wandel en hun godsverering, en om tot reformatie te komen, behoeft hij alleen te herinneren aan de wet van Mozes: "houdt die en gij volbrengt al wat ge te doen hebt." Hij legt hun geen anderen last op dan wat zij ontvangen hebben, hetgeen gij hebt, houdt dat" Openbaring 2:24, 25. Zie, afgedwaalde kerken moeten volgens het geschreven woord hervormd worden, en zich leren schikken naar de wet en de getuigenis, 1 Corinthiers 11:23. b. De kerk had lange tijd de zegen van de profetieën genoten, de zegen van de buitengewone gezanten Gods, en nu hadden zij een geheel boek vol profetieën, een afgewerkt stuk. Ze moesten nu niet denken, dat daardoor de wet van Mozes opgeheven en uit de tijd geraakt was, alsof zij nu tot een hoger trap van godsdienst waren opgeklommen, en de oude afgedaan had. Neen de profeten doen niets dan de wet bevestigen en toepassen en derzelver waarneming op het hart binden, derhalve: gedenkt van de wet van Mozes. Zie, zelfs wanneer wij belangrijke vorderingen in kennis hebben gemaakt, moeten wij de eerste beginselen niet vergeten noch die verzaken. Zij, die de geschriften van de profeten en de Openbaring van Johannes bestuderen, moeten de wet van Mozes en de vier Evangeliën toch ook gedenken.
c. De profetie zou nu in de kerk enige eeuwen rusten, en de Geest van de profetie niet weer ontwaken voor het begin des Evangelies, laat hen intussen de wet van Mozes gedenken, zich voegen naar haar voorschriften en rekenen op haar beloften. Zie, zolang wij het geschreven Woord bezitten behoeven wij niet te klagen over gebrek aan gezichten en openbaringen. Wij hebben de ganse Schrift om ons te onderwijzen, want dit is het zeer vaste woord van de profetie en de toetssteen, waaraan wij de geesten moeten beproeven. Al hebben wij geen profeten, zolang wij Bijbels bezitten, kunnen wij gemeenschap met God hebben en in Zijn weg blijven.
d. Zij hadden de komst van de Messias, de prediking van Zijn Evangelie en de stichting van Zijn koninkrijk te verwachten, en intussen hadden ze zich te houden aan de wet van Mozes en derzelver voorschriften op te volgen, dan mochten zij de zegen en de troost verwachten, die het Evangelie van Christus zou aanbrengen, want die heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben.
II. Zij moesten gelovig blijven uitzien naar het Evangelie van Christus, en, daaraan voorafgaande, naar de verschijning van de profeet Elia, vers 5, 6. Ziet, Ik zende ulieden de profeet Elia. Ofschoon de Geest van de profetie voor een tijd zwijgen zou en hun alleen de wet overblijven om geraadpleegd te worden. toch zou die Geest herleven in enen, die voor de Christus zou heengaan in de geest en de kracht van Elia, Lukas 1:17. De wet en de profeten zouden zijn tot op Johannes, Lukas 16:16, om de enige lichten te zijn, totdat de Morgenster zou opgaan. Zie, God heeft Zich nooit in de wereld onbetuigd gelaten, nog minder in de kerk, maar het licht van de goddelijke openbaring al helderder en helderder laten schijnen tot de volkomen dag. Zij hadden vooreerst nog Mozes en de profeten, om die te horen, maar God zal verder gaan en hun de profeet Elia zenden.
Merk op
1. Wie de profeet is, die gezonden zal worden: Elia. De Joodse doctoren meenden, dat het dezelfde Elia zou zijn, die in de dagen van Achab geleefd en geprofeteerd had, die zou andermaal komen als de voorloper van de Messias, anderen evenwel dachten aan een ander persoon, maar bezield met dezelfde geest. Die verschillende gevoelens komen uit, naar het schijnt, in de vraag aan Johannes de Doper: "Zijt gij Elias? Zijt gij de Profeet," Johannes 1:19-21, die die naam dragen zou? Wij, Christenen, echter, weten zeer wel, dat Johannes de Elia is geweest, die komen zou, Mattheus 17:10-13, en zeer nadrukkelijk, Mattheus 11:14, dezelfde, van wie geschreven staat: Ziet, Ik zende Mijn engel, Hoofdstuk 3:1. Elia was een man van grote strengheid en zelfverloochening, vol ijver voor God, stout in het bestraffen van de zonde en werkzaam in het terugvoeren van een afvallig volk tot God en zijn plicht: Johannes de Doper werd door diezelfde geest en kracht bezield en predikte bekering en geloof, gelijk Elia gedaan had, Johannes' doop was van de hemel en niet uit de mensen. Zie, wanneer God zulk werk te doen heeft, als vroeger gedaan was, kan en zal Hij zulke mannen verwekken om dat te volbrengen als Hij tevoren had verwekt, en een Johannes vervullen met de geest en de kracht van Elia.
2. Wanneer hij zou gezonden worden: voor de verschijning van de Messias, die, omdat dit de ondergang van deze wereld en het einde van de Joodse kerk zou betekenen, hier genoemd wordt de komst van die grote en vreselijke dag des Heren. Johannes waarschuwt daarvoor openlijk, wanneer hij spreekt van de toekomende toorn, die vreselijke toorn, die haast komen zou, en wijst een weg ter ontkoming aan, door te zeggen, dat Christus een wan in Zijn hand heeft om Zijn dorsvloer te doorzuiveren, Mattheus 3:7, 10, 12. Die dag van Christus, toen Hij voor de eerste maal kwam, was als de dag, wanneer Hij zal wederkomen, ofschoon een grote en heerlijke dag voor die Hem liefhebben, toch een grote en vreselijke dag voor degenen, die zich tegen Hem stellen. Johannes de Doper werd gezonden voor de komst van die dag, om het volk daarvoor te waarschuwen, opdat zij het naderend verderf ontgaan en zich bijtijds in veiligheid stellen mochten.
3. Wat zijn opdracht zal zijn. Hij zal het hart van de vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart van de kinderen tot hunne vaderen, dat is: hij zal tot dat werk gebruikt worden. Hij zal het beproeven, zijn leer en doop zullen daarop doelen en bij velen met goed gevolg. Hij zal een werktuig zijn in Gods hand om "velen van de kinderen Israëls te bekeren tot de Here, hun God, en de Here bereiden een toegerust volk," Lukas 1:16, 17. Zie, zielen tot God en hun plicht te bekeren is de beste voorbereiding voor de grote en vreselijke dag des Heren. Aangaande Johannes wordt beloofd,
a. Dat hij verandering zal teweegbrengen, met kracht stand houden tegen de sterke stroom van zonde en goddeloosheid die hij onder de kinderen zijns volks vond, alles medeslepende. Dit heet alles weder oprichten, Mattheus 17:11, het weder op zijn plaats brengen en in de rechte bedding overleiden.
b. Dat hij een leer zal prediken, die `s mensen hart zal treffen, invloed uitoefenen en een verandering in hem werken. Gods woord zal, in zijn mond levend en krachtig zijn, een oordeler van de gedachten en van de overleggingen des harten. Veler consciëntie is door zijn prediking wakker geschud, die in sluimer verzonken waren, zodanig waren de geest en de kracht, die in hem woonden.
c. Dat hij het hart van de vaderen tot de kinderen zou wederbrengen, en het hart van de kinderen tot (sommigen lezen: met) de vaderen, samen tot God en hun plicht. Hij zal ouden en jongen oproepen tot bekering en niet vergeefs arbeiden, want vele vaders, die oud werden, en vele kinderen, die opgroeiden, zou hij door zijn bediening winnen.
d. Zo zou hij een werktuig zijn om liefde en eenheid in de huisgezinnen en de familiën te hervatten en ze inniger saam te binden, door allen te zamen nauwer met hun God te verenigen. Hij zou de weg bereiden voor het koninkrijk der hemelen, dat al zijn getrouwe onderdanen een hart en eene ziel zou maken, Handelingen 4:32, een koninkrijk van liefde, waaruit alle vijandschap gebannen wordt.
4. Tot dat doel zal hij worden uitgezonden, opdat Ik niet kome en de aarde met de ban sla, dit is het land Israël, het lichaam van de Joodse kerk (die uit de aarde aards was). Door hun goddeloosheid en onbekeerlijkheid hadden de Joden zich Gods vloek op de hals gehaald, die een overgeven aan alle kwaad in zich sluit. God stond gereed, hen met die ban te slaan, dan eindelijke, gehele ondergang over hen te brengen, hen te doden om die vloek. Maar nog eenmaal wil Hij beproeven, of zij zich bekeren en geloven en zo alle vloek afwenden willen, daarom zendt Hij hun Johannes de Doper om hun bekering en vergeving van de zonden te prediken, om hun verderf te voorkomen. zo traag was God om hen te verderven, zo ras om Zijn toorn af te keren. Wanneer zij zich als een man hadden bekeerd en geloofd, het gewenste gevolg ware niet uitgebleven. Maar nu zij eenparig de raad Gods in Johannes' zending hebben verworpen, Lukas 7:30, staat daar dit getuigenis tegen hen zelf, de vloek is over hen gekomen, en daaronder liggen zij tot op deze dag. Zie, zij hebben reden te verwachten, dat ze door het zwaard zullen verslagen worden, die zich niet keren tot Die, die hen slaat en de Here der heirscharen niet zoeken, Jesaja 9:13. nu is de bijl alrede aan de wortel van de bomen gelegd Mattheus 3:10, zegt Johannes de Doper, zij staan op het punt, uitgehouwen en in het vuur geworpen te worden, daarom brengt vruchten voort, de bekering waardig, Sommigen merken op, dat het laatste woord van het Oude Testament een vloek is, die over het ganse land zal uitgaan, Zacheria 5:3. Wij moeten verstaan, dat wij daaronder begrepen zijn, tenzij we Christus aannemen. Die met Zijn zegen komt, met de uitgelezenste zegeningen, waarmede het Nieuwe Testament besluit, en waarmede wij ons tegen die vloek wapenen moeten, of liever: door God laten wapenen. De genade onzes Heren Jezus Christus zij met ons allen, Amen.