Handelingen 11:1-18
De prediking van het Evangelie aan Cornelius is iets, waarover wij, arme zondaren uit de Heidenen, reden hebben om er met blijdschap en dankbaarheid over na te denken, want het was het brengen van licht tot ons, die in duisternis zaten. Daar het nu aan de gelovige, zowel als aan de ongelovige Joden, zo groot ene verwondering baarde, is het wel der moeite waardig om na te gaan, hoe die tijding door hen werd opgenomen, en welke uitlegging men er aan gaf. En hier bevinden wij:
I. Dat de tijding er van terstond tot de gemeente te Jeruzalem en de omliggende plaatsen gebracht werd, want Cesarea was niet zo ver van Jeruzalem, of men kon er daar terstond van horen. Sommigen uit welwillendheid en anderen uit kwaadwilligheid, hebben er het gerucht van verspreid, zodat, voor Petrus nog zelf naar Jeruzalem was teruggekeerd, de apostelen en de broederen aldaar, en die in Judea waren, hebben gehoord, dat ook de Heidenen het woord Gods aangenomen hebben, dat is: het Evangelie van Christus, dat niet slechts een woord Gods is, maar het woord Gods is, want het is de hoofdsom en het middelpunt van alle Goddelijke openbaring. Zij ontvingen Christus want Zijn naam wordt genoemd: het woord Gods, Openbaring 19:13. Niet alleen, dat de Joden, die verstrooid waren in Heidense landen, en de Heidenen, die tot den Joodsen Godsdienst waren bekeerd, maar dat ook de Heidenen zelven, met wie het tot nu toe ongeoorloofd was omgang te hebben, tot de gemeenschap der kerk waren toegelaten, dat zij het woord Gods hadden aangenomen, dat is:
1. Dat het woord Gods hun gepredikt was, waarmee hun ene grotere eer bewezen was, dan zij verwachtten. Maar het verwondert mij, dat dit vreemd scheen aan hen, aan wie zelven opgedragen was het Evangelie te prediken aan alle creaturen. Maar aldus gebeurt het dikwijls, dat men vasthoudt aan de vooroordelen van hoogmoed en bijgelovigheid ook tegen de helderste openbaringen in van de waarheid Gods.
2. Dat zij het hadden aangenomen en er zich aan hadden onderworpen, hetgeen een beter werk in hen gewrocht was, dan zij verwachtten. Waarschijnlijk hadden zij het denkbeeld opgevat, dat, al zou ook het Evangelie den Heidenen gepredikt worden, dit toch tot niets zou leiden, omdat de bewijzen van het Evangelie zo veel aan het Oude Testament ontleend waren, dat door de Heidenen niet aangenomen was. Zij beschouwden hen als niet geneigd tot Godsdienst, en als weinig vatbaar voor de indrukken er van, daarom waren zij verrast te horen, dat zij het woord des Heeren hadden aangenomen. Wij zijn veel te veel geneigd om er aan te wanhopen diegenen goed te doen, die toch als de proef met hen genomen wordt, zeer leerzaam en handelbaar blijken te zijn.
II. Dat de gelovige Joden er aanstoot aan namen, vers 2, 3. Toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren, de Joodse bekeerlingen, die nog eerbied bleven koesteren voor de besnijdenis. Zij rekenden het hem aan als ene misdaad, dat hij ingegaan was tot mannen, die de voorhuid hebben, en met hen heeft gegeten, en daarmee, denken zij, heeft hij de ere van zijn apostelschap bevlekt, zo al niet verbeurd, en behoorde hij onder de censuur der gemeente te komen, zo ver was het van hen, te denken, dat hij onfeilbaar was, of hem als het hoofd der gemeente te beschouwen, aan wie allen rekenschap schuldig waren, en hij zelf aan niemand. Zie hier: 1. Hoe zeer het het verderf en nadeel der kerk is haar te monopoliseren, en diegenen uit te sluiten van haar en van het voorrecht van de middelen der genade, die niet in alles zijn zoals wij. Er zijn enghartige zielen, die zich meester willen maken van de schatten der kerk, zoals er zijn, die zich meester willen maken van de schatten der wereld, en alleen inwoners gemaakt willen worden in het midden des lands. Deze mannen waren van Jona's geest en gezindheid, die in ijver voor zijn volk, er zich om vertoornde, dat de Ninevieten het woord Gods hadden aangenomen, en er zich in rechtvaardigde.
2. Christus' dienstknechten moeten het niet vreemd vinden, als zij gelaakt worden, en als er met hen wordt getwist, niet slechts door hun verklaarde vijanden, maar door hen, die belijden hun vrienden te zijn, en niet alleen om hun dwaasheden en tekortkomingen, maar ook om hun goede daden, die zij goed en behoorlijk gedaan hebben, maar als wij ons eigen werk beproefd hebben, dan kunnen wij evenals Petrus, aan ons zelven alleen roem hebben, welke dan ook de afkeurende aanmerkingen onzer vrienden mogen wezen. Zij, die ijverig en kloekmoedig zijn in den dienst van Christus moeten verwachten gelaakt te worden door hen, die onder voorwendsel van voorzichtig te zijn, koud en onverschillig zijn. Zij die katholieke-dat is: algemene-edelmoedige en liefderijke beginselen hebben, moeten verwachten gelaakt te zullen worden door hen, die stijf en verwaand zijn, en die zeggen: Houd u bij u zelven, want ik ben heiliger dan gij.
III. Petrus gaf zulk een volledig en openhartig verslag van de feiten als volstond om, zonder nadere argumenten of verontschuldiging, hem te rechtvaardigen en hen te bevredigen, vers 4. Petrus verhaalde hun de zaak van het begin en legde het hun nader uit, en toen kon hij het gerust aan hen zelven overlaten om te oordelen, of hij verkeerd gedaan had, daar het uit alles bleek, dat het Gods werk was, en niet het zijne.
1. Hij neemt aan, dat zij, indien zij goed begrepen hadden wat er van de zaak was, niet met hem getwist zouden hebben, maar veeleer met hem overeengestemd zouden hebben, en hem lof zouden hebben toegekend. En het is ene goede reden, waarom wij gematigd moeten zijn in ons te kennen geven van afkeuring en er spaarzaam mede moeten wezen, dat, als wij goed begrepen wat wij zo geneigd zijn af te keuren, wij wellicht oorzaak zouden vinden, om er mede in te stemmen. Als wij anderen iets zien doen, dat ons verdacht voorkomt, behoren wij, in plaats van met hen te twisten, hun te vragen op welken grond zij het doen, en als wij daar de gelegenheid niet toe hebben, dan moeten wij er de beste uitlegging van geven, die mogelijk is, en geen ontijdig oordeel vellen.
2. Hij wil zeer gaarne goed aangeschreven staan bij hen, en hij doet moeite om hen te bevredigen. Hij zegt niet, dat hij het hoofd is van de apostelen, want hij is verre van te denken aan die oppermacht, waarop zijne zogenaamde opvolgers aanspraak maken. Hij dacht ook niet, dat hij kon volstaan met hun te zeggen, dat hij zelf overtuigd was van het deugdelijke van de reden, waarom hij ging, en dat zij er zich dus niet mede behoeven te bemoeien, neen, hij is bereid rekenschap te geven van de hoop, die in hem was, betreffende de Heidenen, en waarom hij van zijne vroegere gevoelens is teruggekomen, die dezelfden waren als die zij koesterden. Wij zijn het aan ons zelven en aan onze broederen verschuldigd, om onze handelingen, die een verkeerd of slecht aanzien hadden en aanstoot gaven in het rechte licht te stellen, opdat wij aldus de struikelblokken van den weg onzer broederen wegnemen. Laat ons nu zien wat Petrus ter zijner verdediging aanvoert. a. Dat hij door een visioen onderricht is geworden, om niet langer de onderscheidingen in stand te houden, die door de ceremoniële wet werden gemaakt. Hij verhaalt het visioen, vers 5, 6, zoals wij het te voren hadden, Hoofdstuk 10:9 en verder. Dáár wordt gezegd, dat het laken neergelaten werd op de aarde, hier zegt hij, dat het tot bij hem kwam, welke omstandigheid aanduidt, dat het bijzonder bedoeld was als lering voor hem. Elke openbaring, die God van zich zelven aan de kinderen der mensen gedaan heeft, moeten wij aldus tot ons zien komen, ze door het geloof op ons zelven toepassen. Er wordt hier nog ene andere bijzonderheid van het visioen aan toegevoegd, namelijk, dat hij, toen het laken tot bij hem kwam, er de ogen op hield, en er over nadacht, vers 6 1). Als wij ingeleid willen worden in de kennis van Goddelijke zaken, dan moeten wij er ons verstand op gericht houden, en er over nadenken. Hij deelt hun de orders mede, die hij ontving, om van alle soorten van spijzen te eten, vers 7, niets ondervragende, om des gewetens wil. Het was pas na den zondvloed (naar het schijnt) dat het den mens vergund was vlees te eten, Genesis 9:3. Die vergunning werd later door de ceremoniële wet beperkt, maar nu werden die beperkingen opgeheven, en de zaak wederom vrij en ruim gelaten. Het was Christus' bedoeling niet om ons in het gebruik van genotmiddelen door enigerlei andere wet te beperken, dan door die van soberheid en matigheid, waarbij wij de spijze, die blijft tot in het eeuwige leven, boven die, welke vergaan, moeten stellen. Hij voert aan, dat hij er even afkerig van was, om met Heidenen om te gaan, of om van hun lekkernijen te eten, als zij het konden wezen, en daarom de vrijheid, die hem was gegeven, had afgewezen: Geenszins. Heere, want nooit is iets, dat gemeen of onrein was, in mijn' mond ingegaan, vers 8, Maar hem werd van den hemel gezegd, dat de zaak nu anders stond, dat God die personen en zaken gereinigd had, die te voren onrein waren, en dat hij ze dus niet langer gemeen moest noemen, noch ze als ongeschikt moest beschouwen voor het bijzondere volk, om er zich mede in te laten, vers 9, zodat hij niet gelaakt kon worden om zijne verandering van denkwijze, daar God zelf de zaak had veranderd. In dingen van dien aard moeten wij handelen naar het licht, dat wij nu hebben, maar niet zo gehecht zijn aan onze mening er over, dat wij er door bevooroordeeld zijn tegen nadere openbaringen, als de zaak toch of anders kan wezen, of anders kan schijnen, en God het ons zou kunnen openbaren, Filippenzen 3:15. En opdat zij er verzekerd van zouden wezen, dat hij er zich niet in bedrogen had, zegt hij hun, dat dit driemaal was geschied, vers 10, hetzelfde gebod werd hem gegeven, te slachten en te eten, en dezelfde reden er voor, dat, hetgeen God gereinigd heeft, niet gemeen mocht genoemd worden, en dit werd voor de tweede en derde maal herhaald. En ten einde hem nog meer te bevestigen in zijne overtuiging, dat het een Goddelijk visioen was, zijn de dingen, die hij gezien heeft, niet verdwenen, of opgelost in de lucht, maar zij werden wederom opgetrokken in den hemel, van waar zij gekomen waren.
b. Dat hem inzonderheid door den Geest bevolen was, om met de boden te gaan, die Cornelius had gezonden. En opdat het zou blijken, dat het visioen bestemd was om hem van die zaak te overtuigen, wijst hij hen op den tijd, toen de boden kwamen-onmiddellijk nadat hij het visioen had, maar opdat hij niet zou menen, dat dit nog niet voldoende was om hem den weg te effenen, gebiedt de Geest hem met de mannen te gaan, die toen van Cesarea tot hem gezonden waren, niet twijfelende, vers 11, 12, hoewel het Heidenen waren, tot wie hij ging, en met wie hij ging, moet hij toch geen gewetensbezwaar hebben om met hen te gaan.
c. Dat hij sommigen van de broederen, die uit de besnijdenis waren, had medegenomen, opdat ook zij, zo goed als hij, overtuigd zouden zijn, en dezen had hij nu ook van Joppe medegebracht, om te getuigen, dat hij met voorzichtigheid is te werk gegaan, daar hij wel voorzag, dat er aanstoot aan genomen zou worden. Hij heeft niet afzonderlijk gehandeld, maar in overeenstemming met hen, niet roekeloos, maar na rijp beraad.
d. Dat Cornelius een visioen had, waarin hem werd bevolen Petrus te ontbieden, vers 13. Dat hij een engel gezien had, die in zijn huis stond en tot hem zei: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus. Zie hoe goed het is voor hen, die gemeenschap oefenen met God, om zich met elkaar te beraden, en elkaar hun ervaringen mede te delen, want hierdoor kunnen zij elkanders geloof versterken, Petrus wordt bevestigd in de waarheid van zijn visioen door het visioen van Cornelius, en Cornelius door dat van Petrus. Hier wordt iets toegevoegd aan hetgeen de engel tot Cornelius zei: te voren was het: Ontbied Simon, deze zal tot u spreken, en u zeggen wat gij doen moet, Hoofdstuk 10:6, 32, maar hier is het: Hij zal woorden tot u spreken, door welke gij zult zalig worden, en al uw huis, vers 14, en daarom is het voor u van het uiterste belang, en zal het u tot een onuitsprekelijk voordeel zijn, om hem te ontbieden. De woorden des Evangelies zijn woorden, door welke wij zalig kunnen worden, eeuwig zalig, niet bloot door ze te horen en te lezen, maar door ze te geloven en er aan te gehoorzamen. Zij stellen ons de zaligheid voor, tonen ons wat zij is. Zij openen ons den weg der zaligheid, en indien wij de methode volgen, die zij ons voorschrijven, zullen wij gewis behouden worden van den toekomenden toorn en van den vloek, en voor eeuwig zalig zijn. Aan hen, die het Evangelie van Christus aannemen, zal de zaligheid er door gebracht worden tot hun huisgezin: "gij zult zalig worden, en al uw huis, gij en uwe kinderen zult opgenomen worden in het verbond, en de middelen der zaligheid verkrijgen. Uw huisgezin zal, als zij geloven, even welkom wezen aan het voordeel en voorrecht der zaligheid, als gij zelf, ook zelfs de geringsten onder uwe dienstboden. Heden is dezen huize zaligheid geschied," Lukas 19:9. Tot nu toe is de zaligheid uit de Joden geweest, Johannes 4:22, maar nu is de zaligheid aan de Heidenen gebracht, en is zij voor hen even goed als zij ooit voor de Joden geweest is. De beloften, de voorrechten en de middelen er van zijn tot alle volken gekomen, even ruim en ten volle, en in alle opzichten, als zij ooit aan het Joodse volk is toegewezen.
e. Hetgeen de zaak volstrekt onbetwistbaar maakte, was de nederdaling van den Heiligen Geest op de hoorders uit de Heidenen, hieruit is het ten duidelijkste gebleken, dat het de wil van God was, dat hij de Heidenen in de gemeenschap der kerk zou opnemen. Het feit was duidelijk en onmiskenbaar, vers 15, "als ik begon te spreken", (en wellicht heeft hij in zijn hart nog enige aarzeling gevoeld, twijfelende, of het wel recht was, dat hij predikte voor hen, die de voorhuid hebben,)" viel de Heilige Geest op hen -in even zichtbare tekenen-gelijk ook op ons in het begin, waarin geen bedrog kon wezen. Aldus heeft God getuigenis gegeven aan hetgeen geschied was, en er Zijne goedkeuring van te kennen gegeven. Die prediking is voorzeker rechtmatig, waarmee de Heilige Geest wordt gegeven. De apostel onderstelt dit, als hij dus redeneert met de Galaten: Hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs? Galaten 3:2. Petrus werd hierdoor indachtig gemaakt aan een gezegde zijns Meesters bij Zijn afscheid van hen, Hoofdstuk 1:15, Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, vers 16. Dit gaf duidelijk te kennen: Ten eerste: Dat de Heilige Geest de gave was van Christus, het voortbrengsel en de vervulling van Zijne belofte, die grote belofte, die Hij hun liet, toen Hij ten hemel opvoer. Daarom was het ontwijfelbaar, dat deze gave van Hem kwam, dat hun vervuld worden met den Heiligen Geest door Hem was geschied. En gelijk het door Zijn mond was beloofd, zo is het door Zijne hand volbracht, en het was een teken van Zijne gunst. Ten tweede. Dat de gave des Heiligen Geestes ene soort van doop was. Die Hem ontvingen waren op voortreffelijker wijze gedoopt, dan iemand van hen, die door den Doper zelf met water gedoopt zijn. Deze belofte, vervat in deze bewoording, vergelijkende met de gave, die zo even geschonken werd, toen de vraag werd geopperd, of deze personen al of niet gedoopt moesten worden, komt hij tot het besluit, dat de zaak door Christus zelf was beslist, vers 17. " Indien dan God hun evengelijke gave heeft gegeven als ook ons, haar ons gaf, als gelovende in den Heere Jezus Christus, en hun na hun geloven in Hem, wie was ik toch, die God kon weren? Kon ik weigeren hen met water te dopen, die door God met den Heiligen Geest gedoopt zijn? Kon ik het teken weigeren aan hen, aan wie Hij de zaak heeft gegeven, die door het teken wordt aangeduid? Wat mij betreft, wie was ik? Ik, in staat om God te weren? Betaamde het mij den Goddelijken wil te beperken, of het raadsbesluit des hemels tegen te staan?" Zij, die de bekering van zielen verhinderen, weerstaan God, en diegenen matigen zich te veel aan, die hen van hun gemeenschap willen buitensluiten, die God in gemeenschap met Hem zelven heeft opgenomen.
IV. Dit verslag, dat Petrus hun deed van de zaak, bevredigde hen, en zo was alles wèl. Evenzo is het geschied toen de twee en een halve stam aan Pinehas en de oversten van Israël ene juiste verklaring gaven van hun bedoeling in het bouwen van een altaar aan den Jordaan, dat de twist geëindigd was, en het goed was in hun ogen, Jozua 22:30. Er zijn mensen, die, als zij eenmaal een blaam op iemand hebben geworpen, er bij blijven, al blijkt het ook nog zo duidelijk, dat het onrechtvaardig was, en ongegrond. Zo was het hier niet, want hoewel deze broeders uit de besnijdenis waren, en hun neiging in de tegenovergestelde richting was, hebben zij toch, toen zij dit hoorden:
1. Hun afkeuring teruggenomen. Zij waren tevreden, en hadden niets meer in te brengen tegen hetgeen Petrus gedaan had, zij legden hun hand op hun mond, omdat zij n u bemerkten, dat God het gedaan had. Nu begonnen zij, die zich zo lieten voorstaan op hun waardigheid als Joden, in te zien, dat God hun' hoogmoed beschaamde, door de Heidenen in te brengen in de kerk, om gelijkelijk met hen in alle voorrechten er van te delen. En nu is deze profetie vervuld: Gij zult u voortaan niet meer verheffen om Mijns heiligen bergs wil, Habakuk 3:11.
2. Zij verkeerden hun afkeuring in lof. Zij waren niet slechts bevredigd, zodat zij niet meer twistten met Petrus, maar zij verheerlijkten God voor hetgeen Hij door en met Petrus' dienstwerk gedaan had. Zij waren er dankbaar voor, dat hun vergissing hersteld was, en dat God aan de arme Heidenen meer barmhartigheid had bewezen, dan zij geneigd waren hun te bewijzen, en zeiden: Zo heeft dan God ook den Heidenen de bekering gegeven ten leven! Hij heeft hun niet alleen de middelen ter bekering geschonken, door ene deur bij hen te openen voor Zijne dienstknechten, maar ook de genade der bekering, door hun Zijn Heiligen Geest te geven, die overal waar Hij komt als Trooster, eerst van zonde overtuigt, een inzicht geeft in de zonde, droefheid er over veroorzaakt, en dan een gezicht geeft op Christus, en blijdschap schenkt in Hem. Als bekering waar, oprecht is, dan is zij ten leven, ten geestelijken leven. Allen, die oprecht berouw hebben van hun zonden, geven hier blijk van door een nieuw, heilig, hemels en Goddelijk leven te leiden. Zij, die door bekering der zonde gestorven zijn, zullen voortaan Gode leven, en dan-en niet eerder-beginnen wij waarlijk te leven, en het zal wezen ten eeuwigen leven. Alle ware boetvaardigen zullen leven, dat is: zij zullen hersteld worden in de gunst van God, die beter is dan het leven, zij zullen vertroost worden met de verzekerdheid van de vergeving hunner zonden, en zullen den voorsmaak hebben van het eeuwige leven, en ten laatste de genieting er van. Bekering is Gods gave, het is niet alleen Zijne machtige genade, die haar in ons werkt, die het stenen hart wegneemt, en een vlezen hart geeft. De offeranden Gods zijn een gebroken geest, Hij is het, die zich van dat lam voorziet. Waar God voornemens is leven te geven, daar geeft Hij bekering, want dat is ene noodzakelijke toebereiding voor de vertroosting van ene verzegelde vergeving en een bevestigden vrede in deze wereld, alsmede voor het zien en genieten van God in de andere wereld. Het is ene grote vertroosting voor ons, dat God Zijn Zoon Jezus verhoogd heeft, niet slechts om aan Israël bekering en vergeving van zonden te geven, Hoofdstuk 5:31, maar ook den Heidenen.